1976/4 ongegrond

A. P. J. van Buul contra Stadskrant Eindhoven

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Van Buul tegen de Stadskrant Eindhoven

De heer A . P. J. van Buul te Eindhoven (klager) heeft zich bij een brief van 11 december 1975 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer P. H. L. van der Voort, hoofdredacteur van de Stadskrant Eindhoven, eveneens te Eindhoven (betrokkene). Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en partijen daarop hadden gere- en gedupliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld ter zitting van 25 november 1976, waar alleen klager is verschenen. Betrokkene heeft bericht van verhindering wegens ziekte gezonden.

DE KLACHT

In de Stadskrant Eindhoven verscheen op 27 november 1975 een artikel, getiteld 'Ergernis over stilleggen van werkzaamheden in Vonderkwartier neemt toe'. Klager stelt dat betrokkene als hoofdredacteur van dit huis-aan-huisblad verantwoordelijk is voor dit ongesigneerde artikel.
Het stuk begint met de volgende alinea:

'Amper was een zekere meneer Van Buul een aantal maanden medebewoner van de aloude Eindhovense wijk die naar de al vele vele jaren geleden verdwenen vonder bij de Willemstraat 'Vonderkwartier' wordt geheten, of het leek erop dat hij meende met één slag de hele wijk naar zijn hand te kunnen zetten. Dat is de indruk die vele mensen in het huidige Vonderkwartier nabij de Lodewijk Napoleonlaan hebben. De heer Van Buul en misschien nog een paar mensen, nieuwelingen in de buurt - en sommigen, misschien, zo suggereert men, niet eens buurtbewoners - hadden het middel daartoe ontdekt. Er werd een verkeersplan uitgevoerd en dat verkeersplan was de grote bron van inspiratie. Want dat week in onderdelen af van het vigerende bestemmingsplan. Daarmee was, zo bleek, een stok gevonden om 'de hond' te slaan. Die 'hond' is in dit geval de gemeente Eindhoven en bovendien ontelbare burgers die nu al maandenlang de overlast op meer grievende wijze ondervinden van de actie van de heer Van Buul en consorten.'

Klager stelt dat het artikel op tal van punten (hij geeft er dertien aan) in strijd is met de feiten en dus in strijd met de waarheid. Daardoor wordt aan zijn hele optreden een bepaalde interpretatie gegeven, die niet alleen feitelijk onjuist is, maar die tevens voor hem erg krenkend is en zijn integriteit op zijn minst in twijfel trekt.
Voorts stelt hij dat het artikel een aantal elementen bevat, die dermate suggestief en tendentieus zijn (hij noemt er acht), dat hij zich er ten zeerste door gegriefd en beledigd voelt.
Verder bevat het stuk een aantal beweringen waarvan ten zeerste betwijfeld moet worden of zij enige grond van waarheid hebben (hij vermeldt er acht). Hij vraagt zich af of het juist is, hem de schuld te geven van eventuele overlast. Die overlast is veroorzaakt doordat de rechter zowel in kort geding als in hoger beroep en tenslotte ook in cassatie de gemeente heeft gedwongen werkzaamheden te stoppen die de gemeente onrechtmatig is begonnen. Bij het artikel is een foto geplaatst van een gedeeltelijk opgebroken kruispunt; dit kruispunt ligt echter buiten het plangebied van het wijkcomité, het heeft niets te maken met de door het comité ondernomen stappen. De afgebeelde werkzaamheden dienden ter vervanging van buizen en waren reeds voltooid toen het artikel met de foto werd gepubliceerd.
Waar de schrijver aan voorbij gaat, is dat ontwikkelingen van de laatste jaren (isolement van de Julianastraat en omgeving door de aanleg van de z.g. Westtangent; verjonging van het desbetreffende wijkgedeelte) samenvallen met de behoefte van velen een hechtere wijk te creëren en het woonklimaat te verbeteren. Aanleg van de weg, waartegen het wijkcomité heeft geageerd, zou deze ontwikkeling blokkeren.
Klager acht het artikel ongenuanceerd en 'hetzerig'; het bevat een ten onrechte persoonlijk gerichte aanval. Zijn ergernis wordt nog vermeerderd door het feit dat betrokkene tevens gemeenteraadslid is in Eindhoven, in wel£e functie deze, meer dan de gemiddelde burger, kennis heeft kunnen nemen van het verzoekschrift, het bezwaarschrift en verscheidene brieven van het wijkcomité aan de gemeenteraad.
Nadat klager op 28 november 1975 kennis had genomen van het gewraakte artikel, heeft hij overlegd met de leden van het wijkcomité, met raadsleden en met enkele andere mensen. Hij kent betrokkene niet persoonlijk, maar mensen die betrokkene wel kennen, verzekerden hem dat hij van een weerwoord in de Stadskrant niets te verwachten had. Hij heeft toen besloten zich rechtstreeks tot de Raad te wenden.

HET VERWEER

Betrokkene verweert zich, samengevat, aldus.

Namens de Stadskrant - waarmee hij overigens geen dienstverband heeft - deelt hij mee dat de gehele staf van de Stadskrant collectief de verantwoordelijkheid voor het artikel neemt. Wat daarin staat is inderdaad de mening van tallozen die de staf op allerlei manieren hebben benaderd om ook eens 'de andere mening' naar voren te brengen. Daaronder waren mensen die zelfs hun hele bestaan in gevaar gebracht zagen door de geschapen chaos, waaraan maar geen einde leek te komen. Men was van mening dat elke actiegroep mag ondernemen om het enige eigen, soms egoïstische doel verwezenlijkt te zien krijgen. Maar als men als minderheid 'opstaat' dan heeft men zelfs al heeft men wettelijk alle recht van spreken, zelfs al heeft men de mogelijkheid iets via de rechter af te dwingen - toch nog altijd de morele plicht ervoor te zorgen dat anderen geen schade lijden van zulk een actie. Men zal geen nieuwe minderheden in de verdrukking mogen brengen. Laat staan een overgrote meerderheid der bevolking. Het artikel is niet in strijd met de feiten. De beschreven klachten hebben de Stadskrant inderdaad bereikt. Het artikel is duidelijk bedoeld geweest om ook de andere groep, waaronder ook een groep in die zich met een handtekeningenactie tot het gemeentebestuur heeft gewend, op een zij het mogelijk wat harde maar in ieder geval duidelijke wijze aan het woord te laten komen. Zo nodig zijn alle beweringen vlot te bewijzen.
Op de avond dat de Stadskrant het gewraakte artikel publiceerde is betrokkene door vier personen opgebeld die hun bezwaren tegen het stuk uitten, hij heeft hun aangeboden een weerwoord van hen te plaatsen doch daarop niets meer gehoord. Hij heeft toen zelf een samenvatting van hun opmerkingen gepubliceerd. Ook heeft hij een ingezonden brief - de enige die hierover was binnengekomen onbekort en zonder enig commentaar doen opnemen. Klager heeft hem toen niet opgebeld of op andere wijze benaderd, dit deed hij eerst nadat hij een klacht bij de Raad voor de Journalistiek had ingediend en dit in het Eindhovens Dagblad was gepubliceerd, n.l. op 17 december. Betrokkene heeft hem toen alsnog voorgesteld, een weerwoord in de Stadskrant te doen plaatsen, waarop klager niet is ingegaan.
Betrokkene meent dat klager onder geen beding van de gelegenheid, die vanzelfsprekend door de Stadskrant geboden zou zijn tot wederwoord, gebruik heeft willen maken; hij had blijkbaar geen enkele behoefte daaraan. Betrokkene heeft de stellige zekerheid dat klager - zo hij dat gewenst zou hebben - een volkomen eerlijk weerwoord zou hebben gekregen in de Stadskrant. Hij heeft hem daarbij willen helpen - evenals de 'zijnen' - maar men heeft het niet gewild. Dat spijt betrokkene.

DE ZITTING

Klager geeft de volgende toelichting. Het gewraakte stuk is het eerste dat in de Stadskrant over deze zaak is gepubliceerd. Betrokkene was als raadslid op de hoogte van het bezwaarschrift van het wijkcomité, waarvan klager voorzitter was; hij heeft noch hierover nog over het kort geding tegen de gemeente, door het comité zowel in eerste instantie als in hoger beroep gewonnen - het gerechtshof deed uitspraak op 4 november 1975, dus ruim drie weken voor publicatie van het stuk - geschreven betrokkene heeft klager nooit daarover benaderd; het artikel kwam als een volslagen verrassing.
In een vergadering van het wijkcomité is gesproken over het in te nemen standpunt; besloten werd geen ingezonden stuk aan te bieden, maar iedereen werd de vrijheid gelaten, al of niet te reageren. Het is klager bekend dat vier van zijn medestanders betrokkene hebben opgebeld over het stuk; zelf heeft hij dat niet gedaan omdat hij van mening was dat hij niet kon reageren op een stuk dat zo grievend geschreven was voor hem en voor zijn medewerkers; ook een ingezonden brief vond hij in deze omstandigheden nutteloos.

OVERWEGINGEN

Klager stelt dat betrokkene hoofdredacteur is van de Stadskrant Eindhoven. Welke positie hij ook heeft bij dit blad, hij heeft de (mede)verantwoordelijkheid voor het betwiste stuk niet afgewezen, de Raad gaat daarvan uit.
Het artikel bestaat, na de hierboven in de klacht weergegeven inleiding, verder grotendeels uit enige tussen aanhalingstekens geplaatste, nogal emotionele uitlatingen over klager, het wijkcomité en hun actie tegen het gemeentebestuur, telkens voorafgegaan door aanduidingen als: 'Het verhaal dat ingewijden uit de wijk... vertellen ... ', 'En bewoners van het Vonderkwartier voegen hieraan toe...', 'Aldus verontwaardigde arbeiders, weggebruikers en wijkbewoners ...'. De verbindende zinnen zijn geschreven in dezelfde stijl als de inleiding. Betrokkene heeft zich blijkbaar zo vereenzelvigd met diegenen, als wier spreekbuis hij optreedt, dat het gehele stuk een duidelijk, vooral voor klager nodeloos denigrerend karakter heeft gekregen.
Gelet op de bijzondere plaats, die huis-aan-huis verspreide advertentiebladen onder de huidige informatiemiddelen in de plaatselijke samenleving innemen, is het aan het woord laten komen daarin van zwakke stemmen, ook al klinken die wel eens boos en rauw, op zichzelf alleszins aanvaardbaar. Maar dan moeten wel ook de tegenstemmen aan bod kunnen komen, zo niet in hetzelfde nummer dan toch in een spoedig volgend.
Een royaal wederwoord zou dan ook op zijn plaats zijn geweest als klager daarom had gevraagd. Om hem moverende redenen heeft hij daarvan afgezien. De Raad ziet echter geen reden tot twijfel omtrent de bereidheid van de Stadskrant om tegengestelde meningen aan het woord te laten, zoals ook in het nummer van 18 december 1975 over deze zaak is gebeurd.

BESLISSING

Enerzijds is het betwiste artikel nodeloos denigrerend ten opzichte van klager, anderzijds heeft betrokkene niet de gelegenheid gekregen zijn bereidheid tot redres te effectueren. De Raad is van oordeel dat betrokkene niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 25 november 1976 door mr H. B. Vroom, voorzitter, mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma, drs H. W. M van Run en dr M. Zeldenrust-Noordanus, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1976, 4.