1979/1 ongegrond

Culturele Raad Dordrecht contra De Dordtenaar
Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Culturele Raad Dordrecht tegen De Dordtenaar.

De Culturele Raad Dordrecht (klager) heeft bij brief van 23 maart 1978 een klacht bij de Raad voor de Journalistiek ingediend tegen de heer Bergers, hoofdredacteur van De Dordtenaar (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en klager daarop had gerepliceerd heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 1 februari 1979, waar is verschenen A. W. de Kool, voorzitter van de Culturele Raad. De heer Bergers kon om gezondheidsredenen niet aanwezig zijn.

DE KLACHT

De klacht komt kort samengevat op het volgende neer: Onder de kop inspraak verschijnt in De Dordtenaar van 4 februari 1978 het volgende hoofdredactionele commentaar:

"INSPRAAK

Zoals de vlag er nu bij staat zullen de Culturele Raad en de Jeugdraad van het toneel verdwijnen. Behoudens de groep van betrokkenen zal niemand daar een traan om laten. Al vaak hebben we in deze kolommen betoogd dat beide raden niet goed functioneerden. Er is te weinig van de grond gekomen; de golven zijn te vaak en te hoog opgelaaid. Het gemeentebestuur kan, zo kort voor de verkiezingen, moed worden toegeschreven om een even belangriJke als even, toch el impopulaire, beslissing te nemen. In feite wordt namelijk een stuk inspraak de nek om gedraaid. Ongetwijfeld zal dat ook het gemeentebestuur voor de voeten worden geworpen.

Maar is het beëindigen van die inspraak in een democratische bestuursvorm een verkeerde zaak? We dachten van niet. Als ooit is gedemonstreerd dat inspraak zoveel hoofden zoveel zinnen betekent dan is dat in de betrokken raden gebeurd.
Het heeft alleen wat lang geduurd voordat B en W dat hebben beseft. Dat is Jammer want daarmee is wel voedsel gegeven aan het feit dat nu de klok wordt teruggedraaid.
Maar daar staat toch duidelijk tegenover dat B en W engelengeduld hebben opgebracht en beide raden een kans hebben gegeven, ondanks het feit dat beide maar al te vaak probeerden op de stoel van B en W te gaan zitten door zich duidelijk met zaken te bemoeien die buiten de bevoegdheden vielen."

Klager stelt dat het commentaar van de hoofdredacteur onnodig kwetsend is ten opzichte van de honderden burgers die zich jarenlang belangeloos hebben ingezet voor het werk van de Culturele Raad en wie verweten wordt weinig gepresteerd te hebben. Grievend is ook de bewering dat de Culturele Raad besluiteloos is. Evenzeer grievend acht klager de opmerking dat de Culturele Raad probeert op de stoel van B en W te gaan zitten.
Daarnaast stelt klager dat het commentaar, behalve de reeds als grievend aangemerkte zinsneden enkele pertinente onjuistheden bevat. Als zodanig noemt klager de opmerking dat niemand een traan zal laten om het verdwijnen van de Culturele Raad; dat de golven te vaak en te hoog zijn opgelaaid en dat reeds vaker in De Dordtenaar betoogd is dat de Culturele Raad niet goed functioneerde.
Klager heeft zich zeer gestoten aan de opvatting die uit het commentaar blijkt dat het beëindigen van die inspraak in een democratische bestuursvorm geen verkeerde zaak is.
Klager stelt dat men niet van een opinie kan spreken wanneer men beweert dat de functionele raad (i.c. de Culturele Raad) niet goed functioneert en dat te weinig van de grond gekomen is zonder dat enige reële argumenten voor deze bewering wordt aangevoerd.
Klager verwijt betrokkene dat hij heeft gelogen en daarmee de goede naam van de Culturele Raad heeft aangetast. Klager heeft zijn grieven tegen het commentaar kenbaar gemaakt aan betrokkene en van hem geëist de waarheid van zijn beweringen betreffende de Culturele Raad in het openbaar door een onafhankelijke deskundige te laten aantonen dan wel een onmiddellijke openbare rectificatie in De Dordtenaar te plaatsen. Omdat betrokkene aan deze eis geen gevolg wenste te geven heeft klager zich tot de Raad gewend.

VERWEER

Betrokkene stelt in zijn verweerschrift, bij nader onderzoek in het kranten archief over de afgelopen twee en een half jaar zo'n 110 publicaties over de Culturele Raad te hebben aangetroffen. Een bloemlezing
daaruit, zo'n kleine 30 verschillende in De Dordtenaar verschenen berichten, heeft betrokkene bij zijn verweerschrift gevoegd.
Uit deze beperkte selectie van berichten komt zijns inziens naar voren hoe omstreden het functioneren van de Culturele Raad is. Als voor beelden daarvan citeert hij de volgende in deze berichten opgenomen uitspraken:

(Burgemeester Van Zuuren)
"Waarom doet de Culturele Raad dan niet enkele dingen goed en houdt men op met werken in de breedte ten koste van de zo noodzakelijke diepte en De Culturele Raad is hier en daar bezig geweest als een soort tegenraad van de gemeenteraad (Wethouder Kraayeveld) die de Culturele Raad verwijt een proces op gang te brengen dat het huidige systeem uitholt; (Culturele Raad zelf) De Culrurele Raad wordt, zeker ten aanzien van zijn adviserende functie nauwelijks serieus genomen."

ZITTING

Klager licht toe dat zijn klacht voornamelijk gaat om de volgende vijf feitelijke onjuistheden in het commentaar van betrokkene:
1 . de Culturele Raad functioneert slecht;
2. de Culturele Raad heeft te weinig gepresteerd;
3. de suggestie dat de besluitvorming binnen de Culturele Raad slecht is;
4. de Culturele Raad heeft herhaaldelijk geprobeerd op de stoelen van het college van B en W te gaan zitten;
5. de Culturele Raad bemoeit zich met zaken die buiten het beleidsterrein van de Culturele Raad vallen.
Betrokkene is er naar zijn mening niet in geslaagd deze constateringen met bewijzen te staven. De door hem overgelegde 'bloemlezing' van publicaties omtrent de Culturele Raad kenschetst klager als subjectief en tendentieus.
Een aantal van de overgelegde berichten is niet van toepassing op de klacht - sommige zijn eerst na publicatie van het commentaar verschenen - en de overige gaan aan de inhoud daarvan voorbij . Klager merkt op dat hij naar aanleiding van een eerder commentaar van betrokkene betreffende de Culturele Raad in 1976 met betrokkene een onderhoud heeft gehad waarin betrokkene zou hebben toegegeven dat er in dat commentaar enkele onjuiste beweringen stonden en waarbij hij zou hebben toegezegd zich in het vervolg terdege te informeren alvorens een commentaar met betrekking tot de Culturele Raad te publiceren.
Het tegendeel is echter waar gebleken. Voorts wijst klager op de monopoliepositie die De Dordtenaar in de lokale pers heeft. Dat legt naar zijn mening een grote verantwoordelijkheid op de schouders van de redactie, met name om in berichtgeving en commentaar zaken van alle kanten te bekijken.

OVERWEGINGEN

Hoewel betrokkene verhinderd was ter zitting aanwezig te zijn, is de Raad van mening dat, gelet op de gewisselde stukken, de belangen van betrokkene voldoende verdedigd zijn. De beweringen van betrokkene waartegen de klacht zich richt zijn gepubliceerd in de vorm van een commentaar. Het weergeven van opvattingen in het kader van een hoofdredactioneel commentaar geeft aan dat het een subjectieve mening betreft. Uit de over gelegde stukken blijkt duidelijk dat het functioneren van de Culturele Raad Dordrecht nogal omstreden is, hetgeen ook niet door klager ontkend wordt.
De 'feitelijke onjuistheden' waarover klager klaagt dienen naar de mening van de Raad te worden gezien als een mening van betrokkene, waarmee men het al dan niet eens kan zijn. Het karakter van de beweerde onjuistheden is minder een kwestie van feitelijkheid dan wel van waardering. De Raad is van oordeel dat dit commentaar niet onnodig kwetsend of grievend is. Een ingezonden brief waarin de opvatting van klager tegenover die van betrokkene gesteld zou zijn, had meer voor de hand gelegen dan de eis die klager aan betrokkene heeft gesteld.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 1 februari 1979 door mr H. B. Vroom, voorzitter, ing. O. Postma, D. F. Houwaart. mr F. Kuitenbrouwer, drs H. W. M. van Run in tegenwoordigheid van mr K. Helder, plaatsvervangend secretaris.

RvdJ 1979, 1.