1975/5 deels gegrond

H. R. A. Verheij en mw A. Verneth contra K. Wijdooge

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Verheij en Mevrouw Verneth tegen Wijdooge

De heer H. R. A. Verheij en mevrouw A. Verneth, journalisten te Blokzijl (klagers), hebben zich met een brief van 16 januari 1975 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer K. Wijdooge, journalist te Waddinxveen (betrokkene). Nadat betrokkene verweer had gevoerd en klagers hierop hadden gerepliceerd, zond betrokkene nogmaals een verweerschrift in waarop klagers nader hebben gereageerd in een conclusie. Hierna heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld in zijn zitting van 30 oktober 1975, waar zijn verschenen de heer Verheij voor beide klagers, en betrokkene, bijgestaan door mr C. F. van Delft, advocaat te Gouda.
De klacht was aanvankelijk mede gericht tegen de Uitgeversmaatschappij C. Misset BV in de persoon van de heer P. M. Fock, doch klagers zijn hierin bij een beslissing van de Raad van I mei 1975 in verband met het bepaalde in de artt. 1, 2 en 19 van het reglement voor de Raad niet ontvankelijk verklaard.

DE KLACHT

De klacht kan als volgt worden samengevat. In het nummer van september 1974 van het maandblad De Handelsreiziger is een door klagers in augustus vervaardigd artikel gepubliceerd onder de titel Veiligheid, Autovoorruiten van gelaagd glas een nieuw aspect voor veiliger autorijden! Betrokkene heeft onder het pseudoniem Ton Loris in het maandblad De Auto, nummer 11 van november 1974, een artikel gepubliceerd onder de titel Glashelder uitzicht op meer veiligheid, waarin in een veertiental passages grote gedeelten van de tekst van klagers artikel nagenoeg of geheel gelijkluidend zijn overgenomen en waarbij tevens gebruik is gemaakt van een tweetal foto's en een technische tekening waarop klagers het auteursrecht bezitten, zonder dat betrokkene hiervoor toestemming had gevraagd of verkregen. Betrokkene heeft, toen zij met hem over een en ander spraken, gezegd dat klagers alsnog achteraf een rekening moesten inzenden terzake van het copyright. Klagers hebben dit echter bewust achterwege gelaten, immers zou dan achteraf toestemming zijn verleend voor de schending van het auteursrecht, hetgeen niet de bedoeling was van klagers.
Betrokkene heeft gezegd dat hij het overnemen van de foto's zonder dat hiervoor toestemming was verleend, afkeurde, maar hij zei daar nog bij dat hij op de hoogte was geweest van het feit dat het de bedoeling was dat foto's uit het artikel in De Handelsreiziger zouden worden overgenomen. Hieruit moge blijken - zo stellen klagers - dat betrokkene heeft geweten, althans kon vermoeden dat inbreuk werd gemaakt op andermans auteursrecht.

HET VERWEER

Betrokkene erkent dat de twee foto's en de tekening zonder voorafgaande toestemming van klagers in De Auto werden geplaatst, zij het tengevolge van een betreurenswaardig misverstand tussen betrokkene en zijn redactie. Toen hij zijn artikel bij de redactie inleverde, deed hij dit vergezeld gaan van een exemplaar van De Handelsreiziger waarin de tekening en de foto's gepubliceerd waren, met een schriftelijke notitie: 'Verheij heeft de foto's. Je kunt ze aan hem vragen', althans woorden van gelijke strekking. Deze handelwijze is geen ongebruikelijke, en met name gezien het feit, dat de kwaliteit van de afdrukken bij rechtstreekse overname uit een ander tijdschrift slechts is, verwachtte betrokkene niet anders dan dat van de zijde van De Auto contact met klagers zou worden opgenomen in verband met de publicatie.
Aan klager Verheij heeft betrokkene -medio december - deze gang van zaken toegelicht en nadrukkelijk betreurd als zijnde onbehoorlijk; hij heeft toegezegd een en ander ter kennis van zijn redactie te zullen brengen, hetgeen onverwijld is geschied. Dat hij op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat de tekening en de foto's rechtstreeks uit het nummer van De Handelsreiziger zouden worden overgenomen, is apert onjuist en dat is dan ook niet door betrokkene gezegd. Wel is toen, en ook later steeds, door betrokkene en zijn uitgever bereidheid getoond terzake een redelijke vergoeding te betalen.
Wat de tekst betreft stelt betrokkene dat hij, gedurende een tiental jaren werkzaam op het gebied van de auto-journalistiek, beschikt over een niet onaanzienlijke vakkennis en eigen achtergrondinformatie. Hij heeft, naast een uitgebreid bronnenonderzoek, eigen informatie terzake verzameld bij deskundigen; verder acht hij het niet opmerkelijk dat ongeveer gelijktijdig een aantal artikelen in binnen- en buitenlandse pers verschijnen over dezelfde actuele onderwerpen. Indien er gelijkenis mocht aanwezig lijken tussen de teksten van klagers en betrokkene, dan kan dit de volgende oorzaken hebben: het an gaan om feitelijke informatie, die niet of nauwelijks anders geformuleerd kan worden; er is gebruik gemaakt van algemeen bekende feiten; gegevens en formuleringen zijn ontleend aan telefonisch door de importeur van de besproken autoruiten zowel aan klagers als aan betrokkene gegeven informatie; tenslotte heeft betrokkene met toestemming gebruik gemaakt van een artikel van H. Stemmer in Het Parool van 25 september 1974 Kruimeltjesglas uit de tijd, waaraan hij met name het woord mozaïek structuur heeft ontleend en niet aan het artikel van klagers.
Resteren twee zinnen welke inderdaad nagenoeg gelijk zijn aan de door klagers in hun artikel gebruikte. Betrokkene ontkent niet, dat hij deze mogelijk aan klagers ontleend heeft, zij het dat hem hier naar zijn mening slechts onzorgvuldigheid verweten mag worden, daar hij meende hier mede op grond van hem van de zijde van de importeur verstrekte informatie te kunnen schrijven en deze tekst voor een niet onaanzienlijk deel strikt zakelijke gegevens bevat.

DE ZITTING

Klager Verheij wijst erop, dat bij vergelijking van de artikelen in dat van betrokkene niet alleen de bewoordingen maar ook de volgorde vrijwel dezelfde zijn wat betreft de - nagenoeg - gelijkluidende passages. Het blad De Handelsreiziger verschijnt in het midden van de maand; zijn artikel is dus medio september bekend geworden. De importeur van de ruiten heeft van klager toestemming gevraagd en ook verkregen om zijn artikel op de RAI als reclamemateriaal te gebruiken; dit was echter na de publicatie van het artikel van betrokkene en het liet bovendien klagers auteursrecht op foto's en tekening onverlet.
Betrokkene zegt dat hij van de hoofdredacteur van De Auto de opdracht had gekregen om een artikel over deze autoruiten te schrijven voor dit blad, met erbij een suggestie over te benaderen deskundigen, o.a. een oogziekenhuis, TNO e.d., hetgeen hij heeft gedaan. Na een telefonisch verzoek om informatie bij de importeur zond deze hem het nummer van De Handelsreiziger met klagers artikel. Voorts verkreeg hij toestemming van zijn collega Stemmer om van diens artikel in Het Parool van 25 september gebruik te maken betrokkene heeft daaraan meer ontleend dan aan dat van klagers. Desgevraagd zegt betrokkene geen reden te hebben gezien om ook aan klagers dan toestemming te vragen voor dit gebruik. Hij herkende in dit stuk informaties, die hij telefonisch van de importeur had ontvangen en zag dit als bevestiging van zijn eigen notities. Hij heeft getracht het onderwerp uitgebreider en op eigen manier te behandelen. Toen hij zijn stuk voltooid had, heeft hij het met dat van klagers opgestuurd naar de hoofdredactie, met een papiertje eraan, waarop hij iets als 'Verheij heeft foto's' had geschreven. Hij is van mening dat, zelfs als hij foto's had meegestuurd, niet hij maar de redactie het copyright had moeten regelen. Hij is te goeder trouw geweest. Hij heeft later geconstateerd dat voor zijn artikel clichés waren gemaakt van De Handelsreiziger. Hij staat niet op het standpunt dat hij zelf de originele foto's had moeten opvragen; dat mocht hij aan de redactie overlaten, en dat is ook gebruikelijk.
Klager Verheij verklaart desgevraagd dat hij deze weergave van de gang van zaken niet betwist. Wel blijft hij van mening dat betrokkene zelf en niet zijn redactie de foto's had moeten opvragen bij klagers en dat hij ook het copyright had moeten regelen met klager. Er is nu ergens grofweg overgenomen.

OVERWEGINGEN

Wat de foto's en de tekening betreft staat vast dat inbreuk is gemaakt op het auteursrecht van klagers. Maar op dit punt treft betrokkene geen verwijt; hij handelde bij het inleveren van de kopij zoals in zulke gevallen wel meer gebeurt en hij mocht aannemen dat de redactie het auteursrecht zou regelen.
Vergelijking van de teksten leert het volgende.
Betrokkenes artikel begint met een negental volzinnen, waarvan er drie grote gelijkenis vertonen met zinnen uit het stuk van klagers. Daarop volgt een vrijwel woordelijk overgenomen gedeelte van het artikel in Het Parool van 25 september en daarna komt tekst, voor ongeveer de helft en op acht plaatsen bestaande uit zinnen, die nagenoeg woordelijk overeenkomen met zinnen uit het artikel van klagers en - op enkele uitzonderingen na - in dezelfde volgorde daarin voorkomen. Hierbij valt op dat het woord mozaïek structuur wel voorkomt in het artikel van klagers en in dat van betrokkene, maar niet in Het Parool, waar sprake is van ondoorzichtig mozaïek.
De tweede helft van betrokkenes stuk bevat dan nog een drietal passages, die sterk overeenkomen met gedeelten uit klagers artikel maar bestaat verder uit beschouwingen over onderzoekingen bij TNO en in West-Duitsland en over informatie van medische zijde, die niet in het artikel van klagers voorkomen.
Duidelijk blijkt uit een en ander dat betrokkene overeenkomstig zijn opdracht zelfstandig recherches voor het te schrijven artikel heeft verricht en documentatiemateriaal verzameld; daartoe behoorde onder meer ook klagers artikel en daarvan kan men hem geen verwijt maken.
Wel echter kan en moet hem verweten worden dat hij uit het artikel van klagers een niet onaanzienlijk aantal passages, grotendeels in dezelfde volgorde, praktisch heeft overgeschreven zonder naar een eigen presentatie te zoeken, hoewel het onderwerp daartoe inhoudelijk stellig de mogelijkheid openliet.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht wat betreft het overnemen van de foto's en de tekening af. Met betrekking tot het gebruik dat betrokkene heeft gemaakt van de in zijn documentatie aanwezige tekst van klagers treft betrokkene verwijt van onzorgvuldigheid.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 30 oktober 1975 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma, drs H. W. M. van Run en drs A. A. V. Tummers, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1975, 5.