1978/5 gegrond

Raadslid Tj. Kok contra de Ommelander Courant

Beslissingen van de Raad voor de Journalistiek inzake de heer Kok tegen de Ommelander Courant.

De heer Tj. Kok, lid van de gemeenteraad van Warffum, hierna te noemen klager, heeft bij brief van 8 mei 1978 bij de Raad een klacht ingediend tegen de heer J. Dob, hoofdredacteur van het nieuwsblad de Ommelander Courant te Uithuizen, hierna te noemen betrokkene. Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend waarop door klager is gerepliceerd. Daarna heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld op de zitting van 7 december 1978, waar klager verschenen is.

DE KLACHT

De bezwaren van klager laten zich aan de hand van de door hem op de zitting gegeven toelichting als volgt samenvatten.

In de vergadering van de gemeenteraad van Warffum van 30 maart 1978 was een standpuntbepaling ten aanzien van de invoering van de neutronenbom aan de orde. Klager heeft in deze raadsvergadering een zijns inziens zo genuanceerd en evenwichtig mogelijk betoog gehouden tegen de invoering van de neutronenbom. In de Ommelander Courant van 3 april 1978 verscheen een verslag van deze raadsvergadering. Klager was van mening dat in dit verslag zoveel pertinente onjuistheden en verdraaiingen staan dat hij door middel van een aan deze krant ingezonden brief tegen het verslag bezwaar maakte. Temeer daar hij zich persoonlijk benadeeld voelde door de wijze waarop de discussies van die raadsvergadering waren weergegeven. Zijns inziens waren de weergave van de feiten en het commentaar van de redacteur niet gescheiden gehouden. Er werden hem in dit verslag woorden in de mond gelegd die hij in het ge,heel niet gebezigd had. In een aan de krant gezonden brief heeft klager een aantal van deze uitlatingen rechtgezet. De door klager ingezonden brief werd, met weglating van de laatste zin - waarin klager meedeelde zijn abonnement op te zeggen - overigens in zijn geheel geplaatst. Hiermede beschouwde klager de kwestie als afgedaan. In de Ommelander Courant van 17 april 1978 echter verscheen in de rubriek 'Tussen eb en vloed' een stukje van de hand van betrokkene. In de kop van de rubriek 'Tussen eb en vloed' wordt deze rubriek als volgt gekarakteriseerd: 'Wekelijkse opsomming van gebeurtenissen en voorvallen die normaal de krant niet halen, maar in veel gevallen wel interessant zijn om te weten. Correspondentie aangaande de in deze rubriek aangehaalde onderwerpen is niet mogelijk'.
In deze rubriek worden door betrokkene allerlei de persoon van klager betreffende opmerkingen gemaakt die door klager als grievend zijn ervaren. Betrokkene gaat niet in op de feiten maar verwijt klager ondertussen wel in zijn ingezonden brief niet de waarheid geschreven te hebben. Klager ervaart als bijzonder grievend de uitlating van betrokkene over klagers verhuizing, omdat die wordt aangehaald als reden waarom klager zijn abonnement had opgezegd, waarom hij 'gemakkelijk allerlei verwijten kan aanhalen' en waarom zijn ingezonden stuk maar 'een zielig verhaal' zou zijn van 'een man die schijnbaar bezig is met z'n zwanezang'. Klager laakt het ook in betrokkene, dat deze meent te kunnen uitmaken welke de intentie is van zijn (klagers) uitlatingen. Tenslotte vraagt hij zich af of betrokkene op een dergelijke wijze van zijn (machts-)positie gebruik mag maken om persoonlijke aanvallen op zijn lezers uit te voeren, waarin dezen de mogelijkheid tot weerwoord bij voorbaat wordt ontnomen. Klager verzoekt de Raad zich hierover uit te spreken.

VERWEER

Betrokkene voert aan dat het verslag van de raadsvergadering van 30 maart 1978 door hem is geschreven aan de hand van hetgeen hij op deze vergadering heeft gesignaleerd en gehoord.
Klager doet in zijn ingezonden - en in de krant geplaatste - brief een rechtstreekse aanval op betrokkene. De door klager in deze brief gebezigde taal heeft betrokkene evenzeer als kwetsend en bovendien als niet gerechtvaardigd ervaren. Het verwijt van klager in deze brief dat wel vaker onjuistheden in de raadsverslagen zijn gesignaleerd wordt door geen enkele voorbeeld gestaafd. Betrokkene had geen behoefte om bij de ingezonden brief een reactie zijnerzijds te publiceren.
Hij heeft echter wel op de brief gereageerd in de rubriek 'Tussen eb en vloed' omdat hij van mening is dat de lezers er recht op hebben om de mening van de redacteur in deze kwestie te weten. In de rubriek heeft hij toegegeven dat in het betreffende raadsverslag niet woordelijk is weergegeven hetgeen in de tamelijk lange discussie over de neutronenbom naar voren gebracht is. Dit is zijns inziens echter de normaalste zaak van de wereld. De laatste zin van de ingezonden brief, waarin klager meedeelt zijn abonnement op te zeggen, heeft betrokkene niet geplaatst omdat daarin de suggestie aan de lezers opgesloten lag om allemaal maar hun abonnement op te zeggen. Toch heeft betrokkene de lezers deze informatie ook niet willen onthouden. Vandaar zijn opmerking in de rubriek 'Tussen eb en vloed' met een verklaring zijnerzijds. Overigens is betrokkene van mening dat wie de bal kaatst deze moet terugverwachten.

BESCHOUWINGEN

In de ingezonden brief beperkt klager zich niet tot het weergeven en corrigeren van onjuistheden in het gepubliceerde verslag van de desbetreffende raadsvergadering. Hij verwijt betrokkene 'misbruik van zijn positie te hebben gemaakt' door in het verslag zijn eigen mening te laten doorklinken en door hem andere woorden in de mond te leggen die door hem niet gezegd zijn.
Naar de mening van de Raad kan betrokkene een en ander inderdaad als kwetsend ervaren. In beginsel maakt betrokkene geen misbruik van zijn positie door een weerwoord tegen deze ingezonden brief te publiceren. De Raad is echter van oordeel dat het publiceren van een weerwoord in een rubriek waarbij op voorhand nadere reactie van publicatie uitgesloten wordt niet in overeenstemming is met de journalistieke ethiek. Dit geldt temeer nu het weerwoord van betrokkene enerzijds slechts in geringe mate op de feiten betrekking heeft maar anderzijds wel tal van op de persoon gerichte aantijgingen bevat. Overigens is de Raad van mening dat het in deze kwestie niet terecht is dat de laatste zin van de ingezonden brief niet is gepubliceerd. De Raad is van mening dat uit de tekst in deze zin, woordelijk luidend: - 'Ik ondersteun uw krant niet langer, mijn abonnement heb ik inmiddels opgezegd' - niet een zo duidelijke suggestie aan de lezers om dit voorbeeld te volgen valt te lezen, dat het weglaten van deze zin daardoor werd gerechtvaardigd.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 7 december 1978 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter; drs A. A. V. Tummers; ing. O. Postma; mr F. Kuitenbrouwer; drs H. W. M. van Run, in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, secretaris.

RvdJ 1978, 5.