1976/2 ongegrond

J. M. F. J. Janssen contra J. M. G. Th. van Dieten ( Volkshuisvesting )

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Janssen tegen Van Dieten

De heer J. F. M. J. Janssen te Hilversum (klager) heeft door mr J. R. Kuperus te Huizen als zijn gemachtigde per brief van 26 juli 1975 bij de Raad een klacht doen indienen tegen de heer J. M . G . Th. van Dieten te Heerlen, eindredacteur van Volkshuisvesting (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarna namens klager is gerepliceerd. Hierop is door betrokkene gedupliceerd. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 9 juni 1976, waar verschenen zijn klager en zijn gemachtigde alsmede betrokkene.

DE KLACHT

Klager heeft in 1974 een boekje geschreven over huurproblemen in het algemeen en die in Hilversum in het bijzonder, geheten 'Nota/Witboek over de positie van de huurder'. Hierover verscheen in het nummer van 9 januari 1975 van Volkshuisvesting, uitgave van het Ned. Christelijk Instituut voor Volkshuisvesting te De Bilt, een recensie van de hand van betrokkene, eindredacteur van dit blad.
Klager reageerde hierop met een artikel onder de titel Er in getuind, dat werd geplaatst in het nummer van Volkshuisvesting van 6 maart 1975. In het nummer van 14 april 1975 verscheen als reactie daarop, evenals het stuk van klager in de rubriek Van de lezers, een artikel getiteld St. Joseph-Janssen, ondertekend door Th. G. Alders, secretaris Bouwvereniging St. Joseph, Hilversum, waarin klager zich op zeer duidelijke wijze persoonlijk aangevallen acht op zijn streven de aandacht te vestigen op de in het Gooi nog steeds aanwezige grote woningnood.
Hoewel klager en zijn raadsman meermalen verzocht hebben op dit artikel te mogen reageren, werd dit door betrokkene stelselmatig geweigerd met de motivering dat dit een herhaling van een zinloze discussie zou uitlokken. Omdat klager van mening is dat hem in ieder geval de gelegenheid had moeten worden geboden te reageren tegen de persoonlijke aantijgingen van het bestuur van St. Joseph o.a. over zijn raadlidmaatschap van de gemeente Hilversum en over progressieve politiek in het algemeen heeft hij over de weigering van een wederwoord, waarop hij recht stelt te hebben, een klacht ingediend.

HET VERWEER

Betrokkene verweert zich, samengevat, als volgt. In de brief van klager die op 6 maart 1975 werd gepubliceerd, kwam een passage voor over de St. Joseph bouwvereniging, waarover door klager werd geschreven in termen als 'de beerput welke in Hilversum ontdekt is... want daar lusten de honden geen brood van'.
Overeenkomstig zijn principe om brieven van lezers zo mogelijk integraal en zonder commentaar of naschrift te plaatsen, heeft betrokkene deze brief onverkort gepubliceerd. Hierop werd gereageerd met een brief, door de secretaris van de Bouwvereniging St. Joseph ingezonden ter publikatie. Betrokkene heeft deze brief op dezelfde wijze geplaatst in het nummer van 14 april 1975, erkennend dat het bestuur van deze vereniging recht had op een wederwoord na door klager te zijn geattaqueerd met termen als de bovengenoemde.
Een reactie van klager op deze publikatie werd inderdaad geweigerd. Betrokkene beschouwde de affaire als afgedaan nadat klager eenmaal het recht van wederwoord had gekregen op de recensie van betrokkene en St. Joseph het recht van wederwoord op de beschuldiging van klager. Voor betrokkene golden daarnaast nog een drietal argumenten tegen publikatie . Voortzetting van de discussie in het blad zou voor de lezers niet relevant zijn, terwijl voor hem de belangstelling van de lezer een redactioneel uitgangspunt van beleid is.
Voorts verwachtte betrokkene niet dat de discussie tot overeenstemming zou leiden. En tenslotte liet hij gelden dat het hier een lid van de eigen organisatie betrof die in het eigen blad had gereageerd op het standpunt van een buitenstaander.
Betrokkene merkt nog op dat het Ned. Chr. Instituut voor Volkshuisvesting een overkoepelende organisatie is van en voor confessionele woningcorporaties, welke optreedt als uitgeefster van Volkshuisvesting; betrokkene is in dienst van deze organisatie belast met de eindredactie.

DE ZITTING

Het standpunt van klager wordt als volgt toegelicht:

In zijn brief is de secretaris van St. Joseph niet of nauwelijks ingegaan op de beschuldigingen van klager aan het adres van deze bouwvereniging, maar wel lanceert hij een aantal beschuldigingen tegen klager. Dit kan moeilijk beschouwd worden als een weerwoord op klagers brief en daarom had klager een weerwoord moeten zijn gegund, desnoods van beperkte omvang, om althans op deze nieuwe elementen in de discussie te kunnen reageren.
Nu dit niet is gebeurd, voelt klager zich tekort gedaan, mede in het kader van de strijd die hij voert voor de belangen van de huurders. Betrokkene zet uiteen dat Volkshuisvesting het vierwekelijks orgaan is van de NCIV voor de bij deze organisatie aangesloten woningcorporaties, met een oplaag van 3 .000. Het bestuur heeft, behoudens een recht van veto van de voorzitter, de verantwoordelijkheid voor het blad gedelegeerd aan een redactiecommissie, waarin o.a. twee bestuursleden zitten. Zelf is hij als werknemer van de NCIV belast met de eindredactie van het blad dat deze organisatie uitgeeft. Hij is dus geen onafhankelijk hoofdredacteur van een onafhankelijk blad.
Hij had zich afgevraagd wat het weerwoord, dat hij klager had kunnen geven, zou hebben opgeleverd. Hij voelde zich in zijn redactioneel beleid onvoldoende vrij. Hij verwachtte stellig een weigering, als hij de vraag over het al of niet verlenen van een weerwoord aan klager had voorgelegd aan de verantwoordelijke instanties. Hij heeft toen zelf in deze geest beslist zonder die vraag voor te leggen. Bovendien beschouwde hij de alinea in klagers stuk waarin deze St. Joseph aan de orde stelde, als een aanval die buiten het bestek van het weerwoord op betrokkenes recensie viel. Hierop mocht de secretaris van St. Joseph reageren en daarmee achtte betrokkene de discussie gesloten.

OVERWEGINGEN

Het stuk van klager bevat in de slotalinea enige nogal onvriendelijke opmerkingen over de St. Joseph Bouwvereniging, die slechts zijdelings in verband staan met het hoofdonderwerp ervan: de reactie op betrokkenes recensie van zijn boek. Terecht heeft betrokkene de secretaris van St. Joseph de gelegenheid gegeven, daarop in de kolommen van Volkshuisvesting te reageren. Diens brief echter zoals deze is gepubliceerd, bevat behalve een verdediging van het aan de kaak gestelde beleid van St. Joseph ook een tegenaanval op klager, die een aantal nieuwe elementen bevat, op sommige punten mede diens persoon treffend.
Betrokkene meende hiermee de discussie te kunnen sluiten. Klager vroeg, naar het oordeel van de Raad terecht, gelegenheid tot verweer op deze nieuwe punten. Betrokkenes argumenten voor de weigering van dit verzoek treffen slechts ten dele doel. Nu hij de brief van de zijde van St. Joseph had gepubliceerd, was de discussie verschoven naar nieuwe punten. Wanneer het bereiken van overeenstemming niet te verwachten was, hadden voorwaarden omtrent omvang en zakelijkheid aan een weerwoord kunnen worden gesteld. Van belang hierbij is de functie van betrokkene. Dat hij eindredacteur is, betekent niet dat hij de uiteindelijke journalistieke verantwoordelijkheid voor Volkshuisvesting droeg. Blijkens zijn mededelingen berust deze bij het bestuur van de NCIV, waarvan hij afhankelijk is. Hij heeft het probleem, ontstaan door klagers verzoek, echter niet aan de verantwoordelijke instantie voorgelegd maar zelfstandig beslist in de geest van wat hij veronderstelde het standpunt van het bestuur te zijn. Begrijpelijk is dat bij deze beslissing het feit dat Volkshuisvesting een voor de eigen leden bestemd en, wat de verspreiding betreft, tot hen beperkt verenigingsorgaan is, een rol heeft gespeeld.

BESLISSING

Een weerwoord van klager zou op zijn plaats zijn geweest. De onzorgvuldigheid, gelegen in de eigenmachtige weigering van betrokkene, kan hem naar het oordeel van de Raad echter slechts in beperkte mate worden verweten gezien de begrensde journalistieke beleidsruimte waarover hij beschikte en het bijzondere karakter van het onderhavige blad.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 9 juni 1976 door mr H. B. Vroom, voorzitter, mevr. mr T. Faber-de Heer, mevr. mr F. Klaver, drs H W M. van Run en H . A. Uilenbroek, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1976, 2.