1977/3 gegrond

Dr L. de Jong contra De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Oorlogsdocumentatie tegen De Telegraaf

Dr L. de Jong, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) te Amsterdam (klager), heeft zich bij een brief van 7 oktober 1976 tot de Raad gewend met een klacht tegen de hoofdredactie van De Telegraaf te Amsterdam (betrokkene). Nadat betrokkene daarop met een brief had gereageerd en klager hierop had gerepliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 3 maart 1977, waar alleen klager is verschenen.

DE KLACHT

Het klaagschrift kan als volgt worden samengevat.

Op 23 september 1976 verzond klager aan de daarvoor in aanmerking komende Nederlandse publiciteitsmedia (waaronder De Telegraaf) volledige exemplaren van het "Rapport door het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie uitgebracht aan de minister van justitie inzake de activiteiten van drs F. Weinreb gedurende de jaren 1940-1945, in het licht van nadere gegevens bezien," het z.g. Weinreb-rapport. Daarbij was gevoegd een brief van klager met o.m. de mededeling: 'Het rapport zal gepubliceerd worden op dinsdag S oktober a.s. Het ligt onder een embargo dat op 5 oktober om 18.00 uur afloopt'. Voorts deelde klager daarin mee: 'Het zal u bekend zijn dat het Haarlems Dagblad in juni 1973 en in augustus van dit jaar enkele stukken met betrekking tot het Weinreb-rapport c.q. gedeelten uit een aantal hoofdstukken gepubliceerd heeft. Wat die hoofdstukken betrof, heeft het Haarlems Dagblad slechts beschikt over concepten die uit 1974 dateerden; in deze concepten zijn sindsdien wijzigingen aangebracht. De betrokken hoofdstukken uit het rapport vallen vanzelfsprekend eveneens onder de boven aangegeven embargo-regeling.'
Op 4 oktober 1976 bij zijn thuiskomst om 18.00 uur werd klager door zijn echtgenote ingelicht over een eerder van De Telegraaf binnengekomen telefonische mededeling dat dit dagblad de volgende morgen de embargo-afspraken zou verbreken. Als motief diende dat men op de hoogte was gekomen van het plan van AVRO's Televizier om in de uitzending van dinsdagavond 5 oktober ruime aandacht aan het Weinreb-rapport te besteden.
Klager heeft op 5 oktober geconstateerd dat inderdaad in de Telegraaf-editie van die ochtend op de voorpagina en op pag. 6 stukken zijn opgenomen waarin gebruik is gemaakt van het onder embargo verstrekte materiaal.
Klager stelt dat de belangen van het RIOD in hoge mate gediend zijn bij het handhaven van de bestaande goede verhoudingen met de publiciteitsmedia. Deze verhoudingen worden door klager en zijn staf naar vermogen bevorderd o.m. door het verstrekken van voorlichtingen over te verschijnen publikaties van het Instituut en door het maken van duidelijke en deugdelijke afspraken omtrent de tijdstippen waarop over de betreffende publikaties kan worden gepubliceerd.
Door de verbreking van de gemaakte af spraken over het Weinreb-rapport worden de bovenaangeduide belangen in ernstige mate bedreigd.

HET ANTWOORD

Namens betrokkene zond de heer J. Fahrenfort, adjunct-hoofdredacteur van De Telegraaf, de volgende brief in:
'1. Reeds lang voor de officiële verschijningsdatum van het rapport-Weinreb zijn uitvoerige publikaties over de inhoud hiervan in een aantal bladen verschenen. Dit is o.a. gebeurd in het Haarlems Dagblad. Dat er wijzigingen zijn aangebracht in het concept waarover het Haarlems Dagblad beschikte doet o.i. weinig ter zake.
2. Wanneer er een embargo op de publikatie van een willekeurig stuk wordt geplaatst dient een dusdanig embargo zinvol te zijn en een doel te dienen. In het onderhavige geval was dat o.i. niet het geval, mede gezien het gestelde onder punt 1.
3. Wij zien niet in hoe het verbreken door ons van het embargo een negatieve invloed zou kunnen hebben op de bestaande goede verhouding tussen het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie en de Nederlandse media zoals door dr L. de Jong is gesteld in zijn klacht. Immers de bedoelde media konden op de hoogte zijn van het feit dat niet het instituut maar onze redactie het embargo had doorbroken.
4. Wij wijzen er voorts op dat wij ons wel aan de datum van het embargo hebben gehouden. Wij hebben de heer De Jong bovendien ruim van te voren op de hoogte gebracht van onze beslissing.
5. Met het voorgaande menen wij aan het verzoek, vervat in uw brief
van 11 oktober 1976, te hebben voldaan. Wij willen hierbij overigens aantekenen dat wij de Raad voor de Journalistiek niet als zodanig erkennen.

DE REPLIEK

Klagers reactie komt op het volgende neer.
1. De publikatie in het Haarlems Dagblad en enkele andere bladen waren gebaseerd op de voorlopige tekst van slechts de Inleiding en een drietal concept-hoofdstukken, terwijl het definitieve rapport, afgezien van Inleiding en Samenvatting, 80 hoofdstukken omvat. Klager kan niet inzien hoe die publikaties De Telegraaf het recht konden geven, het embargo voor het rapport te doorbreken.
2. Het embargo was bij uitstek zinvol. Was het rapport zonder embargo gepubliceerd, dan viel gezien zijn omvang en de belangstelling voor de inhoud niet te verwachten dat de publiciteitsmedia op een zo verantwoord mogelijke wijze hadden kunnen reageren.
3. De goede verhouding tussen het RIOD en de publiciteitsmedia wordt in hoge mate bevorderd door het treffen van duidelijke embargo-afspraken voor de verschijning van elke publikatie van het Rijksinstituut. Het is klager gedurende vele jaren gebleken door contacten met vertegenwoordigers van de pers dat deze aan die zijde op hoge prijs worden gesteld.
Door toezending enkele weken voor de verschijningsdatum van embargo-exemplaren worden de persorganen in staat gesteld in alle rust hun eigen reacties op de betreffende boeken voor te bereiden en weloverwogen hun artikelen te schrijven, zonder in de noodzaak te verkeren (te) snel tot publikatie te moeten overgaan teneinde 'de concurrentie voor te zijn'.
Het herhaaldelijk doorbreken van de embargo-regeling door een van de belangrijkste dagbladen (eerder gebeurde dit door De Telegraaf bij de verschijning van het boek van dr J. Presser "Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom" vormt vanzelfsprekend een bedreiging van volgende embargo-afspraken.
4. Een embargo-regeling als de onderhavige omvat altijd zowel een datum als een tijdstip. De mededeling van De Telegraaf dat men op de ochtend van 5 oktober zou gaan publiceren, bereikte klagers echtgenote op 4 oktober omstreeks 17.00 uur.

DE ZITTING

Klager geeft de volgende toelichtingen.

Van de aanvang af, sinds 1950, zijn alle publikaties van het RIOD onder embargo uitgegaan. In de loop der jaren is in overleg met de publiciteitsmedia een regeling ontwikkeld waarbij, in verband met de verschillende momenten van verschijning, getracht wordt zoveel mogelijk alle media beurtelings recht te doen. Daarom wordt het einde van een embargo in regelmatige afwisseling gesteld op 12.00 uur of 24.00 uur, zodat de ene maal de avondbladen, de volgende maal de ochtendbladen het eerst kunnen publiceren. De embargo-exemplaren worden in de regel twee weken tevoren verzonden. Met die regeling zijn alleen gunstige ervaringen opgedaan (met uitzondering van een verbreking door De Telegraaf van het embargo op Presser's Ondergang, verschenen in 1965); bij de media bestaat algemene instemming met de toepassing ervan.
In dit geval echter werden dag en uur bepaald door omstandigheden die het RIOD niet in de hand had. Het ging om een rapport, uitgebracht aan de minister van justitie in diens opdracht, hetwelk door hem zou worden aangeboden aan de Staten-Generaal. De minister had deze aanbieding vastgesteld op 5 oktober om 17.00 uur, waarna hij nog vóór publikatie een exemplaar wilde doen toekomen aan de raadsman van Weinreb . Zo kwam het ongebruikelijke tijdstip van 18.00 uur tot stand. Klager heeft dit punt niet toegelicht in zijn begeleidende brief bij het embargo-exemplaar van het rapport; achteraf gezien had hij dat beter wel kunnen doen.
Na de verbreking van dit embargo heeft hij opnieuw overleg gepleegd over de regeling met o.a. een aantal hoofdredacteuren. Ook ditmaal bleek hem dat over de wenselijkheid van een embargo geen enkel verschil van mening bestond; slechts werd geadviseerd om enkele verfijningen in de regeling aan te brengen.
Klager meent dat het belang van het onderhavige embargo voor de publiciteitsmedia en daarmee voor hun lezers, kijkers en luisteraars nauwelijks voor discussie vatbaar is: het komt de kwaliteit van de berichtgeving ten goede.
Maar ook het RIOD zelf heeft belang bij een zo goed mogelijke berichtgeving over zijn publikaties. Dit vloeit voort uit zijn doelstel-
ling, die niet alleen omvat het verrichten van historisch onderzoek,maar mede het openbaar maken van de resultaten van dit onderzoek. Nu komen de publikaties van het RIOD weliswaar via boekhandel en bibliotheken in de handen van velen, maar daarnaast zijn er zeer velen die alleen uit de publiciteitsmedia kennis nemen van de onderzoeksresultaten van het RIOD. Dit is het belang dat het instituut zelf heeft bij een zo goed mogelijke voorlichting door de pers: dat ook deze groepen bereikt worden.

OVERWEGINGEN

Klager stelt terecht dat het RIOD in verband met zijn taak een zelfstandig belang heeft bij het toepassen van een embargo-regeling voor zijn publikaties. Daarmee staat het belang dat hij zelf heeft bij zijn klacht over het verbreken van die regeling vast.
Het onderhavige embargo voldeed naar het oordeel van de Raad aan alle daaraan redelijkerwijs te stellen eisen. Die toetsing betrof de volgende aspecten.
De duur was niet onnodig lang. Men zou zelfs kunnen zeggen dat voor een boek van + 1800 pagina's over een zeer controversieel gebleken onderwerp een periode van twaalf dagen aan de krappe kant was.
De vaststelling van het tijdstip van afloop is, gezien de koppeling aan het ogenblik van aanbieden van het rapport - hoewel de begeleidende brief geen melding maakte van dit nieuwsfeit - alleszins redelijk te achten.
Anders dan betrokkene stelt betrof het rapport gegevens, die zich voor het grootste deel tot dusver aan kennisname door de media hadden onttrokken. Zijn eerste stelling treft dan ook geen doel: slechts enkele van de 80 hoofdstukken waren eerder in een voorlopige versie bekend geworden.
Ook het tweede punt van verweer treft geen doel. Het embargo diende in hoge mate de kwaliteit van de berichtgeving en daarmee het belang dat de lezer heeft bij juiste informatie. De Raad verenigt zich ten volle met hetgeen klager daarover in zijn repliek en ter zitting naar voren heeft gebracht.
Het vierde punt dat betrokkene aanvoert, behoeft amper overweging: het is gebruikelijk dat een embargo niet alleen een datum maar ook een uur van afloop bevat, zeker als het gekoppeld is aan een bepaalde handeling, zoals in casu de aanbieding van het rapport. Volstrekt onjuist is de stelling van betrokkene, dat klager ruim van tevoren op de hoogte was gebracht van de beslissing om het embargo te doorbreken. Immers het tijdstip waarop dit geschiedde (4 oktober omstreeks 17.00 uur) was zo laat, dat klager geen tijd meer had om nog iets te ondernemen (b.v. het aanspannen van een kort geding) om uitvoering van die beslissing te voorkomen.
Resteren nog het derde en het vijfde punt. Wat het derde betreft: klager heeft aannemelijk gemaakt dat het verbreken van een embargo-regeling - zeker als het op een dergelijk laat tijdstip wordt aangezegd, zonder enig overleg met klager - een bedreiging vormt voor de tussen klager en de publiciteitsmedia gegroeide vertrouwensrelatie, die zou kunnen uitwerken op in de toekomst te maken embargo-afspraken.
Tenslotte het vijfde punt: het kan betrokkene bekend zijn dat de Raad op grond van zijn reglement nog nimmer in het gemis van erkenning van de zijde van betrokkene reden heeft kunnen vinden een klacht tegen betrokkene buiten behandeling te laten.

BESLISSING

Door een ook door hem aanvaard embargo om ondeugdelijke redenen te verbreken en pas op een zeer laat tijdstip aan te kondigen dit te zullen doen, heeft betrokkene niet alleen maatschappelijk doch vooral ook journalistiek onaanvaardbaar gehandeld.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 maart 1977 door mr R. de Waard plv. voorzitter, mr P. J. Boukema, mr F. Kuitenbrouwer, ing O. Postma en H. A. Uilenbroek, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 3.