1975/2 deels gegrond

Pompekliniek contra Nijmeegs Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Prof Pompekliniek tegen het Nijmeegs Dagblad

Het bestuur van de Prof. Mr W. P. J. Pompekliniek te Nijmegen (klaagster) heeft bij een brief van 26 augustus 1974 een klacht ingediend tegen de hoofdredactie en de redacteur C. H. Adema van het Nijmeegs Dagblad te Arnhem (betrokkenen). Tijdens het voorlopig onderzoek hebben betrokkenen een verweerschrift ingediend, waarop klaagster heeft gerepliceerd en betrokkenen een dupliek hebben ingezonden. Hierna heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld in de zitting van 1 mei 1975, waar voor klaagster zijn verschenen prof . dr N. E. Jaspers en drs J. P. L. Offermans, en voorts betrokkene Adema en de heer J. G. Gleichman, hoofdredacteur van Nijmeegs Dagblad.

DE KLACHT

In het Nijmeegs Dagblad van 23 augustus 1974 is in de rubriek Kroniek een artikel van de hand van betrokkene Adema gepubliceerd onder de titel Gezag. Dat artikel valt in vier onderdelen uiteen. Het is geschreven naar aanleiding van het binnenkomen van het telexbericht over de ontdekking van de moord bij Waalre op een ontvoerd vijfjarig meisje, de derde kindermoord binnen een kort tijdsbestek, en dan wordt het moeilijk om in een 'incident ' te geloven, aldus de schrijver die verder opmerkt: Zo 'n bericht komt bovendien hard aan, omdat je geleidelijk het gevoel hebt gekregen, door hogere gezagsorganen aan de -wijnen te zijn overgeleverd.

Het tweede deel luidt als volgt:

Zelf hebben we met dat gezag vooral in de clinch gelegen over de Nijmeegse Pompekliniek, waar zwaar gestoorde delinquenten niet voor niets naar toe zijn verwezen, doch er onbeperkt hun gang mogen gaan bij hun rooftochten.
Het 'gezag' maar ook Vrij Nederland namen het ons bijvoorbeeld kwalijk toen wij signaleerden dat directeur Maas met zijn ernstige patiënten in Flevoland was gaan kamperen, zonder de moeite te hebben genomen de politie daarvan in kennis te stellen. 'Op die manier ontneemt de courant aan de patiënten elke privacy' werd er gezegd.
Maar intussen heeft een soortgelijke, niet aangemelde kampeerpartij op Terschelling kort geleden weer een onschuldig kind het leven gekost. In het derde deel worden nog de snelle vrijlating en de opzienbarend milde bestraffing van delinquenten door de justitie ter sprake gebracht.

Het laatste deel eindigt met de hartekreet:

Lieve hemel, in wat voor gekkenhuis zijn we dan langzamerhand beland ? Op wiens bescherming mogen we nog vertrouwen? Of desnoods: wie heeft bewerkstelligd dat het gezag is weggevallen en we niet meer op enige bescherming behoeven te rekenen ? Dit is toch wel de geringste vraag die we aan onze bestuurders mogen voorleggen.

Klaagster heeft tegen dit stuk een drietal bezwaren.
1. Naar haar mening wordt hierin onnodig en op journalistiek onbehoorlijke wijze de naam van de Pompekliniek betrokken in de juist in die emotioneel bijzonder beladen context van enkele recente kindermoorden.
2. Daarenboven worden ten aanzien van de bewoners van de kliniek zonder voldoende grond termen gebruikt als zwaar gestoorde delinquenten en ernstige patiënten die in hetzelfde verband niet zullen nalaten een bijzonder suggestieve werking uit te oefenen.
3. Tenslotte stelt de klaagster dat het stuk een kennelijke onjuistheid bevat, waar wordt vermeld dat directeur Maas met zijn ernstige patiënten in Flevoland was gaan kamperen zonder de moeite te hebben genomen de politie daarvan in kennis te stellen.
De Pompekliniek en haar bewoners achten zich door dit alles in aanmerkelijke mate in hun goede naam en in hun belangen geschaad. De tragische moorden op een drietal kinderen, binnen korte tijd gepleegd, hebben begrijpelijkerwijs in den lande diepe emoties losgemaakt. De publiciteitsmedia komen hierdoor in de positie te verkeren, dat op hen een bijzondere verantwoordelijkheid rust. Klaagster acht het bijzonder betreurenswaardig dat betrokkene Adema de gevoelens van onder meer machteloze woede en agressie, die in hemzelf gewekt blijken, versterkt en ze impliciet richt op een instituut ter plaatse, dat met de onderhavige feiten volstrekt niets uitstaande heeft en van waaruit ook in het verleden nooit dergelijke delicten werden gepleegd.
Het zomerkamp in Flevoland, dat plaats vond in juni 1972, is door vertegenwoordigers van de kliniek die de kampleiding op zich zouden nemen, bijzonder zorgvuldig voorbereid, onder meer in een gesprek met de burgemeester van Dronten als hoofd van de politie, waarbij ook vertegenwoordigers van de politie te land en te water aanwezig waren. Het kamp is in bijzonder prettige dagelijkse samenwerking met de politie verlopen.
Wat de gebezigde termen betreft heeft klaagster bij repliek nog het volgende gezegd: een deel van de bevolking van de kliniek verblijft er vrijwillig en zonder justitiële achtergrond, een ander deel bestaat uit mensen die ter beschikking van de regering zijn gesteld krachtens een rechterlijke uitspraak. Het enkele feit dat iemand ter beschikking van de regering is gesteld geeft echter geen enkele aanwijzing over de mate of ernst van zijn gestoordheid. De genoemde termen zijn in de overgrote meerderheid van de gevallen zakelijk onjuist en, zeker als ze worden aangewend in het verband van kindermoorden, van een suggestieve geladenheid die voor de kliniek en haar bewoners als schadelijk moet worden aangemerkt.
Klaagster heeft ervan afgezien over deze kwestie in contact te treden met de heer Adema of met de redactie van het Nijmeegs Dagblad. Eerdere reacties harerzijds op naar haar mening minder gelukkige publikaties die over de kliniek in dat blad zijn verschenen, werden door de redactie steeds correct in ontvangst genomen, zonder dat dit, zoals ook thans weer blijkt, tot een verbeterde wijze van berichtgeving in deze heeft mogen leiden.
Bovendien is zij allerminst gediend met een eventuele rectificatie of nadere verklaring in een van de volgende nummers van het Nijmeegs Dagblad. In dat geval zou immers de naam van de kliniek opnieuw en met nog groter nadruk in het verband van de recente tragische gebeurtenissen naar voren komen.

HET VERWEER

Het door betrokkenen ingediende verweerschrift en hun dupliek kunnen als volgt worden samengevat.
De Kroniek in het Nijmeegs Dagblad had als onderwerp het gezag. Naar aanleiding van de toen recente kindermoorden constateerde de schrijver een gevoel van onveiligheid bij het publiek, een gevoel dat het gezag was weggevallen en dat men niet meer op enige bescherming hoefde te rekenen.
Dat een Nijmeegs dagblad in dit verband de Nijmeegse Pompekliniek noemt, is naar de mening van betrokkenen niet alleen verklaarbaar maar onvermijdelijk. De veiligheid in Nijmegen en omgeving wordt in hoge mate mede bepaald door het functioneren van de Pompekliniek, waarin recidivisten en ernstige delinquenten worden opgenomen voor langdurige behandeling. Sedert de ingebruikneming van de kliniek hebben zich voortdurend fricties voorgedaan als gevolg van het feit, dat de bewoners een praktisch onbeperkte bewegingsvrijheid genieten en aansprakelijk worden geacht voor aanzienlijke reeksen misdrijven.
Buurtcomité's, raadsleden, burgemeester, politie en officieren van justitie hebben al zo vaak en in veel krachtiger bewoordingen dan de kroniekschrijver ernstige verontrusting kenbaar gemaakt over het beleid van de kliniek, dat de huidige klacht betrokkenen verbaast.
Deze verontrusting wordt gesteund door de misdaadcijfers van de politie betreffende bewoners van de kliniek. Met een aantal citaten ondersteunen betrokkenen hun stelling dat schokkende gebeurtenissen elders in het land door bewoners en bestuur van de stad in relatie worden gebracht met de extra kwade kans die de eigen burgerij loopt. Via politieberichten en rechtbankverslagen blijft de kliniek in het nieuws. Het is voor een plaatselijke courant niet mogelijk hieraan stilzwijgend voorbij te gaan.
Wat betreft de termen waartegen klaagster bezwaar heeft gemaakt, verwijzen betrokkenen naar een rondschrijven van de kliniekleiding d.d. 31 januari 1972,waarin werd meegedeeld: De Pompekliniek is een psychiatrisch ziekenhuis. De kliniek is in de eerste plaats bedoeld voor onvoorwaardelijk tbr-gestelden. Daarnaast kunnen mensen worden opgenomen in een ander juridisch kader.
De mededelingen voor het bericht over het zomerkamp tenslotte zijn indertijd gecontroleerd bij de politie in Flevoland en daar onverkort bevestigd. De Nijmeegse politie voegde eraan toe, niet te weten dat een aantal delinquenten uit kamperen was gegaan. Daarna is het bericht gepubliceerd zonder dat van de zijde van de kliniek destijds een ontkenning of een verzoek tot rectificatie volgde.

DE ZITTING

Namens klaagster wordt verband tussen de veiligheid in Nijmegen en de aanwezigheid van de Pompekliniek ontkend. Het CBS heeft vastgesteld dat de criminaliteit in Nijmegen sedert de komst van de kliniek niet is gewijzigd en dat haar aandeel daarin 1 1/2 % bedraagt, bestaande in betrekkelijk lichte delicten. In de afgelopen negen jaar heeft zich nooit agressieve criminaliteit met kinderen vanuit de Pompekliniek voorgedaan. Klaagster betwist niemand het recht om over de werkelijke vanuit de kliniek gepleegde delicten te schrijven wat hij wil, maar het is onnodig en onbehoorlijk de naam van de kliniek te betrekken in een beschouwing naar aanleiding van kindermoorden, terwijl dergelijke delicten nooit vanuit de Pompekliniek zijn gepleegd, en daarbij via een onjuist bericht over
een kampeerpartij van patiënten van de kliniek in Flevoland een verband te leggen met deze moorden, dat niet bestaat.
Betrokkenen zeggen dat de aanleiding tot de Kroniek werd gevormd door de kindermoord bij Waalre, de derde in een reeks waarin ook die op Terschelling behoorde, gepleegd door een pupil van een kinderbeschermingsinstelling te Enkhuizen tijdens een vakantiekamp van deze instelling op dat eiland. Dit was voor de schrijver het feitelijk verband met de Pompekliniek, gelegen in de kampeerpartij van een aantal verpleegden enige jaren geleden in Flevoland, die volgens de door betrokkenen ingewonnen informaties niet bij de politie was aangemeld. Het ruimere verband, door de schrijver in het thema gezag gezien, ligt in het dagelijks vóórkomen van recidive van verpleegden in Nijmegen.
In dit geval vond de schrijver het nodig, te waarschuwen tegen de mogelijkheid dat zoiets ook vanuit de Pompekliniek zou gebeuren. Er heerst in Nijmegen een diffuus gevoel van onveiligheid, dat door de kindermoorden weer naar voren kwam; betrokkenen konden er niet onderuit, daar uiting aan te geven. Zij willen geen heksenjacht tegen de kliniek, maar achten meer beveiliging broodnodig. Daarop heeft ook de gemeenteraad aangedrongen bij de minister van justitie. Nadat deze Kroniek gepubliceerd was, is door het ministerie ingegrepen in de leiding van de kliniek.
Betrokkenen vinden het juist dat klaagster zich in deze rechtstreeks tot de Raad heeft gewend en niet eerst met hen contact heeft gezocht.

OVERWEGINGEN

De Raad stelt het tweede punt van de klacht terzijde. In de kliniek bevinden zich volgens klaagster gestoorde, zij het dan geen ernstig gestoorde, delinquenten, die mede met het oog op het recidivegevaar in de kliniek zijn geplaatst. Het zou juister zijn geweest, te spreken van zware gestoorde delinquenten in plaats van zwaar gestoorde delinquenten en ernstige patiënten, maar in dit artikel dat handelt over een diffuus gevoel van onveiligheid onder de Nijmeegse burgerij, is deze nuance van onvoldoende belang.
Ook het derde bezwaar faalt. Klaagster heeft aangevoerd dat het kamp in juni 1972 met het hoofd van de politie in Dronten en met vertegenwoordigers van de politie te land en te water is voorbereid, maar dit is door de betrokkenen gemotiveerd betwist en is dus niet komen vast te staan.
Het eerste punt treft echter doel.
Kenmerkend voor het stuk is, dat het hamert op het aambeeld van slap optreden door het gezag tegen de criminaliteit, en daarbij gaat de schrijver uit van een door hem gepeild diffuus gevoel van onveiligheid onder de Nijmeegse burgerij. Natuurlijk mag een journalist op de wijze die hem daarvoor het doeltreffendst lijkt, knelpunten signaleren en die in verband brengen met de omstandigheden van de plaatselijke gemeenschap waarbinnen hij werkzaam is. Zo mocht ook betrokkene Adema bij zijn beschouwingen rond het thema gezag en onveiligheid mede de Pompekliniek betrekken, zoals hij doet in het begin van het tweede deel van zijn stuk. Maar de auteur gaat heel wat verder. Want hij noemt verderop in dit tweede deel in nauw verband met elkaar enerzijds de - volgens het artikel niet bij de politie aangemelde - kampeervakantie van de patiënten van de kliniek in Flevoland, en anderzijds een soortgelijke, niet aangemelde kampeerpartij op Terschelling die intussen ... kort geleden weer een onschuldig kind het leven gekost heeft. Deze passages suggereren verband tussen het kamperen van patiënten van de kliniek en het gebeurde op Terschelling dat een onschuldig kind het leven gekost heeft, welk verband niet bestaat: het Terschellingse kamp ging, zo staat tussen partijen vast, uit van een voogdij-inrichting en had niets met de kliniek te maken.
Klaagster heeft stellig op dit punt reden tot klagen. Betrokkene Adema zou er goed aan gedaan hebben, indien hij dit gedeelte van zijn stuk aanzienlijk zorgvuldiger had geformuleerd van betrokkene Gleichman had ten opzichte van dit voor de kliniek en de haar toevertrouwde belangen gevoelige punt groter zorgvuldigheid verwacht kunnen worden.

BESLISSING

De Raad betreurt dat betrokkenen niet de onjuiste suggestie hebben vermeden van een verband tussen de Pompekliniek en kindermoord.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van I mei 1975 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, prof . mr P. J. Boukema, mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1975, 2.