1977/4 ongegrond

Mr J. G. Duchemin contra Het Vrije Volk

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Mr Duchemin tegen
Het Vrije Volk

Mr J. G. Duchemin te Rotterdam (klager) heeft zich bij een brief van 18 september 1976 tot de Raad gewend met een klacht tegen de hoofdredacteur van Het Vrije Volk te Rotterdam (betrokkene). Nadat betrokkene tijdens het naar deze klacht ingestelde voorlopig onderzoek een verweerschrift had ingediend, heeft klager hierop gerepliceerd en betrokkene gedupliceerd. Daarna heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 5 mei 1977, waar zijn verschenen klager en de heer A. C. van Cortenberghe als gemachtigde van betrokkene, vergezeld van de heer J. Booister, redacteur van Het Vrije Volk.

DE KLACHT

Het klaagschrift, dat vergezeld gaat van fotokopieën van een 28-tal publikaties van Het Vrije Volk laat zich als volgt samenvatten.

Sinds begin 1975 heeft Het Vrije Volk (HVV) met kortere en langere tussenpozen berichten en beschouwingen ten aanzien van klager gepubliceerd, welke zowel elk voor zich als in onderlinge samenhang als grievend en kwetsend voor klager moeten worden beschouwd, terwijl daartegenover geen sprake was of kon zijn van een algemeen belang, dat de publikaties en de daaruit voortvloeiende onaangenaamheid zou kunnen rechtvaardigen.
Klagers gegriefdheid spruit voort uit het feit dat de krant kennelijk de indruk wilde vestigen dat hij voor zijn werk niet deugde, terwijl dit geheel onwaar was. Hij voelt zich hierdoor in zijn eer en goede naam als ambtenaar aangetast. De aanvallen waren op hem gericht in zijn functie van hoofd van de afdeling Sport- en recreatiezaken der gemeentesecretarie van Rotterdam, welke functie hij van 1 juli 1968 tot 20 juli 1976 heeft bekleed. De campagne - als zodanig werd de reeks publikaties door hem gevoeld en zou zij, zo stelt klager, door iedereen in zijn positie zijn gevoeld - begon in het nummer van HVV van 25 februari 1975 en lijkt na het nummer van 27 augustus 1976 te zijn geluwd.
Vervolgens geeft klager een opsomming van alle publikaties die tot bovenstaande conclusie hebben geleid, vergezeld van zijn commentaar op elk ervan. Op een tweetal artikelen van begin 1975 over de reorganisatie van het beheer over het Ahoy'-complex, die volgens klager onjuistheden bevatten waarin hij naar zijn mening willens en wetens in een kwaad daglicht is gesteld, heeft hij gereageerd met een ingezonden stuk, op 8 maart 1975 gepubliceerd, waarin hij stelt dat HVV 'op de man' lijkt te spelen. In een onderschrift stelt de redactie van HVV dat de wethouder hier achter zit; 'Dat daarbij op de man wordt gespeeld is niet onze schuld'. Klager ziet hierin een beïnvloeding van de publieke opinie tegen hem in de nu openbaar geworden tegenstelling tussen hem en de wethouder.
De volgende artikelen betreffen het vertrek van de directeur van het Sportpaleis Ahoy', aan wie klager in een ingezonden stuk in HVV van 30 december 1975 dank bracht, hetgeen hem volgens een bericht in HVV van 7 januari 1976 kwam te staan op een 'officiële berisping van het college van B en W'. Deze aperte onjuistheid werd op 14 januari rechtgezet in HVV met een ingezonden stuk van de gemeentesecretaris: er was klager slechts schriftelijk meegedeeld dat het college het niet op de weg van klager achtte te liggen om ongevraagd namens de gemeente in het openbaar dank te brengen aan een van haar ambtenaren.
Van 15 en 16 januari dateren twee publikaties over de gang van zaken bij de aanleg van een tennispark in IJsselmonde, het ene met de kop 'Uitbrander van Duchemin', in het tweede de mededeling dat mr. Duchemin al fors op de vingers is getikt door de raadscommissie. Klager ziet ook hierin duidelijk de wens hem 'kapot te schrijven'.
Na enige maanden rust begint op 25 mei 1976 een serie artikelen die de hoofdmoot van de klacht uitmaken. Onder de kop 'Het 'rotzooitje' bij Sport en Recreatie' wordt door redacteur Booister o.m. geschreven: 'Verrassend snel kan je op het stadhuis horen dat het bij de afdeling Sport en Recreatie, die geleid wordt door mr J. G. Duchemin, een 'rotzooitje' is', hetgeen met een viertal voorbeelden wordt gestaafd. Klager beklaagt zich erover dat tevoren zijn reacties hierop niet zijn gevraagd. Verderop wordt gesteld: 'Dat de bezem door de secretarie-afdeling moet, daaraan twijfelt niemand meer'. Volgens klager komt deze bewering geheel voor rekening van HVV. Hij acht het een grievende persoonlijke aanval, gebaseerd op niets.
Dit stuk wordt op 11 juni gevolgd door een artikel, getiteld: 'Test voor omstreden ambtenaar', dat als volgt begint: 'Geest en lichaam van de omstreden topambtenaar Mr J. G. Duchemin (hoofd van de stadhuisafdeling sport en recreatie) zullen door de G.G. en G.D. medisch worden onderzocht. Dit, om na te gaan of hierin de oorzaak ligt van het niet behoorlijk vervullen van zijn functie'. Verderop: 'Het is een publiek geheim, dat het gemeentebestuur al enige tijd zint op een methode om Duchemin van zijn stoel te krijgen'. Over het rapport-Berenschot betreffende de afdeling: 'Uit dit rapport zou blijken dat er maar één grondige oplossing is: Duchemin moet weg. Mr Bannink bevestigde dit met de woorden: 'Die conclusie kan je er wel uit trekken, ja.' Aan het slot van dit artikel heeft de betrokken redacteur ook klager behoorlijk aan het woord laten komen. Dit neemt niet weg, dat 'het niet behoorlijk vervullen van zijn functie' als een vaststaand feit is aangenomen. Dit is volgens klager zonder meer een leugen. De wijze waarop HVV deze medische zaak in de publiciteit heeft gebracht, is voor hem uiterst kwetsend geweest. Klager vraagt zich af, welk algemeen belang HVV daarmee dacht te dienen.
Nadat HVV op 21 juli had gemeld dat klager vrijwillig ontslag had genomen, schreef Jan Booister op 22 juli o.a.: 'Officieel heeft Duchemin om zijn ontslag gevraagd. Bekend is dat het college (minus De Jong) zware druk op hem heeft uitgeoefend. Gisteren zou hij door de GG & GD 'naar lichaam en geest' worden onderzocht, hetgeen zoveel wil zeggen dat de procedure om hem te wippen was ingezet. Duchemin heeft, om alle narigheid te vermijden, eieren voor zijn geld gekozen'. Klager meent dat HVV hiermee suggereerde dat hij bang was voor de uitslag van het onderzoek, een valse suggestie. Kort nadat zijn ontslag er door was, kreeg klager van HVV het verzoek om een interview. Omdat hij dit verzoek min of meer beschouwde als een wens de pogingen tot kapotschrijverij te willen goedmaken, is hij erop ingegaan. Klager dacht dat met dit interview, gepubliceerd op 31 juli onder de kop 'Ik ontken dat ik niet goed heb gefunctioneerd', de affaire-Duchemin wat HVV betreft wel was afgesloten.
De zaak kreeg echter nog een vervolg. In de maand augustus publiceerde HVV een twaalftal artikelen, waarin onder koppen als 'Financiële chaos bij afdeling Sport en Recreatie, Miljoen besteed buiten Rotterdamse raad om', 'Waar bleef geld voor voetbalveld?', 'Buiten gemeenteraad om 9 miljoen uitgegeven', 'Aanleg tennisbanen twee ton te duur', sprake is van 'het financieel administratieve schandaal bij de stadhuis-afdeling Sport en Recreatie', 'financiële chaos', 'miljoenenschandaal', 'janboel', 'puinhoop', 'financieel wanbeheer'. Tal van malen wordt daarin 'de uitgerangeerde topambtenaar Duchemin' genoemd. Ofschoon er geen regelrechte beschuldiging aan zijn adres in staat, wordt wel duidelijk gemaakt dat er tussen die chaos en dat uitrangeren wel verband moet bestaan.
Klager betwist de juistheid van deze beweringen. In feite is er niets teveel uitgegeven; er was alleen een financieel-administratieve achterstand als gevolg van een tekort aan ambtenaren op deze stadhuis-afdeling, een onderbezetting waarop klager reeds lang geleden had gewezen in verzoeken om uitbreiding, die slechts met mondjesmaat werden ingewilligd. En hoewel HVV in later stukken terecht spreekt van een 'administratief financiële achterstand', wordt de suggestie van 'janboel' en 'wanbeheer' in stand gehouden.
Dit wordt niet anders als HVV op 20 augustus een stuk 'Tientallen miljoenen ongedekt uitgegeven' publiceert, waaruit blijkt dat ook bij andere gemeentelijke afdelingen en diensten kredietoverschrijdingen hebben plaatsgevonden; de topambtenaren van deze diensten blijven echter buiten schot en voor klager wordt geen eerherstel aangedragen. Klager stelt dat HVV tot eind augustus opzettelijk onwaarheden heeft verkondigd, waardoor hij zich gegriefd en gekwetst moest voelen.

HET VERWEER

Betrokkene vraagt zich allereerst af waarom klager pas op 18 september 1976 zijn klacht heeft ingediend, nu hij stelt dat de betwiste artikelen elk voor zich en in onderlinge samenhang voor hem grievend en kwetsend waren. Meerdere malen is aan klager om commentaar op beweringen en gebeurtenissen gevraagd, meerdere malen zijn door hem ingezonden brieven geplaatst, zonder dat hij daarin de thans geuite stelling poneerde. Nimmer heeft betrokkene van klager enig verzoek om rectificatie van beweringen of persoonlijke genoegdoening ontvangen. Betrokkene verzoekt dan ook, dat de Raad de artikelen geplaatst voor het interview met klager van eind juli, dat klager zelf als 'een afsluiting' beschouwd, buiten beschouwing zal laten.
Los van de vraag of de omstreden artikelen inderdaad onwaarheden bevatten toont klager in geen enkel opzicht aan dat deze artikelen opzettelijk geredigeerd zijn zoals is geschied, met het doel hem te grieven en te kwetsen. Betrokkene wil elke gedachte aan de beweerde opzet, als lichtelijk absurd, met de meeste kracht van de hand wijzen. De weergegeven feiten liggen vast in openbare stukken. Het is een algemeen belang, dat het publiek goed wordt voorgelicht over dergelijke, in een openbare gemeentedienst voorkomende gebeurtenissen. De vraag waar het vervolgens om gaat, is of de berichtgeving, beschouwing en becommentariëring van deze gebeurtenissen zodanig zorgvuldig is geschied, dat door deze publikaties niet aan enig individu onnodig leed wordt toegevoegd.
Het lijkt betrokkene aan weinig twijfel onderhevig, dat de feiten in zichzelf leed berokkend hebben aan een aantal personen; niet aan klager alleen. Dat de publikatie hiervan - gefundeerd op het algemene belang van een goede voorlichting - nieuw leed toegevoegd lijkt evenzeer onomstreden. Het algemene belang rechtvaardigt echter, dat dit onvermijdelijke leed aan individuen wordt toegebracht. Het gaat om de vraag, of inhoud en redactie zodanig waren, dat alleen al daardoor het additionele leed onnodig en vermijdbaar vergroot is. Dat laatste lijkt door klager geenszins aangetoond en het is ook nimmer de bedoeling van betrokkene geweest. Integendeel: hij meent journalistiek zorgvuldig gehandeld te hebben, met respect voor de feiten, met toepassing van hoor en wederhoor, met een ombelemmerde publikatie van alle door klager en anderen aangedragen gezichtspunten.

DE REPLIEK

Klager repliceert in hoofdlijnen als volgt.

In historisch verband bezien maken feiten een vaak heel andere indruk dan wanneer men er middenin zit. In het laatste geval kan er aanleiding zijn afzonderlijke hinderlijke feiten elk voor zich nog als dragelijk te beschouwen. Achteraf de hele reeks feiten inclusief ondergrond en doel beziende, reageert men vaak heel anders. Dan is op zeker moment 'de maat vol' en neemt men het niet meer. Dergelijke psychische reacties deden zich bij klager voor en zijn normaal te achten.
Overigens heeft klager reeds op de eerste stukken in 1975 telefonisch gereageerd. Na overleg met de plv. hoofdredacteur heeft hij een ingezonden stuk aangeboden. Dit werd letterlijk geplaatst, maar met een redactioneel onderschrift dat geen ruimte liet voor de hoop dat men klager vanwege HVV ooit genoegdoening zou geven. Latere stukken bevestigen dit. Hoe HVV dan op dit moment nog kan zeggen, dat rectificatie of genoegdoening mogelijk zou zijn geweest, is hem onbegrijpelijk.
Overigens heeft klager er geen bezwaar tegen, de stukken van februari en maart 1975 buiten beschouwing te laten; de klachten over de publikaties in 1976 handhaaft hij echter onverkort.
Natuurlijk is er bij het redigeren sprake geweest van opzet, d.w.z. willens en wetens handelen: artikel voor artikel hebben de redacteuren geweten en dus gewild, dat klager door een dergelijke campagne uitermate zou worden gekwetst. De stelling van HVV dat het een algemeen belang is dat het publiek over gebeurtenissen van publiek belang goed wordt voorgelicht, onderschrijft klager volledig. Maar HVV heeft dit niet goed gedaan.
Dat klager leed of zelfs nieuw leed is berokkend zou hij HVV niet kwalijk hebben genomen indien de publikaties objectief, niet tendentieus en geheel waar waren geweest. De aan de weergave van de feiten verbonden redactionele conclusies resp. suggesties waren in strijd met de waarheid of tendeerden in die richting, met als gevolg dat het niet-deskundige of niet-ingewijde publiek daardoor een vals beeld kreeg voorgeschoteld.
Toepassing van hoor en wederhoor is maar tweemaal geschied, maar in beide gevallen zowel redactioneel als in de kop op onvoldoende wijze of geheel niet tot uitdrukking gekomen.
Jammer genoeg heeft HVV het klager onmogelijk gemaakt, het interview van 31 juli 1976 als een soort afsluiting te beschouwen. Zijn toch al erg vergevingsgezinde houding heeft door de publikaties, die in augustus erop volgden, een onherstelbare deuk gekregen.

DE DUPLIEK

Betrokkene beperkt zich tot een tweetal opmerkingen. HVV heeft zich altijd ten volle opengesteld voor de commentaren van klager. Uiteraard heeft dit niet geleid tot het niet meer opnemen van uitingen, die tegengesteld zijn aan de opvattingen van klager over zijn functioneren.
Voorts blijft klager verzuimen de juistheid aan te tonen van zijn nogal kwetsende bewering dat de hele reeks publikaties er uitsluitend op gericht was om hem te kwetsen. Als er al gesproken zou kunnen worden van een 'perscampagne' - hetgeen betrokkene betwist - dan was die zeker niet gericht tegen een ambtenaar.

DE ZITTING

Klager blijft bij zijn standpunt dat men bij HVV opzettelijk hem persoonlijk heeft willen treffen. Hij acht het kwetsend en onfatsoenlijk om te schrijven (25 mei): 'Verrassend snel kan je op het stadhuis horen dat het bij de afdeling Sport en Recreatie, die geleid wordt door mr G. J. Duchemin,een 'rotzooitje' is', zonder enige zegsman te noemen. Er was binnen de gemeenteraad een controverse; hij heeft het sterke vermoeden dat HVV gebruikt is door een bepaalde groep van de PvdA-fractie om hem weg te krijgen, wellicht naar aanleiding van een aantal ingezonden stukken, die hij, als PvdA-lid, over de verhoudingen binnen die partij had laten publiceren in de voorafgaande jaren. De geruchtenstroom is waarschijnlijk door de toenmalige wethouder aan deze raadsleden doorgespeeld. Verder is nog nooit eerder over een ambtenaar geschreven dat hij 'een onderzoek naar geest en lichaam' moest ondergaan; ook dit heeft hem gekwetst.
In de reeks publikaties van HVV na zijn ontslag treft hem dat alleen hij als de 'uitgerangeerde topambtenaar' genoemd wordt en niet de hoofden van de andere diensten, die dan vervolgens de kritische aandacht van HVV trekken. In deze stukken staan veel onjuiste feiten en suggesties; de waarheid is dat zijn vroegere afdeling nooit een cent zonder goedkeuring van de gemeenteraad heeft uitgegeven, alleen Gemeentewerken deed dit wel. Mede om zijn vroegere ambtenaren te beschermen heeft hij zijn klacht ingediend.
De heren Van Cortenberghe en Booister blijven bij hun vragen waarom klager nooit rectificatie heeft gevraagd en waarom hij zijn klacht zo laat heeft ingediend. Eén telefoontje van klager zou voldoende zijn geweest om de term 'uitgerangeerde topambtenaar' achterwege te laten. De bewoordingen 'onderzoek naar geest en lichaam' zijn ontleend aan het ambtenarenreglement; de schrijvers hebben deze gekozen omdat zij in deze moeilijke zaak de uiterste zorgvuldigheid wilden betrachten. Naar hun mening heeft de openbaarheid hierover juist ter bescherming van klager gewerkt. Dat alleen klager is genoemd, ligt aan het ontstaan van deze zaak: via zijn afdeling zijn de verdere feiten aan het licht gekomen; aanvankelijk stond hij centraal, later stond het verschijnsel centraal. De artikelen waren niet tegen klager gericht, maar tegen bepaalde toestanden.
Het opzet om klager te kwetsen wordt ten stelligste ontkend; er waren vier redacteuren bij deze zaak betrokken, zij zouden dan alle vier dit opzet gehad moeten hebben. Ten stadhuize had men overal de mond vol over de financiële achterstand bij Sport en Recreatie. Via het nagaan van openbare stukken is men bij HVV op het spoor gekomen. Namens betrokkene wordt een aantal van deze stukken, betrekking hebbende op door klager betwiste uitlatingen in de publikaties, overgelegd, met een toelichting daarop, om de juistheid ervan aan te tonen.
De Raad heeft daarop aan klager de gelegenheid gegeven om de overgelegde stukken van schriftelijk commentaar te voorzien, terwijl de Raad voorts aan betrokkene de gelegenheid heeft gegeven daarna nog schriftelijk op dit commentaar te reageren. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

OVERWEGINGEN

De onderhavige klacht betreft een ongebruikelijk groot aantal publikaties, verschenen in HVV tussen februari 1975 en september 1976. Dit aantal wordt nauwelijks minder nu klager zich heeft beperkt tot de in 1976 gepubliceerde stukken. Op de achtergrond staat een, in de loop van de tijd gegroeide, tegenstelling tussen klager en zijn chef, de toenmalige wethouder. Deze tegenstelling kreeg zijn ontknoping in het aan klager op eigen verzoek verleende ontslag. De zaak leidde tot discussies in de gemeenteraad, waarbij aanvankelijk alleen het beleid van de destijds door klager geleide afdeling, maar later ook dat van andere stadhuis-afdelingen onder zware kritiek kwam te liggen, in het bijzonder wat betreft de financieel-administratieve kanten ervan.
Vast staat derhalve dat de publikaties een onderwerp van algemeen belang betroffen, waarover een openbare discussie - ook in de publiciteitsmedia - noodzakelijk was. Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat er voldoende feiten waren gevonden om nadere nieuwsgaring en becommentariëring te wettigen. Dat gold temeer voor HVV, ter plaatse beschikkend over één ruime lezerskring en in politieke opvattingen verwant aan het stadsbestuur. Het kan daarom niet verbazen dat dit blad gevoelig reageert op onderaards gerommel ten stadhuize. In dit licht dient de oorsprong van de, door klager als tegen hem persoonlijk gerichte campagne opgevatte, reeks publikaties te worden gezien.
Van belang voor de beoordeling is voorts, dat HVV zich met een eigen aanpak richt op een eigen lezerspubliek, dat deze aanpak kent en verwacht: een benadering waarbij openlijk over personen wordt geschreven. De reeds genoemde tegenstelling tussen klager en de wethouder bood hiertoe een gereed handvat. In dit geval was het persoonlijk aspect zelfs onontkoombaar en daarmee, zoals betrokkene terecht stelt, onvermijdbaar onaangenaam voor klager. Dit blijkt ook uit de door betrokkene overgelegde notulen van de gemeenteraadsvergadering van 3 februari 1977. Door de voorzitter van de Commissie van onderzoek naar de credietoverschrijdingen bij de afdeling Sport en Recreatie, de heer Van Dijk, is toen immers bevestigd, dat het hoofd van die afdeling 'natuurlijk in eerste instantie verantwoordelijk is' voor bedoelde credietoverschrijdingen, welke in het rapport van de Commissie van onderzoek zijn becijferd op f 13.578.215, 65.
Al deze factoren in aanmerking nemende en alle door klager aangevallen publikaties in hun onderling verband overziende is de Raad van oordeel, dat de in die publikaties vervatte kritiek, voor zover klager daarbij wordt genoemd, kennelijk niet is gericht tegen de persoon van klager doch tegen het beleid, hetwelk onder verantwoordelijkheid van klager door de gehele afdeling Sport en Recreatie werd gevoerd. In ieder geval kan niet gezegd worden dat betrokkene het opzet heeft gehad klager nodeloos te kwetsen, of de bedoeling heeft gehad, hem 'stuk te schrijven'.
Wel had een groter zorgvuldigheid in acht kunnen zijn genomen bij de keuze van termen en kwalificaties. Zo kan de terminologie 'onderzoek naar geest en lichaam ', of schoon in officiële stukken gebruikt in verband met een onderzoek naar de mogelijkheid van ziekteverlof, in een krantebericht verkeerde suggesties wekken, en zo kan de kwalificatie 'uitgerangeerde topambtenaar' bij herhaald gebruik onnodig denigrerend klinken. Maar de vraag of in de publikaties van 1976, zoals door klager aan de Raad voorgelegd, in hun geheel genomen de grens van de Journalistieke zorgvuldigheid is overschreden, d.w.z. of zij onnodig kwetsend waren, dient ontkennend te worden beantwoord.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 5 mei 1977 door Mr R. de Waard, plv. voorzitter, Mr P. J. Boukema, Mr F. Kuitenbrouwer, Ing. O. Postma en Drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van Mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 4.