1977/2 ongegrond

St Antonius-Ziekenhuis contra hoofdredacteur Algemeen Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake St. Antonius-Ziekenhuis tegen het Algemeen Dagblad

Het Bestuur van de Stichting St. Antonius-Ziekenhuis te Horst (L.) (klager) heeft zich bij een brief van 25 juni 1976 tot de Raad gewend met een klacht tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad te Rotterdam (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarop klager heeft gerepliceerd. Daarna heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 3 februari 1977, waar verschenen zijn de heren J. T. M. Driessen en A. P. J. Hoonhout namens klager en mr G. Dullens, chef nieuwsdienst van het Algemeen Dagblad, namens betrokkene, vergezeld van de heer P. van de Meulenhof, free lance-fotograaf te Helmond.

DE KLACHT

Het klaagschrift laat zich als volgt samenvatten:

Een persfotograaf is op 15 juni 1976 voor het uitoefenen van zijn beroep op een patiëntenkamer van het St. Antonius-Ziekenhuis geweest zonder daarvoor toestemming te hebben gevraagd aan het dienstdoend personeel. Dit bleek klager uit het bericht in de editie van het Algemeen dagblad van 16 juni 1976 getiteld: 'Dronken man rijdt twee jongens dood', waarin in citaatvorm uitlatingen van een tweetal patiënten waren weergegeven omtrent het ongeval, waarbij zij gewond waren geraakt. Dit bericht ging vergezeld van een tweetal foto 's van deze patiënten met als onderschrift: 'Hans Kleven en Jos Cuppen luisterden gisteren in het ziekenhuis van Horst naar de regionale radio-uitzending waarin de aanrijding werd gemeld.' Niemand van het dienstdoende personeel was tevoren op de hoogte gesteld van de bedoelingen van de fotograaf.
Blijkens de hieronder vermelde verklaring van de bezochte patiënten is van een nadrukkelijke toestemming van hun kant geen sprake geweest. Klager stelt dat, in het belang van de privacy van het individu en in het bijzonder van patiënten, bovenomschreven handelwijze ontoelaatbaar is. Hij acht het gedrag van de voor het Algemeen Dagblad optredende fotograaf journalistiek onoorbaar.
Bij het klaagschrift is gevoegd onderstaande verklaring:

'Ondergetekenden verklaren hierbij dat zij op 15.06.76, daags na het ongeval, waarbij 2 van hun vrienden dodelijk zijn verongelukt, in een dusdanige geestelijke toestand zijn geweest, dat zij in het geheel niet een uitdrukkelijke toestemming hebben kunnen geven aan de persfotograaf van het Algemeen Dagblad tot het maken van de foto's en publikatie ervan. Dat de persfotograaf is geweest kunnen wij ons nauwelijks herinneren.
Horst, 25 juni 1976. (w.g.) H. Kleven, J. G. Cuppen'.

Voorts is nog de volgende verklaring toegevoegd:

'Ondergetekende verklaart hierbij op bezoek zijnde bij zijn broer J. G. Cuppen, d.d. 15.06.76, dat op een gegeven moment een fotograaf binnenkwam, die allerlei vragen stelde aan de patiënten J. Cuppen en H. Kleven. Zijn broer J. Cuppen heeft alleen maar geantwoord 'ik weet nergens iets van' terwijl dhr. H. Kleven helemaal geen antwoord heeft gegeven. Ondergetekende is niet door de fotograaf aangesproken.
Ondergetekende verklaart dat de fotograaf noch van de patiënten noch van de aanwezige familieleden uitdrukkelijk toestemming heeft gekregen tot het maken van foto's. De fotograaf heeft alleen gezegd 'zo en nu nog even een foto maken'. Dit werd gedaan en weg was hij.
Hij verklaart verder dat hijzelf de patiënten de radio-oorschelpen heeft gegeven, reeds voordat de fotograaf binnen was, omdat het nieuws over het ongeval via Radio-Zuid om 19.00 uur uitgezonden werd.
De gehele foto-operatie heeft, naar het hem voorkomt, slechts enkele minuten geduurd.
Horst, 25 juni 1976. (w.g.) H. P. J. Cuppen'

HET VERWEER

Betrokkene verweert zich, zakelijk samengevat, als volgt:

De fotograaf in kwestie, de heer P. M. van de Meulenhof, werkt free lance, maar voor de omstreden foto's werkte hij in opdracht van de redactie van het Algemeen Dagblad. De klacht bevat het verwijt aan de fotograaf dat hij zonder toestemming van het ziekenhuispersoneel de kamer van de bedoelde patiënten is binnengekomen om die opdracht te vervullen. Betrokkene brengt daar tegen in dat de fotograaf nimmer tegen het personeel heeft doen blijken dat hij andere bedoelingen had dan het nemen van foto's van patiënten, getuige het fototoestel met flitsapparaat dat hij open en bloot op zijn borst had hangen.
Indien de regel bestaat dat journalisten niet dan na toestemming foto's van patiënten mogen nemen, zou van een alert ziekenhuispersoneel op zijn minst verwacht kunnen worden de vraag of de fotograaf toestemming had tot het nemen van foto's. De heer Van de Meulenhof, die in de veronderstelling verkeerde dat men vrij is om foto's te nemen van patiënten, heeft dan ook niet kunnen vermoeden dat een dergelijke regel bestaat.
Daarenboven heeft hij tijdens het zeer plezierig verlopen bezoek met toestemming van patiënten, die naar zijn oordeel zeer wel in staat waren tot het bewust geven van toestemming, en de aanwezige familie, de foto's geschoten. Van de kant van de patiënten was van een bezwaar geen sprake.
Toegevoegd is een verklaring van de fotograaf Van de Meulenhof d.d. 6 augustus 1976, waarin deze o.m. het volgende meedeelt. Op 15 juni 1976 is hij om 18.45 uur in opdracht van de redactie van het Algemeen Dagblad naar het St. Antonius-Ziekenhuis in Horst gegaan. Hij was niet op de hoogte van de namen van de gewonden van het ongeval waarover hij moest berichten.
In de hal van het ziekenhuis ging hij naar de receptie, waar een man hem te woord stond. Hij informeerde naar de namen van de gewonden en de kamer waar zij lagen, met zijn fototoestel zonder tas voor de borst hangend en zijn flitser voor iedereen duidelijk zichtbaar meedragend. De man in de receptie zocht in een kaartenbak en deelde vervolgens de namen, leeftijden en adressen en het kamernummer van de gewonden mee; hij informeerde niet naar de bedoelingen van de fotograaf en maakte geen bezwaar.
Op de aangegeven kamer waren behalve de patiënten nog drie of vier familieleden, aan wie de heer Van de Meulenhof zich voorstelde als fotograaf van het Algemeen Dagblad. Hij noteerde in een blocnote de bereidwillig gegeven antwoorden op zijn vragen.
Na te hebben gezegd: 'Als het goed is, moet er bij dit verhaal nog een foto komen', waarop hij van elke patiënt drie opnamen maakte. De familieleden noch de patiënten maakten één woord van bezwaar. Hij kreeg de stellige indruk dat de patiënten niet zwaar gewond waren: Cuppen zei, de volgende dag het ziekenhuis te mogen verlaten. De ander zei, wegens een hersenschudding en verwondingen wel langer te zullen moeten blijven; hij maakte echter geen versufte of vreemde indruk.

DE ZITTING

Fotograaf Van de Meulenhof deelt mee, van betrokkene opdracht te hebben gekregen te berichten over een ongeval met dodelijke afloop, waarvan twee overlevende slachtoffers in het ziekenhuis te Horst waren opgenomen. Verdere gegevens waren niet bekend; hij diende zelf daarnaar te informeren. Toen hij met zijn apparatuur zichtbaar omgehangen in het ziekenhuis kwam, kreeg hij van de aan de receptie dienstdoende persoon zonder moeilijkheden alle gewenste gegevens omtrent de slachtoffers. Hij heeft geen toestemming gevraagd om te fotograferen; door niemand werd enige aanmerking gemaakt. In een ander ziekenhuis komt hij herhaaldelijk op dezelfde wijze binnen om foto's te maken van daar behandelde sportfiguren; hij heeft daar nooit moeilijkheden gehad. Hij verwachtte die hier ook niet.
In de kamer van de gezochte patiënten gekomen, heeft hij zich aan hen en hun bezoekers voorgesteld in zijn functie; niemand maakte aanmerking op zijn komst en het doel ervan. Uit de mond van de patiënten zelf die niet de indruk maakten niet bij hun positieven te zijn, heeft hij de gegevens voor zijn bericht genoteerd. Hij heeft hen daarna verzocht, de radio-oorschelpen aan te doen voor een foto die hij bij zijn bericht zou doorgeven; nadat zij dit hadden gedaan heeft hij van elk drie foto's gemaakt. Aan de foto's is te zien dat dit zonder tegenstreven is gebeurd. Een der bezoekers vroeg nog, waar het Algemeen Dagblad te koop is. Namens betrokkene voegt mr Dullens hieraan nog toe dat het algemene journalistieke praktijk is, met impliciete toestemming te werken, zodra men zich in zijn functie heeft voorgesteld en daartegen geen bezwaar wordt gemaakt.

De heer Driessen, hoofd verpleegdienst in het St. Antonius-ziekenhuis deelt mee een dag na het gebeurde te zijn benaderd door een van de ouders van een bij het ongeval omgekomen jongeman over de publikatie. Het personeel op de afdeling wist van niets, aan niemand was toestemming gevraagd. Beide patiënten waren aangeslagen: de een was geschokt door het verlies van zijn vriend, de ander had een zware hersenschudding opgelopen. Alleen een deskundige kan beoordelen of de toestand van een patiënt een benadering door de pers toelaat. Daarom moet altijd toestemming daarvoor worden gevraagd.

De heer Hoonhout voegt daaraan namens klager toe, dat hij geen reden heeft om te twijfelen aan hetgeen de fotograaf heeft meegedeeld over de wijze waarop hij aan de receptie van het ziekenhuis aan zijn gegevens is gekomen en verder heeft kunnen doorlopen. Het was juist bezoekuur. Buiten het bezoekuur zou hij in elk geval toestemming moeten vragen voor een bezoek en de reden van zijn komst hebben moeten meedelen. Dan wordt contact opgenomen met het hoofd van dienst op de afdeling of het gelegen komt.
In het ziekenhuis van klager geldt ter bescherming van de medische en persoonlijke belangen van de patiënt de regel, dat het zonder toestemming van het afdelingshoofd ongeoorloofd is, een patiënt in het kader van een beroepsuitoefening te benaderen. Die regel geldt zowel tijdens als buiten het bezoekuur, en de fotograaf had - toen hij tijdens het bezoekuur kwam--rekening moeten houden met deze belangen van de patiënten die hij beroepshalve bezocht.

OVERWEGINGEN

Nu klager geen bezwaar heeft gemaakt tegen het relaas van de fotograaf omtrent diens binnenkomst, beschouwt de Raad dit als vaststaand tussen partijen.
Verschil is er echter over hetgeen zich in de ziekenkamer heeft afgespeeld. Klager spreekt van het ontbreken van uitdrukkelijke toestemming voor fotograferen en publiceren van de zijde der patiënten, die tot het nemen van een overwogen beslissing amper in staat konden worden geacht. Betrokkene stelt dat de fotograaf van niemand bezwaar of verzet heeft ondervonden; integendeel: zowel de patiënten als hun bezoekers zouden hem volop medewerking hebben verleend bij de taak die hij in de ziekenkamer zei te komen verrichten. De twee lezingen zijn niet noodzakelijk met elkaar in tegenspraak en voor de beoordeling van de klacht ook niet beslissend.
Een ziekenhuis is een instelling, waarin een patiënt noodgedwongen zich moet onderwerpen aan een behandeling en leefwijze, die hem, vaak mede door de kwaal waarvoor hij genezing zoekt, als persoon uiterst kwetsbaar maakt. Naar de kant van het ziekenhuis bekent dit, dat het heeft te waken voor de handhaving van de orde en de sfeer binnen de muren en dat daarvoor regels kunnen worden gesteld aan wie van buiten komt, zoals het verbieden van beroepsuitoefening aan het bed van de patiënt zonder toestemming van hemzelf én - gezien zijn kwetsbaarheid - van het voor de verpleging verantwoordelijke personeel.
Naar de kant van de fotograaf houdt dit in, dat hij zich bij het ziekenhuispersoneel ervan behoort te vergewissen of de toestand van de patiënt toelaat dat de fotograaf zijn werk doet en of de patiënt kan laten blijken daartegen wel of geen bezwaar te hebben.
Bij de beoordeling van hetgeen de fotograaf in casu deed, speelt een rol dat hij in een ander ziekenhuis vrijelijk kon binnenlopen en ongehinderd werken, en dat hij in het onderhavige geval niet alleen geen bezwaren maar volle medewerking ontmoette van het ziekenhuispersoneel, of schoon duidelijk kon zijn dat hij een journalistieke opdracht kwam vervullen. Hem werd niet naar het doel van zijn komst gevraagd, hij maakte er ook geen geheim van. Naar het oordeel van de Raad kon hij menen dat er geen bezwaar bestond, niet van de zijde van het ziekenhuis en later evenmin van de zijde van de twee patiënten. Nu er amper sprake is van laakbaar handelen door de fotograaf treft uiteraard de hoofdredacteur geen verwijt. Onbesproken blijft dus de vraag in hoeverre een hoofdredacteur, die een opdracht geeft aan een freelancejournalist verantwoordelijk is voor diens gedrag daarbij.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 3 februari 1977 door mr H. B. Vroom voorzitter, mw mr T. Faber-de Heer, drs J. M. M. van der Pluijm, ing. O. Postma en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 2.