1977/8 ongegrond

G. H. L. Zeegers contra De Vakbeweging

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake prof. G. H. L. Zeegers tegen 'De Vakbeweging'

In hetzelfde klaagschrift d.d. 4 sept. 1975 waarin hij zich over een publicatie in Brabants Dagblad beklaagde, heeft de heer G. H. L. Zeegers (klager) tegenover de Raad beklag gedaan over een publicatie in De Vakbeweging (orgaan van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen) van 27 maart 1975. Deze klacht was gericht tegen K. Graftdijk (betrokkene), redacteur van genoemd blad. De desbetreffende publicatie ging evenals die in Brabants Dagblad over activiteiten van de stichting Carosi en van daarbij aangesloten stichtingen alsmede over handelswijzen van de heer Zeegers.
Nadat betrokkene zich schriftelijk had verweerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die haar heeft behandeld op de zitting van 3 november 1977. Daar verschenen zowel klager en diens raadsman, mr J. M. Kopp, als betrokkene.

DE KLACHT

In haar algemeen deel luidt de klacht eender als die jegens Brabants Dagblad. Wat de publicatie in De Vakbeweging in het bijzonder betreft, baseert klager zijn klacht met name op de volgende passages:

'Drs Zeegers zal z'n miljoenen hebben.'
'Geld voor 'GOEDE DOELEN' wordt op een vreemde wijze binnengehaald.
'En dus is de heer Zeegers er opnieuw in geslaagd een enorme som binnen te halen, die zeker niet gebruikt zal worden voor het doel waarvoor het was ingezameld.'
'We vermelden slechts dat hij het eenmaal heeft gepresteerd, zelfs een condoléancebrief aan een pas weduwe geworden vrouw te misbruiken voor een (overigens mislukte) poging om geld los te krijgen.'
'Het beeld dat ons van George H. L. Zeegers, grossier in andermans geld, werd gegeven was erg complex: een acteur met grote sluwheid en uitgekiend psychologisch gevoel, innemend en joviaal en tevens wantrouwend en agressief. Iemand noemde hem een patiënt.'

HET VERWEER

Betrokkene stelt in zijn verweer, dat hij het algemeen belang wilde dienen door het in de openbaarheid brengen van vermoedelijk bestaande minder gewenste toestanden op het gebied van de georganiseerde liefdadigheid en daarmee samenhangende inzamelingsaktiviteiten. Betrokkene is ervan overtuigd, dat de publicatie in De Vakbeweging een verantwoord en, op zijn minst wat de hoofdlijnen betreft, juist beeld heeft gegeven. Zij was gebaseerd op concrete, controleerbare, feiten en op mededelingen van met name genoemde bevoegde zegslieden.
De handelwijze van personen die een belangrijke maatschappelijke rol vervullen en/of sterk in de openbaarheid staan, is uiteraard bloot gesteld aan kritiek die voor de betrokken personen niet altijd aangenaam zal zijn. De in de klacht vermelde passage 'Geld voor goede doelen wordt op een vreemde wijze binnengehaald' is de letterlijke weergave van een kop die, in samenhang met de tekst gelezen, bedoelde te duiden op het verschijnsel dat gelden voor een bepaald doel werden ingezameld, maar, zonder voldoende openbaarheid of controle, later voor een ander doel werden bestemd.
Betrokkene wijst er met nadruk op, dat hij in een volgend nummer van 'De Vakbeweging een weerwoord van Carosi heeft opgenomen. In een aanvullend verweerschrift gaat betrokkene nader in op de door klager gewraakte passage over misbruik van een condoléancebrief, zulks onder overlegging van een fotokopie van deze brief. Betrokkene blijft van mening dat hier van misbruik sprake is. Volgens hem zegt de heer Zeegers in zijn condoléancebrief (gericht aan een vrouw die zojuist haar man verloren had en van wie bekend was dat zij een boek wilde schrijven over een blind kind in een ontwikkelingsland), dat de royalties van een dergelijk boek aan de Prof. Weve-stichting - een dochterstichting van Carosi - zouden toevallen.

DE ZITTING

Ter zitting stelt de raadsman van klager, dat betrokkene zich eenzijdig heeft laten voorlichten respectievelijk informaties van de zijde van Carosi onvoldoende heeft weergegeven. Weliswaar heeft betrokkene aan Carosi een weerwoord in De Vakbeweging toegestaan, maar daaruit is een essentieel punt geschrapt. Bovendien werd de waarde van dit weerwoord door toevoeging van een redactioneel commentaar tot nul gereduceerd.
Betrokkene stelt daar tegenover, dat hij de feiten juist heeft weergegeven en dat een journalistiek onderzoek - mede met het oog op het algemeen belang ondernomen - zelden tot zekerheid, wel tot waarschijnlijkheid, kan leiden. Volgens betrokkene was een raadsman van klager destijds heel tevreden over het weerwoord in De Vakbeweging, maar klager zegt hem daarvan niets bekend is.opnieuw stelt klagers raadsman, dat de bewering dat klager een condoléancebrief zou hebben misbruikt om 'geld los te krijgen' onjuist en beledigend is, waartegen betrokkene aanvoert, dat bedoelde bewering wel degelijk overeenkomstig de feiten was en bovendien door de ontvangster van de condoléancebrief werd gesteund.

DE OVERWEGINGEN

De publicatie in De Vakbeweging handelde over zaken die het algemeen belang raken. Hoor en wederhoor is ook in zoverre toegepast, dat een weerwoord in een latere editie van het blad is opgenomen. Weglating van een ondergeschikt gedeelte van dat weerwoord - om zakelijk journalistieke redenen - en een uitvoerig redactioneel nawoord, doen de waarde van het 'wederhoor' niet teniet.
Op de passage over de condoléancebrief kan worden aangemerkt, dat er enig verschil is tussen 'een poging om geld los te krijgen' en de poging die in bedoelde brief met zoveel woorden werd gedaan: een schrijfster vragen haar boek, dat over een blind kind zou gaan, voor de Prof. Weve-stichting te schrijven. Van een enkele passage, een kenschets van de persoon van klager behelzend, meent de Raad dat ze te ver gaat, zoals van enige andere passages kan worden gezegd dat ze met meer prudentie geschreven hadden kunnen worden. Maar daarmee mag naar het oordeel van de Raad ten aanzien van de publicatie als zodanig niet tot maatschappelijke onaanvaardbaarheid, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, worden geconcludeerd.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad beslist dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan De Journalist, orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 november 1977 door mr H. B. Vroom, voorzitter, en mr F. Kuitenbrouwer O. Postma ing., drs H. W.M. van Run en drs A. A. V. Tummers, leden, in tegenwoordig-
heid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 8.