1977/1 ongegrond

Willem Oltmans contra L. van Vlijmen cs

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Oltmans tegen Van Vlijmen c.s. (Brabant Pers)

De heer Willem L. Oltmans te Amsterdam (klager) heeft zich bij eer brief van 10 juni 1976 tot de Raad gewend met een klacht tegen drs L. van Vlijmen, T. Brouwers, A. J. M. H. de Mug en drs J. Naninck, allen te Best, hoofdredacteur van resp. de Brabant Pers, het Eindhovens/Hel- monds Dagblad, Het Nieuwsblad van het Zuiden en het Brabants Dagblad (betrokkenen). Betrokkenen hebben een gezamenlijk verweer schrift ingediend, waarop klager heeft gerepliceerd. Nadat betrokkenen nog hadden gedupliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld in zijn zitting van 6 januari 1977, waar verschenen zijn klager en drs Van Vlijmen, mede als gemachtigde van de andere betrokkenen.

DE KLACHT

Op verschillende data in mei 1976 is in de bladen van de Brabant Pers, en wel op 7 mei in het Brabants Dagblad en Het Nieuwsblad van het Zuiden, en op 18 mei in het Eindhovens en het Helmonds Dagblad, een bespreking van de hand van Leo van Vlijmen gepubliceerd over klagers boek USSR 1976-1990.
De klacht betreft de volgende zinsneden daaruit:
'... zich journalist noemende, Willem Oltmans.'
'... het Sovjet-systeem dat door Oltmans zo wordt verheerlijkt.' 'Men krijgt bijna de indruk dat Oltmans bewust liegt.'
'Het lijkt er op dat hij ook niet over het begin van enige algemene ontwikkeling beschikt.'
'Soms begint men zelfs aan kwade trouw te geloven.'
'Willem Oltmans behoort niet tot de door Elseviers Magazine niet met name genoemde KGB-agenten in Nederland. Daarvoor is hij te dom.'
'Het is jammer dat journalistiek geen beschermd beroep is. Oltmans maakt daar misbruik van. In zijn laatste boek ontpopt hij zich als een charlatan.'
Klager acht deze mededelingen grievend, beledigend, in strijd met zijn lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, en zijn goede eer en naam van journalist.
Klager begrijpt niet dat het Van Vlijmen niet lukte, zijn boek te bekritiseren zonder beledigend en lasterlijk te worden. Hij neemt het betrokkenen niet kwalijk dat ze schreven dat zijn boek veel onzin bevatte. Maar deze zinsneden hebben niets meer met kritiek te maken.
Klager stelt o.m.: 'Ik noem mij niet journalist. Ik ben journalist. Ik geef mijn mening en lieg niet. Ik verheerlijk het Sovjet systeem absoluut niet. Andere critici als Constandse (Nieuw Linie) en Michielsen (Het Parool) hebben juist de eerlijkheid van mijn boek onderstreept in hun kritieken.'

HET VERWEER

Betrokkenen verweren zich, zakelijk samengevat, als volgt. In zijn recensie van klagers boek wijst betrokkene Van Vlijmen er aan de hand van een serie voorbeelden, die nog met bijna twintig andere uit te breiden zou zijn, op dat klager veel onjuistheden en onzin heeft verteld in zijn boek. Betrokkene doet dit in nogal krachtige taal, maar daarom is ook de vorm van een recensie gekozen: een persoonlijke beschouwing. Daar komt nog iets bij: het is van groot belang dat er in ons land voorlichting gegeven wordt over een grote mogendheid als de Sovjet-Unie. De minste eis die men aan die voorlichting mag stellen is dat de feitelijkheden juist zijn. Klagers boek voldoet niet aan die elementaire eis. En omdat klager een zekere naam heeft in ons land en door sommigen als deskundige wordt beschouwd, is het noodzakelijk dat de kritiek in een stijl gebeurt die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Klager onderbouwt zijn klacht met een aantal uit hun verband gerukte zinsneden, en aldus gehanteerd zouden zij wellicht een grievende indruk kunnen wekken. Leest men ze echter in de context van een recensie waarin zakelijke kritiek wordt geleverd, dan onderstrepen die zinsneden slechts de ernst van die kritiek en kunnen zij niet als grievend of beledigend worden opgevat. Zij zijn ook niet als zodanig bedoeld.
Van een journalist mag men verwachten dat hij juiste informatie geeft en dat de feiten die hij noemt, kloppen. Blijkens de in de recensie aangehaalde voorbeelden zit klager er opvallend vaak naast. Het woord 'charlatan' is bedoeld in de betekenis die Van Dale daaraan geeft: iemand die bluft. Klager bluft in zijn boek met feiten die niet kloppen.
Betrokkene Van Vlijmen vindt dat het publiek nadrukkelijk gewezen moet worden op de in het oog springende hoeveelheid foute informatie. Hoe klager een dergelijke opvatting beledigend kan noemen, ontgaat betrokkenen volkomen.

DE ZITTING

Ter toelichting zegt klager dat hij in de inleiding tot zijn boek heel duidelijk stelt, geen specialist te zijn in Oosteuropese zaken, maar de lezer een aantal reisimpressies aan te bieden zonder een oordeel te beogen. Het spreekt voor hem vanzelf dat iedereen daarop zakelijke kritiek mag geven; maar de veronderstelling van kwade trouw is voor hem onaanvaardbaar. Hij betreurt iedere onjuistheid, hij heeft de tekst van zijn boek voorgelegd aan allerlei deskundigen, die er een aantal fouten hebben uitgehaald. Hij staat op het standpunt dat het natrekken en controleren van gegevens en cijfers geen enkele zin heeft: overal zijn naast officiële cijfers ook onofficiële te krijgen. Geen van beide hebben ze waarde en dat heeft hij de lezer ook voorgehouden.
Door een artikel als betrokkenen gepubliceerd hebben, krijgt de dagbladlezer een verkeerde indruk van hem. Maar kernpunt voor hem in deze zaak is het verkeer tussen journalisten onderling. Hij acht zich door betrokkenen in zijn beroep aangetast.
Betrokkene Van Vlijmen heeft er begrip voor dat klager door zijn recensie uitermate pijnlijk getroffen is. Maar hij meent dat de lezer er niet duidelijk genoeg op gewezen kan worden dat klagers boek ondeugdelijke voorlichting geeft. Van wezenlijk belang bij voorlichting is dat men, in een land waar de voorlichting waarschijnlijk nogal eenzijdig is, de verkregen informatie nacheckt en controleert, zo veel als maar mogelijk is. Wie zoals klager stelt dat dit geen zin heeft, mist het voornaamste journalistieke punt.
Daarbij komt dat klager zo bekend is bij het lezerspubliek als deskundige, dat lezers mogelijk dit boek ook zouden zien als deskundige informatie. Daartegen diende in voor de lezers van de Brabant Pers niet mis te verstane bewoordingen gewaarschuwd te worden.

OVERWEGINGEN

Klagers boek is door geen van beide partijen aan de Raad overgelegd. Dit was ook niet noodzakelijk. Immers niet de kwaliteit van de recensie van betrokkene Van Vlijmen staat ter beoordeling van de Raad, doch slechts de vraag of diens wijze van bespreken, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van betrokkenen tegenover hun lezers en tegenover klager als auteur, de grenzen heeft overschreden van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
In beginsel staat het een recensent vrij om - zoals Van Vlijmen heeft gedaan - in samenhang met zakelijke kritiek op de inhoud van een boek in de recensie ook vragen, gedachten en indrukken omtrent het betrokken oeuvre en de auteur daarvan tot uitdrukking te brengen welke bij de lezing van het boek bij de recensent opkomen en welke kunnen dienen ter beklemtoning van de ernst en het belang van de feitelijke kritiek. Allicht nu zullen dergelijke persoonlijke uitlatingen van de recensent pijnlijker uitvallen naar gelang hij eerder en met temeer overtuiging tot het oordeel komt dat het oeuvre niet voldoet aan daaraan te stellen elementaire eisen.
Op grond hiervan en van hetgeen Van Vlijmen naar aanleiding van zijn recensie ter zitting heeft aangevoerd, meent de Raad dat de door klager aangevochten zinsneden, welke moeten worden beoordeeld binnen het kader van de als één geheel in beschouwing te nemen recensie, geen overschrijding opleveren van de grenzen van maatschappelijke aanvaardbaarheid.
Met dit oordeel is uiteraard geen uitspraak gedaan over de juistheid van Van Vlijmens punten van kritiek, laat staan over die van de daarop gegronde kwalificaties en veronderstellingen ten aanzien van klager. De Raad blijft daar buiten.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 januari 1977 door mr R. de Waard plv. voorzitter, ing. O. Postma, drs H. W. M. van Run, mr B. A. Schmitz en H. A. Uilenbroek, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1977, 1.