1978/1 gegrond

Mr Draijer contra De Telegraaf

Mevrouw - mr A. A. P. Draijer-Udo te Leiden heeft zich namens haar cliënten de heer X, optredend voor zijn minderjarige dochter, en de heer X jr, meerderjarige zoon van de heer X (klagers), tot de Raad gewend bij brieven van 22 en 24 augustus 1977 met een klacht tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf te Amsterdam (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene op de klachten gereageerd met een brief, waarop namens klagers is gerepliceerd. Daarna heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld ter zitting van 11 januari 1978, waar zijn verschenen de heer X en zijn raadsvrouwe.

In De Telegraaf van 5 augustus 1977 verscheen van de hand van Wim van Geffen een artikel onder de koppen Drama in flat van weduwnaar; Meisje (14) doodt jongetje van 9, waarin werd bericht over een doodslag, op 3 augustus 1977 gepleegd op een Turks jongetje, van welk feit de dochter van klager X werd verdacht.
Het artikel is verlucht met o.a. een foto van het slachtoffertje (portret) en een foto van de woning waarin de gebeurtenis zich had afgespeeld. De klachten betreffen de publikatie in de tekst van dit bericht van de portretten van de dochter van klager X en van klager X jr, resp. met het onderschrift: 'De 14-jarige (plaatsnaam)se scholiere (voornaam + initiaal van achternaam), die bekend heeft een afgrijselijke misdaad te hebben begaan.' en 'De 22-jarige (voornaam + initiaal van achternaam), broer van de jeugdige verdachte, wordt nog door de politie vastgehouden omdat zijn rol in het drama nog duister is.'.
Klagers stellen dat beide foto's zijn gepubliceerd zonder toestemming van de geportretteerden c.q. hun wettelijke vertegenwoordiger. Voorts stellen zij, dat door deze publikatie op zeer grove wijze inbreuk is gemaakt op de privacy van de afgebeelde personen, waardoor hun belangen ten zeerste worden geschaad. In het bijzonder geldt dit voor het jonge meisje, wier belangen blijkens de wet beschermd dienen te worden door de allergrootste terughoudendheid te betrachten ten aanzien van de publiciteit.

HET ANTWOORD

Betrokkene reageerde op de toezending van de klaagschriften met de volgende brief: 'Naar aanleiding van uw schrijven van 5 september j.l., delen wij u mede de bewuste foto met toestemming van de vader te hebben geplaatst'.

DE REPLIEK

Namens klager wordt gesteld dat kennelijk niet wordt ingegaan op de klacht van de heer X jr, waarmede zijn klacht als niet weersproken vaststaat. Klager X ontkent als vader van het meisje ten enenmale ooit toestemming aan De Telegraaf te hebben gegeven tot plaatsing van de foto van zijn dochter.

DE ZITTING

Klager X deelt mee dat hij de dag na de doodslag, dus op donderdag 4 augustus, 's ochtends om 7.30 uur door de politie van huis is meegenomen, tezamen met zijn minderjarige dochter en zoon; hij moest de huissleutels afgeven aan de politie. Zijn andere zoon klager X jr, die niet meer bij zijn vader woont `is omstreeks dezelfde tijd gearresteerd.
Na verhoor werd klager X heengezonden. Toen hij omstreeks 15.30 uur thuiskwam, vond hij zijn hele huis overhoop gehaald; hem werd verteld dat er ongeveer 20 man van de politie, o.m. de Moordbrigade uit Den Haag, binnen waren geweest voor een onderzoek. Voorzover de stemming waarin hij na het gebeurde verkeerde dit toeliet, heeft hij toen zo goed mogelijk alles opgeruimd.
De volgende ochtend is hij zeer geschrokken van de publikatie in De Telegraaf op die 5e augustus. Pas toen realiseerde hij zich, dat uit het rijtje ingelijste portretfoto's, die op de kast stonden, die van zijn dochter en die van zijn oudste zoon - klager X jr - ontbraken. Dit waren de gepubliceerde foto's.
Daar hij geen enkel contact met journalisten had gehad en hij niet beter wist of alleen politiemensen waren in zijn woning geweest tijdens zijn afwezigheid, heeft hij bij buren en bij de politie geïnformeerd of er ook anderen binnen waren geweest. Niemand had zoiets gezien; wel had men de heer Van Geffen door het raam naar binnen zien kijken, maar hij was niet binnen het huis gezien.
Toen klager X op maandag 8 augustus de beide gepubliceerde foto's en de lijstjes waaruit ze waren gehaald, in zijn brievenbus vond liggen, heeft hij aangifte gedaan bij de politie. Van die kant kon men hem niet meedelen, hoe de foto's uit de woning waren geraakt en wie ze anoniem had terugbezorgd. Een onderzoek zou worden ingesteld. Op de dag van de zitting van de Raad had dit onderzoek voorzover aan klager bekend - nog geen resultaat opgeleverd. Klager ontkent ten stelligste, toestemming te hebben gegeven tot publikatie van de uit zijn woning verdwenen foto's, laat staan dat hij ze zelf zou hebben afgegeven voor dat doel.
Hij deelt mee dat zijn dochter in het observatiehuis, waarin zij na haar arrestatie werd opgenomen, problemen heeft gehad doordat men haar herkende van de gepubliceerde foto. Verder deelt hij mee dat zijn zoon klager X jr, die pas op 5 augustus op vrije voeten werd gesteld en tegen wie geen vervolging is ingesteld, zeer was aangegrepen toen hij zijn foto in de krant zag staan. Daar hij gearresteerd was, had hij uiteraard geen toestemming kunnen geven voor de publikatie ervan.
De raadsvrouwe van klagers vraagt zich af of, gesteld al dat zij, totaal van streek als zij immers waren door het gebeurde, in hun verwarring toestemming zouden hebben gegeven - hetgeen uitdrukkelijk wordt ontkend -, het zelfs dan niet journalistiek ongeoorloofd is inbreuk te maken op de privacy van twee van misdrijf verdachte personen door hun foto's te publiceren.

NADER ONDERZOEK

Nadat het onderzoek ter zitting was gesloten, heeft de Raad in de raadkamer besloten, in verband met de eerst nu en buiten aanwezigheid van betrokkene door klager X naar voren gebrachte feiten, alvorens te beslissen op de klachten eerst schriftelijk aan betrokkene te vragen, wanneer en op welke wijze de vader toestemming had verleend voor de publikatie van het portret van zijn dochter.
Hierop heeft de heer H. Goeman Borgesius, hoofdredacteur van De Telegraaf, het volgende geantwoord:
'Naar aanleiding van uw schrijven van 30 januari j.l. kunnen wij u informeren, dat onze verslaggever, de heer W. van Geffen, op 4 augustus 1977 de heer X (naam klager) thuis opbelde met het verzoek of hij foto's van de gearresteerde kinderen bezat. Het antwoord luidde bevestigend. Er werd gevraagd of de heer X bezwaar had tegen publicatie. De heer X had hier geen bezwaar tegen. Integendeel hij zei zelfs: 'Ik kan u beter een kabinetsfoto van mijn dochter geven. Die is beter uitgevallen dan de pasfoto'.
Verslaggever heeft op 5 augustus nog verschillende keren telefonisch contact gehad met de heer X, maar er kwam geen woord over diens lippen over de bewuste foto's.
Wij zijn ons niet bewust ergens foutief te hebben gehandeld of de journalistieke spelregels te hebben overtreden. Bovenstaande verklaring is door de recherche van het politiebureau Adm. de Ruyterweg te Amsterdam in proces-verbaal vastgelegd.'

OVERWEGINGEN

Nu aldus de standpunten zowel van klagers als van betrokkene over de gang van zaken omtrent de publikatie van de foto's zijn kenbaar gemaakt, volstaat de Raad ermee, beide naast elkaar weer te geven. Immers de Raad heeft noch de mogelijkheid, noch de bevoegdheid, de feiten voldoende grondig.te onderzoeken om te kunnen beslissen welke lezing de juiste is. Voor het achterwege laten van een dergelijk onderzoek bestaat te meer aanleiding nu een justitieel onderzoek hiernaar is in-gesteld.
Vast staat thans slechts dat klager X jr geen toestemming heeft verleend voor de publikatie van zijn portret; dit blijkt uit de verklaringen van klagers en betrokkene heeft het in geen van zijn beide brieven betwist.
Wat er echter ook zij van de wijze waarop betrokkene in het bezit is gekomen van de foto's en van het al of niet verleend zijn van toestemming voor de publikatie ervan, de vraag blijft over of het journalistiek geoorloofd is, aldus inbreuk te maken op de privacy van twee personen, aangehouden op verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit.
De belangen die hierbij tegenover elkaar staan, zijn aan de kant van de pers het belang van een aandachttrekkende berichtgeving, die adequaat is aan de behoeften van de lezer naar uitvoerige informatie over nieuwsfeiten van deze aard, en aan de kant van de verdachte diens belang dat er niet méér inbreuk wordt gemaakt op zijn persoonlijke leven dan noodzakelijk is voor een juist verloop van
vervolging en berechting, ook wat betreft de in ernstige zaken daarbij onvermijdelijke publiciteit over hemzelf en zijn daden.
Anders dan in sommige ons omringende landen is het ten onzent ongebruikelijk, dat de publiciteitsmedia de identiteit van een verdachte onverhuld bekend maken, of van hem een foto (b.v. van zijn arrestatie) publiceren zonder dat zijn gezicht daarop onherkenbaar is gemaakt. Dit geldt temeer wanneer het betreft portretfoto's voor een geheel ander doel en zonder enig verband met de opsporing of berechting van het feit waarvoor de afgebeelde persoon is aangehouden, gemaakt.
Deze terughoudendheid der media berust op de overweging dat zij de belangen van de verdachte, in het bijzonder diens kans op een zo min mogelijk belemmerde terugkeer in de maatschappij na afloop van strafzaak en straf, zwaarder behoren te laten wegen dan hun eigen belang.
In dit licht de onderhavige klachten beschouwende is de Raad van oordeel dat betrokkene door de publikatie van de foto's van de veertienjarige dochter van klager X en die van zijn zoon X jr, mede gelet op het onnodige leed dat daardoor reeds nu aan de beide afgebeelden is toegevoegd, een grove inbreuk heeft gemaakt op hun persoonlijke belangen, zonder dat zijn journalistieke belangen dit rechtvaardigden.

BESLISSING

Door het publiceren van de beide foto's heeft betrokkene de grenzen overschreden van hetgeen, mede gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 11 januari 1978 door mr R. de Waard, plv. voorzitter, ing. O. Postma, R. H. G. Schoonhoven, H. A. Uilenbroek en mevrouw dr M. Zeldenrust-Noordanus, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1978, 1.