1975/3 ongegrond

H. Snel contra M. van Amerongen (Vrij Nederland)

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Snel tegen Van Amerongen

De heer H. Snel, directeur van Hansnel Reclamemakers BV te Ridderkerk (klager), heeft zich bij een brief van 29 april 1975 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer M. van Amerongen, redacteur van Vrij Nederland te Amsterdam (betrokkene). Op het verweerschrift van betrokkene heeft klager gerepliceerd, waarop betrokkene nog een dupliek heeft ingezonden. Daarna heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld in de zitting van 23 oktober 1975, waar beide partijen verschenen zijn.

DE KLACHT

Betrokkene verzocht klager op 23 december 1974 telefonisch om een gesprek; hij was in opdracht van Reclamebureau Franzen Hey & Veltman bezig met een boek over het Nederlandse reclamewezen en enige gegevens over Hansnel Reclamemakers zouden daarin volgens betrokkene niet mogen ontbreken. Klager gaf toestemming, uitsluitend omdat het om een jubileum-uitgave van een collega-reclamebureau dat in de reclamewereld verspreid zou worden, ging. Het gesprek vond dezelfde dag nog plaats.
In Vrij Nederland van 26 april 1975 verscheen van de hand van betrokkene een artikel, waarin o.m. het interview met klager van 23 december is opgenomen, getiteld Hij weet dat de mensen elkaar wurgen om een plastic beestje bij de waspoeder met de ondertitel Een typologie van Jan de Reclameman, waarvan de inleiding als volgt begint:
Begin mei verschijnt bij de uitgeverij De Bezige Bij het boek 'Het gekwelde leven van die snelgeklede, rapgekapte, fraaibesnorde, goedgebekte sherrydrinkers - of ... de Reclameman tussen kunst, kassa en koning klant'. Deze week drukken wij bij wijze van voorpublicatie andermaal een fragment af...
Klager vindt het in hoge mate onfatsoenlijk om zonder klagers voorkennis met gegevens die hij heeft verstrekt voor een boek, enkele kolommen van Vrij Nederland, een landelijk opinieblad met een zeer duidelijke politieke kleur, te vullen.
Ook neemt klager er aanstoot aan dat hem ten aanzien van de lezerskring van Het Vrije Volk beledigende woorden in de mond zijn gelegd.

HET VERWEER

Betrokkene erkent klager niet op de hoogte te hebben gesteld van het feit dat het fragment van het boek waarin hij een rol speelt, in Vrij Nederland zou worden voorgepubliceerd. Hij acht een dergelijke wijze van verwittiging ongebruikelijk; wel gebruikelijk is overleg tussen uitgever en weekblad, hetgeen in dit geval dan ook is geschied. Vrij Nederland publiceert al jaren vrijwel wekelijks fragmenten uit bepaalde op verschijning staande boeken. Het overleg hierover geschiedt tussen weekblad en uitgever (plus zo nodig de auteur); niet tussen weekblad en de in de fragmenten optredende figuren.
Betrokkene meent voorts dat hij klager correct heeft geciteerd.

DE ZITTING

De passage waaraan klager zich stoot luidt: Ik probeer Het Vrije Volk het imago te geven van een vriendelijke, gezellige krant - 'De dikste vriend van de Rotterdammer'. Maar je zit met het feit, dat ze nog een zooitje van die ouwe SDAP-ers als abonnee hebben. Je moet dus oppassen, dat je die niet al te veel tegen hun schenen schopt. Je hebt nu eenmaal nog met een rooie krant te doen. Dat moet met de tijd slijten. Ach, Het Parool is ook jarenlang rood geweest. Die dingen hebben hun tijd nodig. Hij heeft daarover na het verschijnen van het boek op 1 mei 1975 een boze brief aan De Bezige Bij gezonden. Ter zitting blijkt klager alleen bezwaar te hebben tegen het woord zooitje. De rest van het citaat is naar de materie juist;hij heeft wel zoiets gezegd, maar niet op die manier. Hij wist niet wie Van Amerongen was wel heeft deze hem in het telefoongesprek gezegd dat het te schrijven boek zou worden uitgegeven door De Bezige Bij, maar hij had niet gedacht dat het in de boekhandel zou komen. Zijn voornaamste grief is dat hij niet is ingelicht over de publicatie van het interview in Vrij Nederland.
Betrokkene zegt, bij het telefonisch verzoek om een interview duidelijk te hebben meegedeeld - zoals ook aan de tientallen andere voor dit boek geïnterviewden - om wat voor boek het ging en dat het zou worden uitgegeven door De Bezige Bij. Vrij Nederland heeft er vier voorpublicaties aan gewijd; dit was de tweede en daarin is o.m. het gehele interview met klager opgenomen . Het enige wat betrokkene als weekbladredacteur eraan heeft gedaan is het voorzien van kop en intro. In zijn aantekeningen van het interview staat op de plaats van het woord waartegen klager bezwaar heeft, iets onleesbaars dat hij door zooitje heeft weergegeven, een woord dat voor betrokkene geen denigrerende betekenis heeft en in elk geval niet in die zin is bedoeld.

OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft in drie hoedanigheden met de betwiste publicatie te maken: als interviewer, als auteur van het boek waarin het interview is verwerkt, en als weekbladredacteur die voorpublicaties van dit boek voor zijn weekblad verzorgt.
Wat de eerste grief betreft heeft klager in wezen bezwaar gemaakt tegen de koppeling van de eerste aan de derde hoedanigheid. Hij heeft daarbij echter de tweede over het hoofd gezien. Terecht stelt betrokkene dat hij als weekbladredacteur voor de voorpublikaties slechts de toestemming van de uitgever van het boek nodig had. Al heeft klager niet gedacht dat het boek in de boekhandel zou komen, hij wist dat het een uitgave van De Bezige Bij was, en dat bracht in alle geval mee, dat hetgeen hij gezegd heeft tijdens het interview zou kunnen worden geciteerd, hetzij voor de verschijning van het boek - zoals in casu via een voorpublikatie - hetzij erna, b. v. in een recensie. Een dergelijke voorpublikatie is tegenwoordig lang geen uitzondering. Hij kan zich daarover dus niet beklagen.
Over blijft dan nog de tweede grief: heeft betrokkene in de voorpublikatie aan klager beledigende woorden in de mond gelegd? Klager maakt alleen bezwaar tegen het woord zooitje. Maar in het geheel van het citaat bevat dat woord niet meer dan een ondergeschikte nuance. Ook deze grief mist dus doel.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Ned. Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 23 oktober 1975 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, H. ten Brink, D. F. Houwaart, mr F. Kuitenbrouwer en ing. O. Postma, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1975, 3.