1977/7 ongegrond

G. H. L. Zeegers contra Brabants Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake prof. G. H. L. Zeegers tegen Brabants Dagblad

Bij geschrifte van zijn raadsman, mr J. N. Kopp, heeft de heer G H L. Zeegers te Wassenaar (klager) zich bij klaagschrift van 4 september 1975 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer B. van Polen, redacteur van Brabants Dagblad (betrokkene), c.q. tegen drs J. Naninck en drs J. Oyen, hoofdredacteuren van genoemd dagblad. Nadat mr H. J. F. M. Huffer als vertegenwoordiger van betrokkene een verweerschrift had ingediend en nadat, telkens na ruim tijdsverloop, repliek en dupliek waren gevolgd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. Mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op de zitting van 3 november 1977. Aldaar verschenen klager en betrokkene, vergezeld van hun respectieve raadslieden alsmede de heer J. Oyen.
De klacht had betrekking op een door Bert van Polen geschreven en op 5 april 1975 in Brabants Dagblad in grote opmaak verschenen artikel met als kop George Zeegers, 'n goede oom. Het handelde zowel over de persoon van klager als over de stichting Carosi, waarvan klager voorzitter is, alsmede over enkele van de vele stichtingen die in federatief verband bij Carosi zijn aangesloten, met name over het Nederlands Leprafonds (niet te verwarren met de Nederlandse Stichting voor Leprabestrijding), de Prof. Weve-stichting - van welke beide stichtingen klager eveneens voorzitter is - en de stichting Stem van Afrika - waarvan klager adviseur is.
Al deze stichtingen richten zich op speciale vormen van hulpverlening in ontwikkelingsgebieden. Voor de voeding van de daarvoor nodige fondsen worden geregeld wervingsakties gehouden. De Prof. Weve-stichting richt zich op blindenzorg in ontwikkelingslanden; de Stem van Afrika heeft van doen met de oprichting van een radiozender c.q. met de bevordering van massacommunicatie op r.k.-grondslag in Afrika.

DE KLACHT

De klacht kan als volgt beknopt worden weergegeven.
Door de publicatie in Brabants Dagblad werd het publiek onjuist voorgelicht en werd de offervaardigheid van het publiek nadelig beïnvloed, terwijl klager en anderen die zich belangeloos voor leprabestrijding e.d. inzetten, in verband met de nodige fondswerving juist van dat publiek afhankelijk zijn. Voorts werden, aldus klager, door bedoelde publicatie de eer en goede naam zowel van klager als van diens instellingen ten onrechte in opspraak gebracht.
Klager baseert zijn klacht met name op de volgende passages in Van Polens artikel:

'Bijna twintig jaar bouwt George H. L. Zeegers nu al aan een indrukwekkende maar ondoorzichtige liefdadigheidskolos die Carosi heet. Het is, zoals een informant zegt, een 'luguber netwerk van stichtingen', die zich bijna allemaal in de kantlijn van ontwikkelingshulp bezig houden. Fluisterende stemmen hebben er al jarenlang kritiek op, maar pas de laatste tijd roeren de tongen zich fel, en rijzen de beschuldigingen de pan uit. Zij komen hierop neer: onjuiste voorlichting, ondoorzichtige fondsvorming, achterhouden en verspillen van geld.'
'Genoeg aanleiding om het levenspad van George Zeegers te gaan volgen, want hij is de man die al de stichtingen heeft opgericht, om in verre gewesten 'voor Sinterklaas' te kunnen spelen, zoals mensen die hem kennen, zeggen.'
'En hij zegt ook: 'Ik vind hem een zielige figuur, hij is het slachtoffer van zichzelf en vooral van z'n omgeving die z'n zwakheden uitbuit'. (Het in deze passage aangehaalde citaat is van een met name genoemd zegsman.)
Zij werd voor ons compromitterend want het Leprafonds van Zeegers draait het publiek een rad voor ogen'. (Deel van citaat van met name genoemd zegsman.)
'Hij wil de goede oom uithangen. (...) Eh, een profeet die vastgelopen is in zijn eigen profetisme, dat zou best kunnen'. (Delen van citaat van met name genoemd zegsman.)

HET VERWEER

De raadsman van betrokkene stelt in zijn verweer, dat portrettering van werk en persoon van klager journalistiek verantwoord was en een maatschappelijk belang diende. Het publiek heeft er immers recht op te weten hoe een liefdadigheidsinstelling, waarvoor het geld gegeven heeft, functioneert, zeker wanneer zo'n instelling in opspraak is gekomen. Als federatie van liefdadigheidsinstellingen was Carosi in opspraak gebracht door de volgende feiten: in het tijdschrift Medicus Tropicus had de Utrechtse oogarts R. Sampimon, voormalig voorzitter van de Prof. Weve-stichting, deze stichting ervan beschuldigd publieke gelden voor 'medisch toerisme' te gebruiken; een Rotterdams parochiaal actiecomité had laten weten dat een bijeengebracht bedrag van honderdduizend gulden voor een r.k. radiozender in Afrika (op te richten door de stichting Stem van Afrika) in een of ander ongrijpbaar fonds was verdwenen; in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde hadden veertien artsen/lepradeskundigen een brief gepubliceerd met bezwaren tegen inhoud en strekking van een tv-reportage over het Columbiaanse lepradorp Agua de Dios, welke reportage de TROS in nauwe samenwerking met het Nederlands Leprafonds had gemaakt en welke mede ten doel had geld bijeen te brengen; Elseviers Magazine had een artikel gepubliceerd onder de vragende kop Wat gebeurt er met de miljoenen van het Leprafonds?; het blad De Vakbeweging had in twee artikelen aangedrongen op een onderzoek naar de activiteiten van Carosi, op een dergelijk onderzoek was ook aangedrongen in vragen, door Tweede Kamerleden aan de minister van justitie gesteld.
Betrokkene heeft zich laten informeren door veertien zegslieden, onder wie oud-medewerkers van klager; hij heeft negen soorten van bronnen geconsulteerd (zegslieden en bronnen worden in het verweerschrift met name vermeld). Klager zelf echter was niet bereid betrokkene voor een gesprek te ontvangen.
Het verweer tegen de voor de klacht fundamentele passages uit het artikel van betrokkene kan summier als volgt worden weergegeven. Van een 'ondoorzichtige liefdadigheidskolos' is gesproken onder meer omdat het publiek nooit zekerheid had of geld dat voor een bepaald doel werd gegeven, op de bestemde plaats terecht kwam- bij inzamelingsakties werd immers overwegend het gironummer van de overkoepelende stichting Carosi gebruikt. 'Ondoorzichtig' ook, omdat er volgens de voorzitter van de stichting Stem van Afrika in de tijd dat een inzamelingsactie voor een katholieke radiozender werd gehouden, niet gesproken werd over katholiek communicatiewerk dat later het stichtingsdoel bleek te zijn.
De uitdrukking luguber netwerk van stichtingen stamde van een informant en doelde op de onduidelijke verweving van de zesentwintig bij Carosi aangesloten stichtingen, doelde tevens op vermoedens over financiële verwevenheid van de stichtingen onderling. Met de zinsnede 'fluisterende stemmen hebben er al jarenlang kritiek op' wilde betrokkene zijn ervaring weergeven, dat het werk en de persoon van klager bekritiseerd werden en dat er geruchten liepen over het financiële beheer bij Carosi en over de levenswijze van klager. De beschuldiging van 'onjuiste voorlichting' was er een van de veertien artsen/lepradeskundigen in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 'Achterhouden van geld' in de zinsnede 'achterhouden en verspillen van geld' doelde op de beschuldiging van een Rotterdams actiecomité dat zich beijverd had gelden voor de stichting Stem van Afrika bijeen te brengen.

DE REPLIEK

In zijn repliek zegt klager dat uit het verweerschrift niet blijkt dat betrokkene bij zijn onderzoek de vereiste objectiviteit in acht heeft genomen. De feiten die in het verweerschrift zijn genoemd, zijn geïnspireerd door eenzijdige visies van personen op de werkzaamheden van klager en op de activiteiten van Carosi. Klager noch een van zijn medewerkers is door betrokkene in de gelegenheid gesteld klachten of veronderstellingen te weerleggen. Slechts één kwestie in verband met de zender voor Afrika is klager voorgelegd. Daarvoor heeft hij verwezen naar een betere informant.
Over de in het verweerschrift genoemde feiten waardoor Carosi in opspraak zou zijn gebracht merkt klager puntsgewijs onder meer het volgende op.

De beschuldiging van 'medisch toerisme' in Medicus Tropicus is door een andere medicus in hetzelfde blad als beledigend gekwalificeerd.
Het plan voor een katholieke zender voor Afrika was op verlangen van de Afrikaanse bisschoppenconferentie gewijzigd.
Betrokkene is op onfatsoenlijke manier in gebreke gebleven in controverse met de Nederlandse Stichting voor Leprabestrijding ook het Nederlands Leprafonds te horen.
Elseviers Magazine is door de president van de Amsterdamse rechtbank tot een rechtzetting veroordeeld.
Wat de door betrokkene geconsulteerde bronnen betreft: grotendeels zijn slechts zegslieden genoemd die gaarne bereid waren kritiek te uiten op het werk van Carosi en van klager. Hier is sprake van een hetze van bepaalde groepen van personen.
Betrokkene beschikte niet over duidelijke aanwijzingen om de aantijging 'ondoorzichtige liefdadigheidskolos' aannemelijk te kunnen maken. 'Luguber netwerk van stichtingen' en 'achterhouden en verspillen van geld' zijn opzettelijk kwetsende uitlatingen. Voorwaarde voor straffeloosheid bij het uiten van kritiek door de pers is dat de publicatie niet krenkend is, waarbij het geen verschil maakt of het uitlatingen van de schrijver zelf of van derden betreft.

DE DUPLIEK

Het onderzoek van betrokkene is gedegen geweest en zo objectief mogelijk, aldus betrokkene in zijn dupliek. Reeds in het begin van zijn onderzoek heeft hij klager voor een gesprek benaderd, maar deze heeft dit verzoek van de hand gewezen. Betrokkene wilde toen de juistheid controleren van een beschuldiging van het Rotterdamse actiecomité dat zich had ingespannen voor een geldinzameling ten behoeve van de Afrikaanse zender. Als initiatiefnemer van het plan tot bouw van zo'n zender was klager immers de aangewezen man om inlichtingen te geven, niet de toenmalige voorzitter van de desbetreffende stichting, naar wie klager betrokkene verwees. Een verzoek van betrokkene om na een gesprek met de bedoelde stichtingsvoorzitter nog eens met klager te mogen bellen, heeft deze verontwaardigd van de hand gewezen.
Wat klagers opmerkingen naar aanleiding van de in het verweerschrift vermelde feiten betreft:

inzake de controverse tussen de Nederlandse Stichting voor Leprabestrijding en het Nederlands Leprafonds heeft betrokkene geen fatsoensnormen geschonden, want het ging hem in zijn publicatie niet om die controverse; het ging hem erom zich te verdiepen in werk en persoon van klager, mede naar aanleiding van een open brief van veertien artsen over een tv-uitzending over Agua de Dios
inderdaad heeft de Amsterdamse rechtbankpresident Elseviers Magazine tot een rectificatie op enkele punten veroordeeld, maar hij heeft de publicatie niet onrechtmatig geacht en de vordering van een uitvoerig weerwoord afgewezen.

Betrokkene heeft de naar klagers mening beledigende kwalificaties niet getracht te rechtvaardigen door feiten aan te voeren die geïnspireerd zijn door personen die het werk van Carosi alsmede werk en persoon van klager in een kwaad daglicht willen stellen. Betrokkene heeft het grootste deel van die feiten zelf verzameld.

Klagers raadsman stelt de verdiensten van de heer Zeegers in het licht en noemt hem een groot organisator en iemand met een strijdbaar karakter. De stichting Carosi is te vergelijken met een administratiekantoor. Zowel Carosi als de daarbij aangesloten stichtingen hebben een eigen gironummer en een eigen financieel beheer.

Doordat betrokkene in zijn artikel slechts tegenstanders van klager aan het woord heeft gelaten, wordt de suggestie gewekt, aldus klagers raadsman, dat er in Carosi iets verheimelijkt wordt en dat er sprake is van financieel wanbeleid. De teneur van het van sarcasme doordrenkte artikel is erop gericht de indruk te wekken dat klager de ontvangen gelden van het publiek misbruikt. Klager houdt zich echter op geen enkele wijze bezig met het financiële beleid van het ontwikkelingswerk. Dat doen de penningmeesters van de besturen van de respectieve stichtingen.
Klager ontkent dat betrokkene per telefoon heeft gezegd over de Carosistichting te willen spreken; betrokkene had het toen slechts over een aspect van de Stichting Stem van Afrika, waarvoor klager hem naar de voorzitter van deze stichting heeft verwezen. De kern van de zaak is volgens klagers raadsman, dat betrokkene in gebreke is gebleven een objectief onderzoek in te stellen en dat hier de persvrijheid misbruikt is om beledigingen te verspreiden. De raadsman citeert uit een arrest van het Hof Amsterdam: 'De pers behoort bij haar kritiek op - veronderstelde - misstanden een grote mate van vrijheid te hebben, maar voorwaarde voor straffeloosheid is toch wel dat de publicatie niet een krenkende vorm heeft.' De in de klacht geciteerde passages uit het artikel van betrokkene noemt de raadsman nodeloos krenkend en grievend.
De raadsman van betrokkene wijst erop, dat betrokkene te respecteren journalistieke redenen had om een eigen onderzoek in te stellen en dat hij dat ook heeft gedaan. Maar hij is daarbij als journalist te werk gegaan niet als rechercheur. Daarom lag het niet op zijn weg nog eens bij klager terug te komen, nadat deze hem voor inlichtingen over geldinzamelingen voor de Stem van Afrika naar iemand anders had verwezen. Het had eerder op de weg van klager gelegen op zeker ogenblik contact met betrokkene op te nemen. Wat de vermelding .van gironummers van de afzonderlijke stichtingen betreft: in het eigen orgaan van Carosi was aanbevolen het nummer van Carosi te gebruiken ook voor stortingen ten behoeve van het Leprafonds, welks eigen gironummer maar bij uitzondering werd vermeld.
De conclusie van de raadsman van betrokkene is, dat het waarheidsgehalte van het omstreden artikel voldoende is en dat er geen overigens op zichzelf niet duidelijke - journalistieke normen zijn geschonden. Het artikel bevat weliswaar pittige uitlatingen, maar in hun context beschouwd zijn ze aanvaardbaar en niet nodeloos kwetsend.
Op hem van de zijde van de Raad gestelde vragen antwoordt betrokkene, dat hij klager na diens verwijzing naar de voorzitter van de Stem van Afrika niet opnieuw gebeld heeft, omdat klager op voorhand geweigerd had hem te woord te zullen staan. Desgevraagd zegt hoofdredacteur Oyen zijnerzijds geen aanleiding te hebben gezien er bij zijn redacteur op aan te dringen opnieuw contact met betrokkene op te nemen voor nadere inlichtingen. Er was immers al genoeg globale informatie uit het verleden.

OVERWEGINGEN

Klacht en verweer hebben enerzijds betrekking op de juistheid van gereleveerde feiten, anderzijds op journalistieke gedragingen van betrokkene, in het bijzonder op vorm en strekking van diens publicatie. Deze zaken zijn niet te scheiden, wel te onderscheiden. Het accent moet hier liggen op de journalistieke aspecten.
Dat een journalist zich geroepen voelde naspeuringen te doen is alleszins begrijpelijk, mede gelet op de aard van de acties van Carosi en van de bij haar aangesloten stichtingen. De heer Zeegers en de zijnen stonden en staan uiteraard bloot aan kritiek. Weliswaar hebben stichtingen geen wettelijke verantwoordingsplicht, maar als er kritiek komt, is een weerwoord in het eigen orgaan van Carosi ('Telex' geheten), op welk verweer klager zich onder meer heeft beroepen, niet toereikend. Wat de handelwijze van betrokkene aangaat mag men zich echter afvragen of hij geen nadere en expliciete pogingen had moeten doen verdere inlichtingen bij klager in te winnen c.q. of hij hem niet nadrukkelijk de gelegenheid tot een weerwoord had moeten geven, toen eenmaal vast stond, dat de publicatie niet over een detail (kwesties rond de Stem van Afrika) zou gaan maar zich over diverse activiteiten van klager, van Carosi en van enige daarbij aangesloten stichtingen zou uitstrekken. De aanvankelijke weigerachtige reactie. van klager en diens houding jegens betrokkene, toen het nog over bedoeld detail ging, levert hier geen volkomen verontschuldiging. Zijnerzijds zou klager er goed aan hebben gedaan zich eigener beweging tot betrokkene te wenden, zodra hij kon vermoeden dat een meer omvattende publicatie op til was, maar strikt genomen kon dit niet van hem worden geëist.
Sommige misprijzende kwalificaties, al dan niet bij wijze van citaat van zegslieden weergegeven, moeten, voor zover niet door de context geneutraliseerd, als onnodig scherp worden aangemerkt en hadden beter achterwege kunnen blijven. Maar zij zijn niet van dien aard dat het artikel in zijn totaliteit daarmee veroordeling verdient.
Gezien uit een oogpunt van zorgvuldigheid kleven er dus wel enige feiten aan de journalistieke aanpak en aan de publicatie op zich, maar over het geheel genomen kan niet tot maatschappelijke onaanvaardbaarheid, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, worden geconcludeerd.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan De Journalist, orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 november 1977 door mr H. B. Vroom, voorzitter, en mr F. Kuitenbrouwer, O. Postma ing., drs H. W. M. van Run en drs A. A. V. Tummers, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 7.