1977/5 ongegrond

NVJ-bestuur contra De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de NVJ tegen De Telegraaf

Het Bestuur van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ) en zijn vice-voorzitter de heer W. G. Klinkenberg te Amsterdam (klagers) hebben zich bij een brief van 18 oktober 1976 tot de Raad gewend met een klacht tegen de hoofdredactie van De Telegraaf, eveneens te Amsterdam (betrokkene). Nadat betrokkene zijn standpunt schriftelijk aan de Raad had kenbaar gemaakt en klagers daarop hadden gerepliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 7 april 1977, waar zijn verschenen de heren P. J. W. Craghs en mr G. A. I. Schuijt, resp. voorzitter en secretaris van de NVJ, welke zitting werd voortgezet op 6 oktober 1977, waar verschenen zijn de heren W. G. Klinkenberg en mr G. A. I. Schuijt. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

Op grond van het door partijen aangevoerde en de door haar overgelegde stukken stelt de Raad het navolgende vast:

Op het 13e Wereldcongres van de Internationale Federatie.van Journalisten, dat van 10 tot 15 mei 1976 te Wenen is gehouden, besprak Commissie IV het onderwerp: 'De slotakte van Helsinki'. Aan de besprekingen van deze commissie heeft de heer Klinkenberg deelgenomen. Tijdens die besprekingen drong een aantal deelnemers er op aan om in een, aan de plenaire vergadering voor te leggen, ontwerpresolutie op te nemen een scherpe veroordeling van het feit, dat na Helsinki in de Oost-Europese landen nog geen veranderingen waren opgetreden die het invoeren van de West-Europa geldende regelen der persvrijheid inhouden. Andere deelnemers echter verzetten zich tegen een dergelijke veroordeling omdat zij meer resultaat verwachtten van een geduldige en open houding jegens de betrokken landen. Tot deze laatste groep behoorde de heer Klinkenberg. Deze groep behaalde de overhand, zodat in de ontwerp-resolutie geen veroordeling van de Oost-Europese landen met betrekking tot de persvrijheid werd opgenomen. Dit ontwerp is in de plenaire vergadering van het Congres ongewijzigd aanvaard.
Commissie V van het congres behandelde expliciet de persvrijheid. Aan de besprekingen van deze commissie heeft de heer Klinkenberg niet deelgenomen. In de door de plenaire vergadering aangenomen resolutie V worden de inbreuken op de persvrijheid in Chili in scherpe bewoordingen veroordeeld. Daarnaast worden de Oost-Europese landen niet, althans niet met name, genoemd. Bij de stemming over deze resolutie heeft de heer Klinkenberg zich vanwege een thans niet ter zake doend punt van stemming onthouden.
In De Telegraaf van 17 mei 1976 verscheen onder de titel 'Schaamteloos' het volgende hoofdartikel:

'Op een congres van de Wereldfederatie van Journalisten in Wenen is de persbreidel in Chili in een resolutie veroordeeld. Van een zelfde veroordeling van de personderdrukking in Oost-Europa werd echter uitdrukkelijk afgezien.
Dit mede door het optreden van de heer W. Klinkenberg, vicevoorzitter van de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), die zich fel verzette tegen een dergelijke uitspraak.
De heer Klinkenberg geniet als Nederlands journalist het recht op vrije meningsuiting en kan als vrije burger in het Westen gaan en staan waar hij wil. Deze twee fundamentele democratische vrijheden brachten hem in Wenen, waar hij vervolgens verhinderde, dat er druk zou worden uitgeoefend op de Sovjet-Unie om tot meer menselijke vrijheid in Oost-Europa te komen.
Daarmee misbruikte hij op schaamteloze wijze zijn vrijheid om de onvrijheid in de communistische landen te handhaven en wierp hij zich op als een regelrecht voorstander van de personderdrukking. Het is onvoorstelbaar dat de heer Klinkenberg op deze manier als representant van de georganiseerde journalisten in ons land kan optreden.
Het is even onvoorstelbaar, dat de NVJ de heer Klinkenberg, na dit optreden, nog als vice-voorzitter handhaaft. Gebeurt dit toch, dan weet Nederland hoe bij deze vereniging de vlag er voorstaat.'

DE KLACHT

In hun brief, waarbij zij hun klacht bij de Raad indienen, vervolgen klagers na de letterlijke weergave van voormeld hoofdartikel aldus:

'De heer Klinkenberg grondt zijn klacht op de volgende feiten. Het hoofdartikel in de Telegraaf vermeldt in strijd met de waarheid dat Klinkenberg zich op het 13e wereldcongres van de Internationale Federatie van Journalisten fel heeft verzet tegen een veroordeling van
de personderdrukking in Oost-Europa; dat van een dergelijke veroordeling zelfs niet uitdrukkelijk werd afgezien; dat Klinkenberg zich dus niet als een regelrecht voorstander van personderdrukking heeft opgeworpen.
De heer Klinkenberg acht zich door dit artikel in De Telegraaf ernstig in zijn eer en goede naam aangetast, zowel als freelancejournalist, als in zijn functie van vice-voorzitter van de NVJ. Het bestuur van de NVJ grondt zijn klacht op de omstandigheid dat door het artikel in De Telegraaf de heer Klinkenberg is aangevallen in zijn hoedanigheid van vice-voorzitter van de NVJ en daarmee ook de NVJ in een kwaad daglicht is gesteld. Na het verschijnen van het artikel in de Telegraaf heeft het bestuur van de NVJ zich terstond tot de hoofdredactie van De Telegraaf gewend met het verzoek de beschuldigingen terug te nemen. Daarop is een uitvoerige correspondentie gevolgd. Deze correspondentie, die aan de Raad wordt overgelegd, spreekt voor zichzelf. Het bestuur dient deze klacht bij de Raad voor de Journalistiek in omdat het De Telegraaf niet heeft kunnen bewegen tot het terugnemen van de beschuldiging.
Het bestuur van de NVJ en de heer Klinkenberg vragen aan de Raad voor de Journalistiek een oordeel uit te spreken of door het hoofdartikel in De Telegraaf van 17 mei 1976 en de daarop - ondanks herhaald verzoek - gevolgde weigering om de in het artikel geuite beschuldiging terug te nemen, de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.'

HET VERWEER

Bij brief van 18 november 1976 heeft De Telegraaf als volgt gereageerd:

'Geacht College,
Naar aanleiding van een bij u ingekomen klacht inzake ons hoofdartikel van 17 mei 1976 vestigen wij uw aandacht op het verslag over het IFJ-congres in De Journalist van I oktober j.l. In dit verslag schrijft de heer W. Klinkenberg, dat zich tijdens de congresdiscussie over de resolutie slotakte Helsinki een stroming aftekende, die tot een 'aanzienlijke verscherping van de tekst' wilde komen. Daarbij ging het, aldus dit verslag, om 'de zwaarst denkbare veroordeling van het feit, dat na Helsinki nog geen veranderingen in de Oosteuropese landen zijn opgetreden, die het invoeren van de in West-Europa geldende regelen der persvrijheid (hoe gevarieerd die overigens mogen zijn) inhouden'.
Tevens vestigen wij uw aandacht op de passage in de aan ons gerichte brief van het NVJ d.d. 4 oktober j.l., waarin wordt meegedeeld, dat de heer Klinkenberg aan de hierboven beschreven discussie heeft deelgenomen. De heer Klinkenberg heeft zich daarbij uitgesproken tegen het voorstel tot de bedoelde veroordeling van de Oosteuropese landen te komen. Een voorstel, dat tenslotte niet de meerderheid van het congres verkreeg.
Uit de hiervoor gereleveerde mededelingen van de twee bij uw college klagende partijen blijkt derhalve:
dat op het IFJ-congres werd afgezien van een veroordeling van personderdrukking in Oost-Europa
dat dit geschiedde, mede door het optreden van de heer Klinkenberg.
Dit is ook de conclusie, die in ons hoofdredactioneel commentaar van 17 mei van dit jaar werd getrokken. Met het voorgaande hebben wij aan het verzoek in uw brief van 25 oktober j.l. willen voldoen, waarbij wij overigens aantekenen, dat wij de Raad van de Journalistiek niet als zodanig erkennen.'

DE REPLIEK

Op het verweerschrift van betrokkene hebben klagers als volgt gerepliceerd:

'Geacht college,
Het bestuur van de NVJ en de heer Klinkenberg zeggen U dank voor de gelegenheid te reageren op de brief van de hoofdredactie van De Telegraaf aan U, naar aanleiding van de door eerstgenoemden ingediende klacht.
De indieners van de klacht willen het volgende onder Uw aandacht brengen. Het bestuur van de NVJ en de heer Klinkenberg hebben nimmer onder stoelen of banken gestoken dat er een andere benadering van de resoluties, die tijdens het 13e wereldcongres van de Internationale Federatie van Journalisten werden ingediend, mogelijk is dan die van de NVJ-delegatie en de grote congresmeerderheid. Aan de hoofdredactie van De Telegraaf wordt geenszins het recht ontzegd daarover haar eigen specifieke mening te hebben en die te hebben geuit.
De klacht tegen het hoofdartikel in De Telegraaf van 17 mei betreft dan ook niet de opinie van de hoofdredactie van De Telegraaf, maar de onjuiste weergave van wat zich op het 13e wereldcongres heeft afgespeeld met betrekking tot de resoluties waarin de persvrijheid in Oost-Europa ter sprake kwam.
Het is in strijd met de waarheid dat Klinkenberg zich fel heeft verzet tegen een (d.i. elke vorm van) veroordeling van de personderdrukking in Oost-Europa. Men leze de aan U overgelegde resoluties, die de NVJ-delegatie heeft ondersteund. Het is in strijd met de waarheid dat de heer Klinkenberg zich heeft opgeworpen als regelrecht voorstander van personderdrukking.
In de reeds aan U overgelegde brief van 4 oktober 1976 aan de hoofdredactie van De Telegraaf, alsmede in het gereleveerde artikel in De Journalist hebben het bestuur van de NVJ en de heer Klinkenberg nog eens uitvoerig de gang van zaken met betrekking tot de twee resoluties en de rol die Klinkenberg daarbij gespeeld heeft uiteengezet.
Wij mogen er tenslotte op wijzen dat de hoofdredactie van De Telegraaf de feitelijke weergave van de gang van zaken in genoemde brief en artikel niet betwist.
Het bestuur van de NVJ en de heer Klinkenberg laten het gaarne over aan het oordeel van Uw Raad of de gang van zaken in Wenen de aantijgingen in het hoofdartikel van De Telegraaf rechtvaardigde.`

DE ZITTINGEN

Klagers hebben bij hun klacht volhard en hebben documentatiemateriaal betreffende het congres overgelegd.

OVERWEGINGEN

Hoewel de repliek van klagers aanvankelijk doet veronderstellen dat hun klacht niet de opinie van de hoofdredactie van De Telegraaf betreft, maar de onjuiste weergave van wat zich op het 13e wereldcongres heeft afgespeeld met betrekking tot de resoluties waarin de persvrijheid in Oost-Europa ter sprake kwam, neemt de Raad, mede gelet op het slot van de repliek, aan dat de klacht tevens inhoudt dat De Telegraaf ongerechtvaardigde aantijgingen jegens klager heeft gedaan.
Het bestreden hoofdartikel vangt aan, in de eerste drie zinnen, met de opsomming van enkele feiten. Getoetst aan de hiervoor door de Raad vastgestelde feiten kan dit gedeelte van het hoofdartikel niet als 'in strijd met de waarheid' of als 'een onjuiste weergave' worden gekwalificeerd. Wanneer klagers in hun repliek suggereren dat De Telegraaf - in strijd met de waarheid - heeft beweerd 'dat Klinkenberg zich fel heeft verzet tegen een (d.i. elke vorm van) veroordeling van de personderdrukking in Oost-Europa', dan moet worden opgemerkt, dat De Telegraaf een dergelijke bewering in feite niet doet. Het hoofdartikel spreekt immers van 'een zelfde veroordeling' en 'een dergelijke uitspraak', daarmee duidelijk doelend op een veroordeling of een uitspraak zoals die ten aanzien van Chili was geschied. Hoewel het feitenmateriaal, waaraan De Telegraaf in het vervolg van het artikel een commentaar verbindt, zeer summier is, kan de klacht, voor zover daartegen gericht, onvoldoende doel treffen.
In het tweede gedeelte van het hoofdartikel geeft De Telegraaf zijn eigen commentaar op de in het eerste gedeelte weergegeven feiten. De Raad meent zich in zijn oordeelsvorming over commentaren terughoudend te moeten opstellen, zeker wanneer het een commentaar betreft dat met de daarin verwerkte conclusies en oordelen geheel controleerbaar is. De lezer kan het op zijn waarde schatten en daarnaast zijn eigen conclusies trekken uit de daaraan ten grondslag liggende feiten, inclusief de eventuele conclusie dat het kant noch wal raakt. Aldus kan ook wat dat deel van het hoofdartikel betreft niet worden gezegd dat hier sprake is van onbehoorlijk journalistiek gedrag.
De Raad komt derhalve niet tot het door klagers verzochte oordeel dat door het bestreden hoofdartikel de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten 'De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 oktober 1977 door mr H. Vroom, voorzitter, mw mr F. Klaver, mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 5.