1976/3 gegrond

X contra G. J. Vermeulen (Panorama)

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake X tegen Panorama

Klager X,thans gedetineerd,heeft zich bij een brief van 30 maart 1975 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer G. J. Vermeulen te Haarlem, hoofdredacteur van Panorama, hierna te noemen betrokkene. Nadat betrokkene een verweerschrift had ingediend en partijen daarop hebben gere- en gedupliceerd, heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen. Tijdens het voorbereidend onderzoek heeft de voorzitter op 12 mei 1976 in de Jeugdgevangenis te Zutphen de klager, zijn moeder, klagers halfbroer en de heer W. A. C . Wieringa gehoord. De Raad heeft de klacht vervolgens behandeld ter zitting van 14 oktober 1976, waar partijen, aan wie de Raad gelegenheid had gegeven de zitting bij te wonen, niet zijn verschenen.

DE KLACHT

In de editie van Panorama van 7 februari 1975 is van de hand van de heer W. A. C. Wieringa een artikel gepubliceerd, getiteld "t Was zijn eigen schuld', betreffende een man die op 11 januari 1975 door zijn zoon, de klager, om het leven was gebracht.
Klager stelt dat voor de publicatie van dit artikel, dat grotendeels bestaat uit een interview met zijn moeder over de omstandigheden die tot dit gebeuren hebben geleid, geen toestemming is verleend, althans dat het recht tot publicatie uitdrukkelijk telefonisch en schriftelijk namens klager en zijn moeder is ontzegd aan de schrijver en aan betrokkene. Klagers moeder had met de heer Wieringa afgesproken dat met publicatie gewacht zou worden op haar toestemming; die is niet gegeven. Nu het stuk desondanks is gepubliceerd, vreest klager nadelige gevolgen bij zijn terugkeer in de maatschappij.

HET VERWEER

Betrokkene heeft zich als volgt verweerd:

'1. Voorop gesteld zij dat wij in het artikel onder meer als strekking hebben willen leggen begrip voor de klager. Beslist is ons oogmerk niet geweest om aan het door hem ondervonden leed nog meer leed toe te voegen. Integendeel, wij geloven dat - voor zover de heer X in het artikel herkenbaar is - de tekst er alleen maar toe kan bijdragen, dat de maatschappij het gebeurde in de juiste proporties zal weten te zien, en dat de maatschappij dienovereenkomstig betrokkene zal willen tegemoettreden.

2. De tekst is een weergave van hetgeen mevrouw Y aan onze redacteur toevertrouwde. Wij meenden in haar een degelijke informatiebron te hebben gevonden. Allerminst hebben wij aanleiding om aan de echtheid van haar woorden te twijfelen.

3. Mevrouw Y stond onze redacteur gedurende 2 1/2 uur te woord. Zij wist dat wij beoogden een verslag in Panorama. Met publicatie als doel stelde zij ons een foto van wijlen haar echtgenoot ter beschikking. Met goedkeuring van mevrouw is derhalve het artikel tot stand gekomen.

4. Weliswaar is achteraf van de zijde van een andere zoon het verzoek - dus niet de eis - gekomen om publicatie achterwege te laten, als toen was echter de zaak al ter perse en voor ons niet terug te draaien. Dat werd op dat moment ook niet van ons gevergd en zou ook niet gevergd mogen worden, vooral ook nu toch mevrouw Y aan het interview haar volle medewerking had verleend.

5. Overigens menen wij niet - los gezien van de vraag in hoeverre er instemming was aan de zijde van de familie - dat de tekst aanleiding geven mag tot een klacht. Het gaat hier om een met zorg samengesteld artikel aangaande een concreet geval met meer algemene betekenis. Met name betreft het hier het leed, hetwelk de enkeling (de overledene) in zijn directe omgeving teweeg kan brengen, leed dat lang geduld wordt totdat bij overschrijding der grenzen van het dragelijke tenslotte niet meer in de hand te houden reacties terug slaan.

6. Wij hopen dat klager alsnog ervan overtuigd wil raken, dat ons oogmerk met het artikel niet verwerpelijk was, en dat hij tevens overtuigd wil zijn van ons medeleven in zijn moeilijke situatie.'

Klager heeft in zijn repliek en op 12 mei 1976 hierop geantwoord dat zijn klacht niet betreft de inhoud van het artikel, maar het feit dat de heer Wieringa zich niet heeft gehouden aan de mondelinge afspraak, bij het gesprek met zijn moeder op 22 januari gemaakt, dat de heer Wieringa met de publicatie zou wachten totdat hij toestemming had gekregen, welke toestemming klagers broer hem op 23 januari telefonisch heeft geweigerd. De enige reden voor deze weigering is dat de familie van het slachtoffer een gevaar zou worden voor zijn moeder, mevrouw Y.
Daarop heeft betrokkene aangevoerd, dat aan de klacht veel grond ontvalt nu klager heeft verklaard niet te betwijfelen dat het artikel met veel zorg is samengesteld. Betrokkene wenst te beklemtonen, 'dat geen enkele maal tijdens het vergaren van ons nieuws en het neerschrijven van ons verslag door de betrokkenen werd verzocht de publicatie op te houden; Panorama's reporter Wieringa ontkent ten stelligste dat hij de toezeggingen zou hebben gedaan waarop de heer X zinspeelt'.

HET NADER VOORBEREIDEND ONDERZOEK

Klagers moeder, mevrouw Y, verklaart op 12 mei 1976 onder meer, voorzover thans van belang en zakelijk weergegeven, het volgende: Ik vond toen ik in de middag van 22 januari 1975 thuiskwam, een briefje in de gang, een dichtgevouwen blocnoteblaadje waarop geschreven stond: 'Beste Mevrouw Y, zoudt u zo goed willen zijn om mij vanavond even te bellen? Dringend ! 020-795247. Bij voorbaat hartelijk dank. Pim Wieringa. Ik was vanmiddag om 3 uur bij u aan de deur, maar u was helaas niet thuis. Bel dus vanavond even. Het is echt heel belangrijk!! Pim Wieringa'. Kort nadat ik het briefje gevonden had, klopte de heer Wieringa aan de deur. Nadat ik hem open gedaan had, deelde hij mij mee dat hij van Panorama kwam en met mij een gesprek over het gebeurde wilde hebben. Ik twijfelde of ik dat wel zou doen: aan de ene kant wilde ik het liever niet maar tegen mijn bezwaren in zei de heer Wieringa, dat anderen van mijn ervaringen konden leren. Ik heb de heer Wieringa binnen gelaten en koffie gezet. Ik heb met hem afgesproken dat ik eerst met mijn zoons wou overleggen, voordat het interview zou worden gepubliceerd.
Ik zou die avond bij klager op bezoek gaan en zou de heer Wieringa na afloop van dat gesprek opbellen. Ik hoefde volgens meneer Wieringa niet snel te beslissen, aangezien het interview eventueel toch pas over drie weken zou worden gepubliceerd. Dezelfde avond heb ik met mijn beide zoons overlegd. We zijn toen tot de slotsom gekomen dat het interview niet moest worden gepubliceerd. Op mijn verwek heeft mijn zoon Z vervolgens met de heer Wieringa gebeld. Ook is er nog een brief naar Panorama geschreven.
Bedoelde brief luidt aldus:

'Rotterdam, 24-1-1975. Mijne Heren, Betreft: onderhoud met de heer Pim Wieringa.
Langs deze weg willen wij u erop wijzen, dat wij beslist geen toestemming verlenen voor het publiceren van het afgenomen interview, wat de heer Wieringa met mijn moeder heeft gehad. Wij hebben dit reeds telefonisch aan de heer Wieringa meegedeeld op 22/1-1975. De situatie hier, is dusdanig dat er teveel gevaar aan vastzit. Wij hopen dat u dit kunt begrijpen. Hoogachtend Mevr. Y.'

De heer Z, zoon van mevrouw Y en halfbroer van Klager, heeft op 12 mei 1976, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, het volgende verklaard:

Op donderdag 23 januari heb ik, na op woensdag 22 januari 1975 tevergeefs contact te hebben gezocht, met de heer Wieringa gebeld. Ik heb hem toen meegedeeld dat moeder met ons had gesproken; dat we de situatie hadden bekeken en tot de slotsom waren gekomen dat het onjuist zou zijn, indien het interview werd gepubliceerd. Ik heb hem dan ook vriendelijk doch zeer dringend verzocht om niet tot publicatie over te gaan. De heer Wieringa begreep dit en zegde mij toe, zijn uiterste best te zullen doen dat het interview niet in Panorama zou verschijnen. Ik heb er bepaald niet op gerekend dat het verzoek zou worden afgewezen.

Op de brief van mevrouw Y heeft betrokkene gereageerd met de volgende brief:

'Haarlem, 28 januari 1975
Geachte familie Y, vandaag bereikte ons uw brief, waarin u ons meedeelt geen toestemming te willen verlenen tot het publiceren van het interview dat de heer Wieringa met u heeft gehad. Helaas moet ik u meedelen, dat het nummer van Panorama, waarin het interview voorkomt, reeds gedrukt en verspreid is. U hebt de heer Wieringa donderdagavond, 23 januari om half 6 gebeld. De heer Wieringa heeft mij de volgende morgen van uw telefoontje verteld en meegedeeld dat u gezegd hebt: 'Wij zien er liever van af'. Aangezien u echter geheel vrijwillig met onze verslaggever hebt gepraat en zelfs een pasfoto hebt meegegeven, meende ik op uw vriendelijke verzoek niet te hoeven ingaan. Die vrijdagmorgen heb ik de tekst naar de drukkerij gestuurd. Zoals gezegd: de hele oplage is thans over Nederland verspreid en de publicatie is niet meer tegen te houden. Wij vertrouwen dat u begrip hebt voor deze situatie.
Hoogachtend, G. Vermeulen, hoofdredacteur.'

De heer W. A. C . Wieringa heeft op 12 mei 1976, zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang, verklaard:

In opdracht van de hoofdredactie van 'Panorama', bij welk tijdschrift ik in vaste dienst ben, heb ik met mevrouw Y contact gezocht. Mevrouw Y sprak aanvankelijk over haar aarzeling of ze wel toestemming tot publicatie zou geven. Ik heb daar toen met haar over gesproken. Mevrouw Y sprak er wel over dat ze nog met haar zoons wilde overleggen; ik heb daar echter uit opgemaakt dat dat overleg niet zou gaan over de vraag of toestemming tot publicatie zou worden gegeven, maar over eventuele aanvullende informatie. Daarover zou dan nog gebeld worden. Uit het verdere gesprek kreeg ik de indruk dat haar twijfel verdween en dat ze accoord ging met publicatie; op mij kwam het zo over. In verband met de actualiteit van de zaak is het onmogelijk dat ik gezegd zou hebben dat het interview pas over drie weken zou worden gepubliceerd. De kopij moest vrijdag worden ingeleverd; ik heb het artikel donderdagavond geschreven. Op donderdag 23 januari 1975 heeft de heer Z mij namens mevrouw Y opgebeld. Hij heeft mij dringend verzocht om niet tot publicatie over te gaan. Ik had de kopij toen nog niet ingeleverd. Ik heb hem gezegd dat ik het de volgende morgen met de hoofdredactie zou opnemen en ik raadde hem aan, dat zelf ook te doen. Ik heb dit verzoek de volgende morgen dan ook besproken met de chef-redactie en de hoofdredacteur. Het interview leek ons, na afweging van de belangen betrokken bij het verzoek van mevrouw Y en die bij publicatie, van zodanige importantie dat besloten werd het toch te publiceren. Tussen mevrouw Y en mij is niet de afspraak gemaakt dat zonder toestemming niet tot publicatie zou worden overgegaan.

OVERWEGINGEN

De klacht handelt niet over de inhoud van het in Panorama verschenen stuk- ook de Raad heeft op die inhoud geen kritiek. Het in betrokkenes verweer onder 2 en 5 gestelde laat de Raad daarom in zoverre onbesproken. Zowel de klager als zijn moeder mevrouw Y, hebben bij de klacht over publicatie van het interview belang. Nadelige gevolgen voor klagers toekomst waren niet ondenkbaar, evenmin als gevaar voor mevrouw Y van de kant van de familie van de overledene bovendien drong deze publicatie door in de persoonlijke levenssfeer van klager en van zijn moeder. In verband daarmee laat de Raad ook het onder 1 in het verweer gestelde in zoverre terzijde.
Klager stelt dat zijn moeder tijdens het interview met de heer Wieringa had afgesproken dat met publicatie gewacht zou worden op haar toestemming. Betrokkene en de heer Wieringa ontkennen dat. Niemand anders is tegenwoordig geweest bij het interview, en toereikende aanwijzingen ten gunste van klagers stelling ontbreken. De afspraak staat daarom niet vast.
Wel staat vast, dat mevrouw Y niet met zoveel woorden tijdens het interview haar toestemming tot publicatie heeft gegeven. Door betrokkene wordt dat ook niet beweerd- volgens de heer Wieringa sprak mevrouw Y aanvankelijk over haar aarzeling of ze wel toestemming zou geven, maar uit het verdere gesprek kreeg hij de indruk dat haar twijfel verdween en dat zij accoord ging met publicatie: op hem kwam het zo over.
Ook staat vast dat de publicatie is geschied tegen de, de dag na het interview kenbaar gemaakte, wens van klagers moeder en voorts, dat betrokkene - anders dan hij in zijn verweer onder 4 aanvoert - haar bezwaar kende toen hij besloot niettemin te publiceren. Uit de tijdens het voorbereidende onderzoek afgelegde verklaringen blijkt immers dat de heer Wieringa het artikel nog niet had ingeleverd toen hij op 23 januari werd opgebeld door de heer Z, en ook dat deze hem toen namens mevrouw Y dringend heeft verzocht het stuk niet te publiceren, en dat betrokkene daarvan op de hoogte was toen op 24 januari besloten werd het stuk toch te publiceren, omdat de heer Wieringa dit - toen hij zijn kopij die dag inleverde - hem had meegedeeld. De brief van 24 januari van mevrouw Y speelt dan ook, omdat die pas nadien door betrokkene ontvangen werd, geen enkele rol.
Mocht betrokkene dat verlangen van mevrouw Y, publicatie achterwege te laten, naast zich neerleggen? Gaat men er, gelijk de heer Wieringa en betrokkene doen, van uit dat zij, zo niet met het woord dan toch metterdaad (door de manier waarop zij de heer Wieringa tegemoet is getreden en aan het interview heeft meegewerkt) toestemming tot publicatie heeft gegeven, dan zal men onder omstandigheden betrokkenes besluit kunnen billijken.
Nu kan uiteraard het enkele feit dat iemand medewerkt aan een interview een bewijs van toestemming tot publicatie zijn; maar er kunnen omstandigheden zijn die aan die slotsom in de weg staan, zodat wegens gebrek aan zekerheid omtrent haar toelaatbaarheid de publicatie achterwege moet blijven. De Raad oordeelt, dat in de gegeven, hieronder nader aan te geven omstandigheden betrokkene ten onrechte is afgegaan op de indruk van de heer Wieringa dat in het verdere verloop van het interview mevrouw Y's twijfel verdween en dat zij accoord ging met publicatie.
Vast staat immers, dat mevrouw Y tijdens het interview niet alleen haar aarzeling heeft uitgesproken maar dat zij ook ervan gesproken heeft nog met haar zoons te willen overleggen. Mevrouw Y verklaart gezegd te hebben 'dat ze eerst met haar zoons wou overleggen', de heer Wieringa zegt: 'mevrouw Y sprak er... over dat ze nog met haar zoons wilde overleggen'. Over het doel van dat overleg bestaat verschil. Volgens mevrouw Y ging het erom of ze toestemming voor publicatie zou geven; de heer Wieringa verklaarde uit wat mevrouw Y zei te hebben opgemaakt dat het zou gaan over eventuele aanvullende informatie; daarover zou dan nog worden gebeld.
Van belang is, dat de heer Wieringa dat uit haar verklaring heeft opgemaakt; dat laat slechts de slotsom toe, dat mevrouw Y niet met zoveel woorden heeft gezegd dat dat overleg over aanvullende informatie zou gaan. Toen dus de heer Wieringa de woning van mevrouw Y verliet had hij de indruk dat zij accoord ging met publicatie; hij verwachtte nog een telefoon die - naar hij uit het gesprek had opgemaakt - zou gaan over aanvullende informatie.
De volgende dag komt dan de telefoon van de heer Z. Deze verwijst daarbij naar het gesprek tussen de moeder en haar zoons. Maar anders dan de heer Wieringa de vorige dag uit mevrouw Y's gesprek had opgemaakt, blijkt dat gesprek niet te zijn gegaan over aanvullende informatie. Integendeel: de uitkomst van het gesprek is een dringend verzoek om niet tot publicatie over te gaan. Kortom: na het telefoongesprek stond de indruk van de heer Wieringa op losse schroeven. Er was geen duidelijk accoord over publicatie, er was wel een duidelijk bezwaar gemaakt tegen publicatie. Een en ander had betrokkene reden moeten geven niet te steunen op de indruk van de heer Wieringa dat de twijfel van mevrouw Y bij het verdere gesprek verdween; hij had er rekening mee moeten houden, dat de indruk dat mevrouw Y accoord ging met publicatie op een misverstand kon berusten.
Hiervoor was temeer aanleiding, nu het ging om een artikel, voor drievierde bestaande uit citaten van mevrouw Y, tussen aanhalingstekens geplaatst en in de ik-stijl geschreven, waarin zij zeer ver ging met mededelingen o.a. over haar huwelijksleven met de overledene.
Betrokkene had dus onvoldoende grond onder de voeten voor publicatie. Er was in deze zaak geen sprake van een eenmaal gegeven, later ingetrokken toestemming, maar van een niet vaststaan of inderdaad tijdens het interview werkelijk toestemming was gegeven. Het feit, dat mevrouw Y aan het interview meewerkte, wettigde in het licht van de bijkomende omstandigheden niet de slotsom, dat zij toestemming tot publicatie had gegeven of met publicatie accoord ging. Het is dus jammer dat het zo is gelopen. Maar er zijn verzachtende omstandigheden. Nu niet vaststaat dat mevrouw Y een duidelijk voorbehoud heeft gemaakt, terwijl zij wel volle medewerking aan het interview gaf, is een ondoorzichtige situatie ontstaan waardoor tijd en energie, in de zaak gestoken, verloren kon gaan - de heer Wieringa had aan de hand van betrouwbare informatie een naar de maatstaven van de redactie goed stuk geschreven, dat paste in de dienst aan het algemeen belang zoals die door het redactioneel beleid van Panorama wordt nagestreefd.

BESLISSING

De Raad volstaat met uit te spreken dat het, gelet op de gang van zaken die tot publicatie heeft geleid, te betreuren is dat het interview is gepubliceerd.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 14 oktober 1976 door prof. mr Ch. J. Enschedé, plaatsvervangend voorzitter, prof. mr P. J. Boukema, mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1976, 3.