1978/2 ongegrond

Textielfabrieken Batavier contra De Gelderlander

Ir J. Willink, directeur van de Koninklijke Textielfabrieken Batavier NV te Winterswijk (klager), heeft zich bij brieven van resp. 6 en 30 september 1977 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer J. Schreuder, redacteur van De Gelderlander te Nijmegen (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de heer H. C. J. Erkens, wnd. hoofdredacteur van De Gelderlander Pers, namens betrokkene een verweerschrift ingezonden, waarna nog is gerepliceerd door klager en gedupliceerd door de heer Erkens. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld ter zitting van 11 januari 1978, waar is verschenen de heer Erkens voor betrokkene. Klager heeft bericht, niet te zullen verschijnen, daar hij meent dat alle argumenten reeds schriftelijk naar voren zijn gekomen.

DE KLACHT

Klager heeft op 1 september 1977 een perscommuniqué doen uitgaan betreffende een aanpassing van de interne organisatie van de Batavier-fabrieken, noodzakelijk geworden door de stagnatie in de afzet van de door hem geproduceerde woningtextiel, hetgeen o.m. zou gaan leiden tot de aanvraag voor ontslag van ca 17 werknemers, zoals het communiqué meldt, dat vervolgt: 'Ons personeel, de ondernemingsraad en de vakbonden zijn hierover ingelicht en de plannen zullen in nauw overleg met hen tot besluiten worden gemaakt`. Bovenaan het communiqué staat: 'EMBARGO TOT VRIJDAG 2.9.1977 - 16.00 UUR', terwijl het bericht is gedateerd 2 september 1977.
Klager stelt dat het communiqué op 1 september is overhandigd aan de heer Willink, verbonden aan de Graafschapbode, die optrad als vervanger van de plaatselijke correspondent van De Gelderlander, de heer Rauwers. De heer Willink, die het die avond heeft overhandigd aan de heer Schreuder van De Gelderlander Pers te Doetinchem, heeft toen naar zijn zeggen duidelijk verteld wat de achtergronden waren van het embargo, n.l. dat de medewerkers die in de middagploeg van 2 september opkwamen, pas na 14.00 uur mededeling van de afvloeïingsplannen zouden krijgen.
Het bericht verscheen in de editie van 2 september 1977 van De Gelderlander - een ochtendblad - en derhalve geruime tijd voor de afloop van de embargo-termijn, waarmee volgens klager dit embargo is geschonden, hetgeen de reden vormt voor zijn klacht.
Klager heeft telefonisch betrokkene benaderd, die zich toen beriep op het feit dat het embargo ook door andere kranten was geschonden. Inderdaad komt, aldus klager, een krant als Tubantia ca 15.30 uur in Winterswijk en werd dus in strikte zin ook door dit blad het embargo geschonden; hierover heeft hij niet geklaagd.
Klager acht het publiceren van het bericht in een editie van De Gelderlander, die 's morgens om ca 10.00 uur in Winterswijk in de bus komt een bijzonder kwalijke zaak. Bij een aantal van zijn werknemers, die het bericht het eerst uit De Gelderlander moesten vernemen, heeft dit onnodig extra leed veroorzaakt. De heer Schreuder heeft voor de publikatie van het bericht, dat onder de kop Weer 17 ontslagen bij De Batavier werd geplaatst, geen contact met klager daarover opgenomen.

HET VERWEER

Het standpunt van betrokkene luidt samengevat als volgt.

Hij erkent het onderhavige embargo te hebben geschonden. Hij kreeg het communiqué, dat de andere kranten reeds 's middags hadden ontvangen, pas 's avonds op I september in handen tijdens een gemeenteraadsvergadering. Hem bleek toen dat de andere drie kranten (Tubantia, Graafschapbode en Nieuwe Winterswijkse Courant) het de volgende dag zouden publiceren. Al deze kranten worden voor vier uur 's middags - de tijd waarop het embargo afliep - verspreid. Naar zijn mening was daarmee de zin van dit embargo en het embargo zelf de facto komen te vervallen. Daar betrokkene tot één uur 's nachts voor de krant bezig was geweest, was hij niet in de gelegenheid de directie van de Batavier van zijn voornemen om het bericht ook op 2 september te publiceren op de hoogte te stellen. In plaats daarvan heeft hij zijn collega Willink, die als koerier van de Batavier-directie was opgetreden, wel laten weten dat hij zich niet aan dit embargo kon houden, omdat de andere kranten in zijn ogen bevoordeeld werden boven De Gelderlander Pers. De directie van de Batavier zou er beter aan gedaan hebben het embargo op 2 september om 24.00 uur te laten aflopen. Dan hadden alle kranten het bericht op 3 september kunnen plaatsen.
Bovendien heeft klager de vergissing begaan, deze voor hem belangrijke zaak in handen te geven van een plaatsvervanger van de plaatselijke correspondent, een plaatsvervangerschap dat nooit door de redactie van De Gelderlander is geïnstitutionaliseerd, maar dat berust op een onderlinge afspraak tussen de correspondent en de heer Willink, die zelf voor het concurrerende dagblad Graafschapbode werkt. Klager had naar de mening van betrokkene rechtstreeks met de redactie van De Gelderlander contact moeten opnemen.
Betrokkene betreurt de hele gang van zaken. Door de hoofdredactie is hij erop gewezen dat hij voor het nemen van beslissingen waarbij de verantwoordelijkheid van de hoofdredactie in het geding kan zijn, tevoren overleg met haar dient te plegen.

DE ZITTING

Als waarnemend hoofdredacteur licht de heer Erkens het standpunt van de Gelderlander nader toe. Betrokkene heeft enige concurrentie-overwegingen laten meewegen bij zijn - zonder overleg met de hoofdredactie genomen - beslissing om zich niet aan het embargo te houden: de andere kranten worden omstreeks 15.30 uur in Winterswijk verspreid, De Gelderlander tussen 11.00 en 15.00 uur. De publicatie in De Gelderlander van 2 september is niet correct geweest. Desgevraagd zegt de heer Erkens dat, indien betrokkene wel overleg had gepleegd met zijn hoofdredactie over een eventuele schending van het embargo, hij contact zou hebben opgenomen met klager over het uur van afloop.

OVERWEGINGEN

Klager heeft terecht, enerzijds om te voorkomen dat de betrokken werknemers het nieuws van het dreigend ontslag het eerst uit hun krant zouden vernemen, anderzijds om een zo snel en nauwkeurig mogelijke publicatie te bereiken, zijn bericht onder embargo verstrekt.
Doch bij de verspreiding heeft klager de functie van het embargo wellicht miskend. In weten heeft dit immers het karakter van een overeenkomst tussen twee partijen, van welke de verspreider aanbiedt een nieuwsfeit vroegtijdig te verstrekken onder voorwaarde dat het niet zal worden gepubliceerd voor het door de verspreider voorgestelde tijdstip, en het nieuwsmedium met het accepteren van het bericht te kennen geeft, deze voorwaarde te aanvaarden. Aldus beschouwd had klager zijn communiqué dat bestemd was voor betrokkene, beter niet kunnen toevertrouwen aan een voor een concurrerend dagblad werkende correspondent, zonder dat hem vanwege betrokkene was toegezegd dat deze de voorwaarde zou nakomen. En wellicht zou het gebeurde voorkomen zijn als klager tijdig met de in aanmerking komende journalisten had overlegd over de meest geschikte embargotermijn.
Hoe dit ook zij, betrokkene was op de hoogte van het tijdstip van afloop. Ten onrechte stelt hij dat het embargo voor hem vervallen was toen hij wist dat de avondbladen het bericht op 2 september zouden opnemen: tussen het tijdstip van verspreiding van zijn krant en dat van de andere lagen enige uren, en daarin viel juist het moment waarop klager zijn werknemers zou inlichten.
Betrokkene had klager zo spoedig mogelijk op de hoogte dienen te stellen van zijn besluit, zich niet gebonden te achten aan het embargo. Dat hij daarvoor niet voldoende tijd meer had, kan hem echter nauwelijks worden verweten, in aanmerking genomen het tijdstip en de wijze waarop hij het communiqué in handen kreeg.

BESLISSING

De Raad betreurt de schending van het embargo, doch meent dat betrokkene en klager ieder voor een deel verantwoordelijkheid dragen.
De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 11 januari 1978 door mr R. de Waard, plv, voorzitter, ing. O. Postma, R. H. G. Schoonhoven, H. A. Uilenbroek en mevrouw dr M. Zeldenrust-Noordanus, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1978, 2.