1976/1 gegrond

J. A. C. van Akkeren contra Dagblad voor Noord-Limburg

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Van Akkeren tegen Derix.

J. A. C. van Akkeren te Nijmegen, hierna te noemen klager, heeft zich bij brieven van 24 mei en 28 juli 1975 tot de Raad gewend met een klacht tegen J. M. G. Derix te Horst, journalist bij het Dagblad voor Noord-Limburg, hierna te noemen betrokkene. Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarna repliek en dupliek gevolgd zijn. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 7 april 1976, waar betrokkene verschenen is. Klager is ter zitting niet verschenen. Betrokkene heeft ter zitting verklaard er geen bezwaar tegen te hebben, dat de voorzitter van de Raad voor de Journalistiek mr H. B. Vroom, in deze zaak in de plaats van H. ten Brink zitting neemt als lid-niet-journalist.

DE KLACHT

De klacht kan als volgt worden samengevat.

Klager las in het Dagblad voor Noord-Limburg een op 30 maart 1974 begonnen artikelenreeks van de hand van betrokkene over miljoenenzwendel door in Duitsland opererende Nederlandse koppelbazen. Klager, die uit hoofde van zijn functie bij het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor GAK Nijmegen reeds ruim zes jaar - waarvan de laatste drie jaren welhaast full-time - met de bestrijding van deze zwendel en wat hiermede te maken had intensief werkzaam was, vond dat al deze jaren de daartoe aangewezen instanties alsmede zijn superieuren er weinig aandacht aan besteed hadden. Hij heeft daarom betrokkene voor een onderhoud uitgenodigd. Voordat klager en betrokkene tot dit gesprek overgingen is door klager aan betrokkene duidelijk te verstaan gegeven, dat onder geen enkele omstandigheid de zegsman aan de openbaarheid mocht worden prijsgegeven, omdat dit voor hem een levensgevaarlijke situatie zou betekenen. Betrokkene heeft hem met klem en nadruk verzekerd dat niemand de naam van de zegsman zou ervaren.
Het gesprek vond ten huize van klager plaats op 11 april 1974 en is op de band opgenomen.
Betrokkene heeft een band waarop een deel van die opname stond, uit handen gegeven. Dat gedeelte is in handen van de hoofddirectie van het GAK te Amsterdam gekomen en klager is ontslagen en op wachtgeld gesteld. Hij voelt zich die dupe geworden van een zeer onzorgvuldige behandeling door betrokkene.

DE FEITEN

De hierboven in de samenvatting van de klacht vermelde feiten zijn door betrokkene tijdens het voorlopig onderzoek en ook ter zitting erkend. Met name heeft hij erkend aan klager te hebben beloofd dat onder geen enkele omstandigheid naam en identiteit van klager zouden worden prijsgegeven aan derden. Ook heeft betrokkene erkend, dat klager vooraf had gezegd dat bekend worden van zijn naam voor hem levensgevaarlijk was omdat hij vreesde in elkaar geslagen te worden en hem ook moeilijkheden in zijn werkkring te wachten zouden staan. De in de samenvatting van de klacht vermelde feiten staan daarmede vast.

Voorts staan uit de stukken van het voorlopig onderzoek en uit het onderzoek ter zitting de volgende feiten vast.

In de eerste helft van 1974 heeft betrokkene in opdracht van de hoofdredactie van het Dagblad voor Noord-Limburg een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van Nederlandse koppelbazen in het Nederlands-Duitse grensgebied. Uit dit onderzoek is de door klager bedoelde reeks reportages ontstaan. Het gesprek op 11 april 1974 werd zonder dat klager daartegen bezwaar maakte bijgewoond door een relatie van betrokkene, die hem wel vaker bij dit onderzoek vergezelde, en wel als lijfwacht en ook als een getuige voor het geval betrokkene mocht worden aangevallen met betrekking tot de betrouwbaarheid van zijn werk. Ditmaal kwam die relatie met hem mee met het oog op een op het onderhoud met klager volgend gesprek met een tipgever uit het koppelbazenmilieu.
De opname van het onderhoud met klager was verdeeld over twee bandjes, het tweede bandje is verder gebruikt voor het gesprek met de tipgever die verklaarde geen enkel bezwaar te hebben tegen het doorspelen van zijn informatie aan de onderzoeksinstanties die zich bezighielden met de handel en wandel in de koppelbazenwereld. Betrokkene had nauwe contacten met deze instanties, die nodig waren
om informatie en tips voor zijn reportagereeks te krijgen. In het kader van deze contacten was door alle partijen een bepaalde vorm van coöperatie geaccepteerd. In deze sfeer heeft betrokkene zijn gesprek met de tipgever ter kennis gebracht van de directie van de Raad van Arbeid te Venlo en de recherche aldaar. Beide instanties verzochten betrokkene, de letterlijke tekst van het opgenomen gesprek te mogen overnemen. Het tweede bandje is daartoe door betrokkene gegeven aan de chef de bureau van de Raad van Arbeid te Venlo. Betrokkene heeft zich niet gerealiseerd dat hij daarmee ook het eveneens op dat bandje staande laatste gedeelte van het gesprek van 11 april 1974 met klager uit handen gaf, hij heeft die opname noch voor noch na het gesprek met de tipgever gewist.De Raad van Arbeid heeft het bandje vervolgens gegeven aan de recherche; daar heeft men buiten weten van betrokkene - die daartegen stellig bezwaar zou hebben gemaakt - het bandje, en daarmee ook het gedeelte waarop de rest van het gesprek met klager stond, gekopieerd. Die kopie heeft de politie vervolgens - alweer buiten weten en tegen de zin van betrokkene uitgeleend aan iemand van het GAK te Amsterdam die eveneens geïnteresseerd was in de uitlatingen van de tipgever. Zo kwam de opname van het laatste deel van het onderhoud met klager bij de hoofddirectie van het GAK te Amsterdam.
Reeds dadelijk na het verschijnen van het artikel waarin betrokkene uit het gesprek met klager verkregen gegevens had verwerkt kreeg klagers directie tegen klager verdenking. Betrokkene wist van het begin af, dat dat artikel voor insiders wees in de richting van klager. Tussen partijen bestaat meningsverschil op het volgende punt. Klager schrijft te hebben geprotesteerd tegen het maken van een bandopname van het gesprek, waarop betrokkene met nadruk beloofde dat een bandje, zodra het afgeluisterde op papier was gebracht, terstond zou worden gewist. Hoewel niet geheel tevreden stelde klager vertrouwen in betrokkene en deed zijn verhaal. Betrokkene zegt hierover het volgende in zijn verweerschrift: Het gesprek werd integraal opgenomen op een cassetterecorder, met toestemming van klager. Deze heeft daartegen geen protest kenbaar gemaakt. Betrokkene zou de opname na gebruik 'uitwissen ', hetgeen in casu voor de hand lag, aangezien hij slechts een beperkt aantal opnamebandjes bezit en deze derhalve intensief gebruikt moesten worden in talrijke interviews enz. welke in het kader van het onderwerp nodig waren.
Een ter zitting door betrokkene overgelegde schriftelijke verklaring van zijn begeleider gedateerd 24 maart 1976 houdt in, dat klager geen protesten heeft laten horen tegen het opstellen c.q. aanzetten van een cassette-recorder.
Ter zitting heeft betrokkene voorts nog gezegd zich geen duidelijke afspraak over het wissen te herinneren, maar de juistheid van klagers verklaring niet uitgesloten te achten.
Een en ander tegen elkander afwegende komt de Raad tot de slotsom, dat betrokkene - al dan niet na een protest van de kant van klager; dat blijft onbeslist - aan klager heeft toegezegd, de opname terstond na gebruik te zullen wissen, en dat klager door het vertrouwen dat hij in dit opzicht in betrokkene stelde ertoe besloot zijn verhaal te doen.

HET VERWEER

Betrokkenes verweer kan als volgt worden samengevat. Betrokkene betreurt de gehele gang van zaken. Echter kan niet worden gesproken van een moedwillige onzorgvuldigheid zijnerzijds. Hij is eerder het slachtoffer geworden van het onverantwoordelijk handelen van een politieambtenaar, van wie in redelijkheid mocht worden aangenomen dat hij de dienstvoorschriften terzake zou naleven. Hij had geen enkele reden om daaraan te twijfelen, toen deze politieambtenaar hem verzocht om het geluidsbandje met het gesprek uit het Nijmeegs koppelbaasmilieu in het kader van zijn onderzoek te mogen gebruiken. Door het geluidsbandje af te staan handelde betrokkene niet alleen conform de wens van de tipgever, maar het was ook zijn plicht in het kader van de noodzakelijke coöperatie met onderzoeksinstanties.
Betrokkene erkent enige vorm van slordigheid, in zoverre hij niet a priori elk risico ten aanzien van een mogelijk op het bandje achtergebleven fragment uit het gesprek met klager heeft overwogen waardoor de hoofddirectie van het GAK door het onverantwoordelijk handelen van een politieambtenaar - en zonder dat betrokkene dit mocht verwachten - de beschikking kreeg over het belastende fragment.
Het aspect van een causaal verband tussen het gesprek op 11 april 1974 c.q. het 'uitlekken' daarvan, en het aan klager verleende ontslag dient buiten beoordeling van de Raad te blijven.
Betrokkene heeft nimmer de bedoeling gehad de bandopname van het gesprek met klager aan derden af te staan en zich daarmede aan de overeengekomen afspraak gehouden. De onverantwoordelijkheid van een politieman in functie heeft ertoe geleid, dat de opname van het gesprek met de tipgever, en daarmee onbedoeld tegelijk het fragment uit het gesprek met klager in handen kwam van de GAK-instanties buiten medeweten van betrokkene.
Klager heeft door het initiatief te nemen tot een gesprek met betrokkene en daarbij zowel het gebruik van een opnameapparaat als de aanwezigheid van een derde toe te laten ipso facto een zeker risico genomen.

BEOORDELING

Betrokkene heeft gelijk wanneer hij zegt, dat klager door het initiatief te nemen tot het gesprek en daarbij het gebruik van een opnameapparaat te aanvaarden, risico's heeft genomen.
Klager was zich daarvan blijkbaar zeer wel bewust. Juist daarom immers heeft hij betrokkene op het hart gebonden dat de zegsman onder geen enkele omstandigheid aan de openbaarheid mocht worden prijsgegeven; juist daarom immers heeft hij pas zijn verhaal gedaan, nadat betrokkene hem beloofde banden terstond na gebruik te zullen wissen.
Niet alleen klager zelf, ook betrokkene was zich het risico dat klager liep bewust; hij wist dat klager vreesde bij bekend worden van zijn naam in elkaar geslagen te worden en ook moeilijkheden in zijn werkkring te zullen krijgen; juist daarom heeft hij klager beloofd dat onder geen enkele omstandigheid naam en identiteit van klager zouden worden prijsgegeven aan derden; juist daarom heeft hij aan klager toegezegd, de opname terstond na gebruik te zullen wissen.
Anders dan betrokkene kennelijk meent, verontschuldigt het feit dat klager zelf risico's heeft genomen, betrokkene in het geheel niet. Integendeel: het feit dat klager ondanks de voor hem daaraan verbonden risico's bereid was zich met betrokkene in verbinding te stellen en informaties te verschaffen over dit koppelbazenprobleem had hem een spoorslag moeten zijn het geheim van zijn informant zorgvuldig te beschermen, ook al zou hij klager daaromtrent geen enkele toezegging hebben gedaan. Nu hij bovendien nog beloften daaromtrent had gedaan, had hij die vooral nauwgezet moeten honoreren. Dit alles klemt temeer, nu hij wist dat zijn artikel voor insiders in de richting van zijn informant zou wijzen, en nu hij bij de voorbereiding van zijn reportages moest samenwerken met officiële instanties die uiteraard andere verantwoordelijkheden hebben dan een Journalist.
Betrokkene wil dat de Raad het aspect van het causaal verband tussen het gesprek op 11 april 1974 c.q. het 'uitlekken' daarvan en het aan klager verleende ontslag buiten zijn beoordeling laat. Inderdaad zal de Raad zich niet bezighouden met de vraag in hoeverre betrokkene naar
de maatstaven van het recht aansprakelijk is voor de door klager geleden stoffelijke en andere nadelen. Wel stelt de Raad vast dat de thans door klager ondervonden moeilijkheden mogelijk geheel achterwege zouden zijn gebleven, in elk geval niet zo zouden zijn ingetreden als ze zijn ingetreden, indien betrokkene gedaan had wat hij beloofd heeft en wat hij eigenlijk ook zonder belofte als een journalistieke plicht had behoren te doen: de banden terstond na gebruik wissen, en niet wachten tot ze 'overgesproken' werden.
Was dat geschied, dan zou zelfs het door betrokkene in zijn verweerschrift zogenoemde onverantwoordelijk handelen van een politieambtenaar in functie, van wie in redelijkheid mocht worden aangenomen, dat hij de dienstvoorschriften terzake zou naleven aan klager deze moeilijkheden niet hebben berokkend. Intussen: ook al zouden de gedragingen van betrokkene zonder enig gevolg zijn gebleven, dan zou dat nog niet wegnemen dat hij in zorgvuldigheid ten opzichte van klager en nauwgezetheid bij het nakomen van de hem gedane beloften is tekortgeschoten.
De Raad aanvaardt uiteraard dat hier van enige moedwillige onzorgvuldigheid bij betrokkene geen sprake is geweest, noch van de bedoeling de bandopname van het gesprek met klager aan derden af te staan.
Maar, anders dan betrokkene doet, oordeelt de Raad dat deze zich niet aan de overeengekomen afspraak heeft gehouden. Met betrokkene zelf oordeelt de Raad dat hier sprake is van slordigheid. Die slordigheid brengt mee, dat betrokkene ten opzichte van klager ernstig in zorgvuldigheid en nauwgezetheid is tekortgeschoten. Het feit dat betrokkene de gehele gang van zaken betreurt maakt dat niet anders.

BESLISSING

Betrokkene heeft door zijn gedrag ten opzichte van klager de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 7 april 1976 door prof. Mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mr P. Kuitenbrouwer, drs H. W. M. van Run mr H. B. Vroom en mr R. de Waard, leden, in tegenwoordigheid van mr G. P. A. Aler, plv. secretaris.

RvdJ 1976, 1.