1978/3 ongegrond

P-Comité contra de Volkskrant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake het P-Comité tegen De Volkskrant

Namens het P-Comité te Amsterdam (klager) heeft de heer W. Oppenoorth zich bij brief van 15 december 1977 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredactie van de Volkskrant te Amsterdam (betrokkene).

Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en klager daarop had gerepliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 6 april 1978, waar zijn verschenen de heer W. Oppenoorth voor klager en drs J. M. M. van der Pluijm, hoofdredacteur van De Volkskrant.

DE KLACHT

Het klaagschrift komt kort samengevat op het volgende neer: Op 10 september 1977 verscheen in de rubriek 'Dag in Dag uit' een bericht over drs P. en het P-Comité hetgeen als volgt luidde:

'Drs P.

De liedjesschrijver en zanger Drs. P. blijkt niet alleen in zijn tekst maar ook in de exploitatie van zijn eigen amusementstalenten over een eigenaardige vorm van humor te beschikken. Hij heeft zojuist een aantal van zijn produkten op de grammofoonplaat vastgelegd en de manier waarop hij die aan de man denkt te brengen, getuigt van een zekere oorspronkelijkheid.
Drs P. geeft regelmatig voorstellingen op scholen. Op een gegeven ogenblik was een Amsterdamse middelbare school aan de beurt en na zijn optreden deelde de zanger mapjes lucifers uit die aan de ene zijde waren bedrukt met de tekst Drs P. 2 langspeelplaten + tekstboek 1955-1977 en aan de andere zijde met Intekenen door overschrijving van f 19 op giro (...) t.n.v. Het P-Comité Amsterdam.
De leerling T. vond die grammofoonplaten wel een leuk cadeau voor een vriend die binnenkort jarig zou zijn. Hij maakte dus de negentien gulden over op het verstrekte gironummer.
Maandenlang gebeurde er echter niets. Geen reactie van het P-Comité en ook geen zending platen + tekstboek. Eindelijk viel er deze dagen bij T. een brief in de bus, verzonden door het P-Comité en van de volgende inhoud:
'Geachte Meneer/Mevrouw T.
Het is bijna zover. De platen + tekstboek van Drs P. waarvoor u heeft ingeschreven, zullen binnen enkele weken gereed zijn. Wij nodigen u hierbij uit aanwezig te zijn op zondagmiddag 11 september 1977, 14.00 uur in De Spiegeltent - Schouwburgplein Rotterdam (tegenover het Centraal Station).
Op die bijzondere plek zal dan de langverwachte set ten doop worden gehouden. Ook zult u een optreden kunnen meemaken van Drs P. en van het Resistentie Orkest. Over andere attracties wordt nog onderhandeld, maar zeker is dat zich nog enkele verrassingen zullen voordoen.
Van de bijeenkomst zullen televisie-opnamen worden gemaakt voor een later dit jaar uit te zenden programma. Ter bestrijding van de kosten zullen wij een toegangsprijs van f 2,50 per persoon vragen.
Als u deze middag wilt bijwonen (met per inschrijving één introducé) verzoeken wij u per omgaande de strook onderaan deze brief te ondertekenen en te retourneren. Na ontvangst van uw strook sturen wij u een bevestiging. Die geldt als reserveringsbewijs. (...) Indien een reserveringsbewijs aan u is verzonden zal het aantal door u bestelde sets in Rotterdam voor u klaar liggen en niet worden verstuurd.
Indien geen reserveringsbewijs aan u is verzonden wordt uw bestelling in september/oktober per pakketpost toegezonden. (Portokosten omstreeks f 5,--).'
Met andere woorden: de platen + tekstboek komen de besteller in ieder geval op een hoger bedrag dan negentien gulden. Als je niet naar Rotterdam gaat komt er vijf gulden bij, en als je zoals in dit geval vanuit Amsterdam wel naar Rotterdam gaat komt er een rijksdaalder + zestien gulden vijftig (prijs van een tweede klas retour) bij.'

Klager stelt dat door de onvolledige en tendentieuze weergave van de activiteiten van het P-Comité Drs P. een niet met de werkelijkheid overeenkomend dubieus gedrag wordt toegedicht. Drs P. heeft, anders dan in artistieke zin, geen medewerking verleend aan het in de bedoelde rubriek beschreven niet-commerciële project. Door het bewuste bericht werd evenzeer als Drs P. het P-Comité in een bedenkelijk daglicht gesteld.
Klager heeft de betreffende redacteur van de rubriek in een eerste reactie bij brief van 10 september 1977 (die bij de klacht als bijlage was gevoegd) grove onzorgvuldigheid en een lasterlijke intentie verweten en het maken van openbare excuses aan Drs P. geëist alsmede een volledige rectificatie van het verschenen bericht.
Klager verwijt betrokkene dat de van de leerling T. verkregen informatie niet eerst bij het P-Comité werd geverifieerd. Bovendien wijst klager erop dat aan de redactie van De Volkskrant op 16 maart 1977 een persbericht over de bewuste activiteiten van het P-Comité werd verzonden, terwijl het persbericht ook op de school van de leerling T. werd verspreid en opgehangen. De mededeling in het bericht dat Drs P. zelf de mapjes lucifers uitdeelde na zijn optreden op deze school is onjuist. Deze lucifermapjes werden door een leraar en niet door Drs. P. uitgedeeld.
Overigens vraagt klager zich af of een bericht van deze strekking ook zou zijn verschenen indien het niet om Drs P. was gegaan. Klager stelt dat de houding van betrokkene zowel in de berichtgeving als in de reactie niet strookt met hetgeen moet worden verstaan onder de journalistieke erecode en de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten. Klager eiste van betrokkene rechtzetting van het gepubliceerde en het maken van verontschuldigingen zowel aan Drs. P. als aan het P-Comité. Omdat klager de reactie van betrokkene op zijn brief niet bevredigend achtte, heeft hij zich tot de Raad gewend.

VERWEER

Betrokkene werpt allereerst een vraag van formele aard op, namelijk of de klacht niet tegen de betreffende redacteur van de rubriek gericht had dienen te zijn. Klager heeft zijn eerste reactie immers tot deze redacteur gericht en uit het antwoord van deze redacteur aan klager is gebleken dat hij de verantwoordelijkheid voor het bericht op zich heeft genomen.
Voor wat de inhoud van de klacht betreft stelt betrokkene dat de kwestie schromelijk door klager is overtrokken. Betrokkene zou, indien klager op rustige toon mededeling van het bestaan van het pamflet had gedaan of bijvoorbeeld om plaatsing van een ingezonden brief in de rubriek 'Geachte redactie' had verzocht en op een dergelijke wijze aandacht voor deze kwestie had gevraagd daaraan tegemoet gekomen zijn.
Het op hoge toon vragen van openbare excuses en van een volledige rectificatie achtte betrokkene te veel van het goede. Betrokkene wijst erop dat de rubriek 'Dag in Dag uit' eerder toestanden signaleert, en dat op een bepaalde wijze, dan dat die rubriek tot objectieve berichtgeving dient te worden gerekend. Slechts één mededeling in het bericht blijkt in feite niet te kloppen, namelijk dat de zanger zelf lucifermapjes zou hebben uitgedeeld. Dit enkele feit lijkt betrokkene geen aanleiding voor een rectificatie. Betrokkene voert aan dat noch de leerling T. noch de betreffende redacteur hoefden te weten, en in feite ook niet wisten, dat er naast de tekst op het mapje lucifers ook nog een tekst op een pamflet stond en dat daarin andere, nadere, voorwaarden voor het verkrijgen van de grammofoonplaten op stonden dan op het lucifermapje.

DE ZITTING

Klager licht ter zitting zijn standpunt nader toe. Het bericht in de rubriek 'Dag in Dag uit' kwam op een zeer ongelegen moment, namelijk op de dag voor de uitreiking van de L.P.-platen te Rotterdam, hetgeen wellicht de wat overtrokken toon van de eerste reactie aan De Volkskrant verklaart. Klager heeft zich voornamelijk gestoten aan de presentatie van het bericht dat hij als onvolledig en insinuerend kwalificeert. Door het bericht zijn er geruchten ontstaan en werden de betreffende activiteiten als een louche affaire gezien. Klager heeft nogal wat hinder ondervonden van de publicatie. Daar pogingen om tot een zekere rechtzetting door De Volkskrant te komen mislukten, is klager overgegaan tot het indienen van een klacht bij de Raad.
Overigens merkt klager op dat de dag te Rotterdam als zeer geslaagd moet worden aangemerkt zodat geen financiële schade werd geleden ten gevolge van het bericht.
Betrokkene voert ter zitting allereerst aan dat formeel gezien niet betrokkene doch de betreffende redacteur had dienen te worden opgeroepen. Voorts stelt betrokkene de gehele kwestie van gering
gewicht te achten. Ware door klager de redelijkheid betracht dan was een nadere publicatie zeker mogelijk geweest. Veel van dit soort kwesties doen zich in de dagelijkse gang van zaken voor en vrijwel alle worden in redelijkheid tot oplossing gebracht. De voorliggende kwestie wordt door betrokkene uitsluitend gezien als een incompatibilité des humeurs.

OVERWEGINGEN

De door betrokkene geuite twijfel of niet de redacteur van de rubriek 'Dag in Dag uit' over de klacht van het P-Comité had dienen te worden aangesproken in plaats van hij zelf, verhindert niet dat hij - hoofdredacteur zijnde - door de Raad als betrokkene wordt beschouwd.
Zulks temeer omdat het P-Comité zich ook tot hem had gewend en omdat het een niet ondertekend bericht betrof. Dat het P-Comité tevens, zelfs uitvoeriger, had gecorrespondeerd met de met name vermelde redacteur van de rubriek 'Dag in Dag uit' doet hier niets aan af.
Ten aanzien van de klacht heeft de Raad overwogen dat het omstreden bericht is gepubliceerd in de rubriek 'Dag in Dag uit' welke zich qua stijl en inhoud aandient als een enigszins kritische en badinerende rubriek. Het bericht, dat gebaseerd was op inlichtingen van leerling T. over diens ervaringen, droeg dan ook de kenmerken van die speciale journalistieke aanpak.
De Raad is van oordeel, dat het bericht, hoewel het één feitelijke onjuistheid bevat, die overigens in de hele kontekst van geringe betekenis is, niet een onbehoorlijke journalistieke gedraging opleverde.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.
De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 april 1978 door mr H. Vroom, voorzitter; mr T. Faber-de Heer, mr F. Kuitenbrouwer, drs H. W. M. van Run en drs A. A. V. Tummers, in tegenwoordigheid van mw mr M. P. Galama-Kuipers, tweede secretaris.

RvdJ 1978, 3.