1978/4 deels gegrond

Amicales contra Eindhovens Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Federatie van Marokkaanse Amicales tegen het Eindhovens Dagblad

Mr A. L. C. M. Oomen te 's-Gravenhage heeft namens zijn cliënten, de Federatie van Marokkaanse Amicales te 's-Gravenhage en haar voorzitter Mohamed Amghane te Eindhoven (klagers) bij brieven van 29 augustus en 6 september 1977 bij de Raad een klacht ingediend tegen de heer K. Kersten, redacteur van het Eindhovens Dagblad (betrokkene).
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend waarop door klager is gerepliceerd. Daarna heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld ter zitting van 5 oktober 1978 waar zijn verschenen de raadsman van klagers en de betrokkene.

KLACHT

In het Eindhovens Dagblad van 30 april 1977 verscheen van de hand van betrokkene een artikel met de kop 'Hassan II regeert in Brabant` waarin onder andere wordt geschreven over de activiteiten van de Marokkaanse Amicales en hun relatie tot koning Hassan van Marokko alsmede over de persoon van de voorzitter van de Amicales Nederland, de heer Amghane.

Klagers hebben de volgende bezwaren tegen dit artikel geuit:
1. In het artikel wordt onnodig grievend over de Marokkaanse Amicales geschreven en de Amicales worden in een kwaad daglicht gesteld.
2. In het artikel wordt de indruk gewekt dat een interview tussen de betrokkene en de heer Amghane heeft plaatsgevonden, hetgeen niet het geval is geweest.
3. Het is ongeoorloofd in dit artikel de mening van de heer J. van Brussel dat 'de heer Amghane zonder meer onbetrouwbaar is' op te nemen.

Ter nadere toelichting op het eerste bezwaar tegen dit artikel worden door klagers de volgende zinsneden uit het artikel aangegeven die onjuiste en in het geheel niet bewezen feiten weergeven en mede daardoor onnodig grievend zijn.

'Hassan II en zijn regeerders hebben een scenario in elkaar gezet, waarmee de ene Marokkaan het de andere moeilijk gaat maken. De inspiratie voor dit draaiboek is geput uit angst voor het gigantische leger gastarbeiders, dat met de in Europa opgedane kennis omtrent mensenrechten en democratie lastposten voor het corrupte Marokkaanse bewind belooft te worden'. 'In Frankrijk, West-Duitsland en België zijn ze al langer actief, de 'Fédération des Amicales des Marocains' ofwel de Amicales, vriendenkringen waarover slechte berichten rondgaan: intimidatie, geweldpleging, stakingsbrekingen, dreiging met represailles tegen familieleden, het doorgeven van namen van onoprechte mohammedanen, die het wagen lid van een vakbond te zijn, of anderszins het thuisland, de koning en Allah verloochenen' .

LANGE ARM VAN HASSAN

'De Amicales vormen de lange arm van koning Hassan, die nu reikt tot in Nederland, tot in Brabant. Naar schatting van Amicales hebben in deze contreien 1300 Marokkanen zich bij de beweging aangesloten, een aantal dat gestaag groeit. Met de komst van Amicales hierheen heeft de al eerder in het land gegroeide ongerustheid nu ook OostBrabant in haar greep'. 'Het fanatisme, waarmee koningsgezinde Marokkanen hun zaak verdedigen'. 'Desnoods wordt hij dan ook nog lid van Amicales, zomaar, onder dwang of uit nieuwsgierigheid. Als hij maar in alle rust hier wat geld kan verdienen om straks daar verder te kunnen leven onder Allah's hoede'.
De raadsman van klagers heeft, voordat de klacht bij de Raad werd ingediend, de betrokkene gesommeerd binnen 14 dagen een positief doch objectief artikel over de Federatie van Marokkaanse Amicales in Nederland in het Eindhovens Dagblad te publiceren dan wel een schadevergoeding van f 10.000,--te betalen. Betrokkene heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven waarop namens klagers de klacht bij de Raad is ingediend.

VERWEER

In zijn verweer voert betrokkene het volgende aan. Sinds vijf jaar gaat betrokkene om met een aantal Marokkaanse arbeiders. Hij heeft veel met hun problemen te maken gehad. Zo verzorgde hij bijvoorbeeld correspondentie voor hen en bemiddelde hij bij huisvesting. Hierdoor heeft hij hen goed leren kennen. Toen er berichten circuleerden dat de Amicales zich in Eindhoven ging vestigen was dit voor hem een aanleiding zich in deze 'vriendenkring' te verdiepen en daar vervolgens over te publiceren.
Voor het totstandkomen van de publicatie heeft hij zich nader georiënteerd aan de hand van de artikelen die in de Nederlandse pers tot nu toe over de Amicales waren verschenen, alsmede aan de hand van het informatiemateriaal dat hem was verstrekt door het KMAN (Komitee Marokkaanse Arbeiders Nederland), waaronder rapporten van Amnesty International. Daarnaast heeft hij gesprekken gevoerd met de waarnemend directeur van de Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers Oost-Brabant, de heer J. van Brussel; met een vertegenwoordiger van de KMAN, de heer l'Hachmi Rahal; met een vertegenwoordiger van de Association des Marocains en France, de heer Tariq Ahmed; met een beroepskracht van het JAC-Eindhoven, de heer P. Ploeger en met een vertegenwoordiger van Amicales Eindhoven, de heer Ali Sabir.
Hij is van mening dat het door hem gepubliceerde wordt ondersteund door de informatie die hij heeft ingewonnen. Ook het gebruikelijke hoor en wederhoor heeft hij zijns inziens nauwkeurig toegepast. Daarbij wijst hij er tevens op dat het artikel 'Hassan 11 regeert in Brabant' niet los gezien kan worden van een ander artikel van hem dat onder de titel 'Mohammed is niet gelukkig' op dezelfde pagina van het Eindhovens Dagblad van 30 april 1977 is afgedrukt. Wat het tweede bezwaar betreft, namelijk dat hij de indruk wekt met de heer Amghane persoonlijk een interview te hebben gehad, voert betrokkene het volgende aan. Hij had met de heer Amghane een afspraak voor een interview gemaakt, maar deze was zonder bericht van verhindering, op het afgesproken tijdstip niet verschenen. Betrokkene heeft toen uitvoerig gesproken met de heer Ali Sabir, federatielid en werkzaam voor de Amicales in Eindhoven. Kort daarop verspreidde het ANP een verslag van een persconferentie van de heer Amghane waarvoor betrokkene niet was uitgenodigd. Uit deze tekst heeft hij geciteerd. Overigens merkt betrokkene op dat het schrijven van beide artikelen hem is ingegeven vanuit zijn begrip voor de positie van de gastarbeider in dit land, waarbij de actuele situatie van de vestiging van de Amicales in Eindhoven voor hem de aanleiding was de dreiging die daarvan op de Marokkaanse gastarbeiders uitging nader te onderzoeken en daarover te publiceren.

ZITTING

De raadsman van de klagers voert aan dat de klacht tegen het artikel in het Eindhovens Dagblad mede strekt om de opinie van de Raad meer in het algemeen te vernemen inzake de talrijke publikaties die regelmatig in de Nederlandse pers over de Amicales verschijnen en waarin bij voortduring tegen de Amicales wordt geageerd. Het is ondoenlijk zich tegen al deze publikaties te verweren. Aanvankelijk heeft hij zijn cliënten geadviseerd zich niet tegen de publikaties te weer te stellen omdat dit aanleiding zou geven tot nieuwe publikaties. Nu echter blijkt dat aan de reeks publikaties op korte termijn geen einde komt en de vrij continue stroom van negatieve publikaties het gevaar met zich brengt dat men zich gaandeweg op de inhoud daarvan gaat beroepen, heeft hij zijn cliënten niet langer weerhouden van het indienen van een klacht .
De directe aanleiding om zich tegen dit artikel te weer te stellen is de omstandigheid dat de heer Amghane door zijn werkgever naar aanleiding van dit artikel met ontslag bedreigd werd.
De aantijgingen jegens de Amicales die telkenmale in publikaties worden geuit, zijn niet gefundeerd en berusten op wilde verhalen. Hij is persoonlijk vanaf het begin bij de oprichting van de Amicales in Nederland betrokken geweest.
De statuten zijn door hem opgesteld en hij heeft het ministerie van Justitie een verklaring van geen bezwaar op deze statuten verzocht.
Alvorens deze verklaring verleend werd heeft een onderzoek door de BVD plaatsgevonden. Niets is daarbij gebleken van onoorbare praktijken of van een onzedelijk karakter van deze vereniging. Bij de beantwoording van in het recente verleden gestelde vragen in de Tweede Kamer is daarvan evenmin iets gebleken. Wel is het de raadsman bekend dat zich in het buitenland met name in Frankrijk incidenten bij de Amicales hebben voorgedaan. Door klagers worden deze incidenten betreurd. De Amicales Nederland distantiëren zich van deze incidenten. De beschuldigingen in dit artikel aan het adres van de Amicales Nederland en van haar voorzitter ontberen zijns inziens iedere grond. Daarnaast wordt ten onrechte in dit artikel de indruk gewekt dat de redacteur een persoonlijk interview met de heer Amghane heeft gehad, terwijl slechts gedeeltelijk uit een ANP-tekst is geciteerd.
Betrokkene merkt ter zitting op dat zijn beide artikelen in het Eindhovens Dagblad van 30 april 1977 zijn geschreven vanuit mededogen met de Marokkaanse gastarbeiders in Nederland en vanuit zijn overtuiging dat de oprichting van de Amicales in Nederland een slechte zaak is. Hij baseert deze overtuiging op de uitvoerig door hem ingewonnen informaties waarvan hij in zijn verweerschrift opgave heeft verstrekt. Ook heeft hij zijns inziens het beginsel van hoor en wederhoor zo correct mogelijk toegepast. Hij heeft - hetgeen niet ongebruikelijk is uit de ANP-tekst van een door de heer Amghane gegeven persconferentie geciteerd, omdat de heer Amghane hem op het daartoe afgesproken moment niet te woord stond. Daarbij merkt hij op dat het bijzonder moeilijk is om bij de Amicales zelf inlichtingen in te winnen. Betrokkene geeft toe dat zijn citaat uit de ANP-tekst niet volledig was. Hij acht het denkbaar dat hij een tussenzin uit deze ANP-tekst niet heeft opgenomen in zijn citaat omdat hij de inhoud daarvan ongeloofwaardig vond. Wat betreft de bewering in het begin van zijn artikel dat Hassan II en zijn regeerders een scenario in elkaar hebben gezet uit angst voor het gigantische leger van gastarbeiders, geeft betrokkene achteraf toe dat deze bewering van boos opzet wel wat zwaar is, hetgeen zijns inziens niet wegneemt dat het beweerde in zijn gevolgen wel zo uitpakt.

OVERWEGINGEN

De eerste twee zinnen van het artikel: 'Hassan II en zijn regeerders hebben een scenario in elkaar gezet waarmee de ene Marokkaan het de andere moeilijk gaat maken. De inspiratie voor dit draaiboek is geput uit angst voor het gigantische leger gastarbeiders, dat met de in Europa opgedane kennis omtrent mensenrechten en democratie lastposten voor het Marokkaanse bewind belooft te worden', worden onvoldoende gedragen door hetgeen in het artikel over de activiteiten en de positie van de Amicales ten opzichte van koning Hassan II naar voren wordt gebracht. De Raad laat hierbij in het midden of de betrokkene op grond van de door hem ingewonnen inlichtingen deze bewering had kunnen staven.
Het artikel wekt de indruk dat de betrokkene een interview met de heer Amghane persoonlijk heeft gehad. Nu betrokkene slechts citeert uit een ANP-tekst van een door de heer Amghane gegeven persconferentie, waarbij hij niet aanwezig was, zonder dat dit wordt aangegeven, is de Raad van mening dat betrokkene in dit opzicht niet de nodige journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht.
Dit klemt temeer daar betrokkene niet onverkort uit de ANP-tekst heeft geciteerd maar selectief. Ten aanzien van het weergeven van de mening van de heer J. van Brussel in het artikel - namelijk dat de heer Amghane zonder meer onbetrouwbaar is - is de Raad van oordeel dat in het algemeen gezegd kan worden dat wie desbewust aan een journalist in de uitoefening van zijn beroep mededelingen doet, daarvoor zelf verantwoordelijk is. De verantwoordelijkheid van de publicerend journalist voor de inhoud van citaten - mits juist weergeven is in het algemeen slechts zeer beperkt. In casu is die niet anders.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat het eerste en het tweede in de klacht genoemde bezwaar doel treffen, het derde bezwaar echter niet.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist .

Aldus vastgesteld ter zitting van 5 oktober 1978 door mr R. de Waard, plaatsvervangend voorzitter; ing. O. Postma, mr F. Kuitenbrouwer, drs H. W. M. van Run, H. ten Brink, leden; in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, plaatsvervangend secretaris.

RvdJ 1978, 4.