1975/1 gegrond

Beslissing van de Raad voor de JournalistieK inzake Mr P.L. Muller tegen Elseviers Magazine

Mr P. L. Muller te Hilversum (klager) heeft zich bij brieven van 9 en 22 april 1974 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer D. M. van Rosmalen, hoofdredacteur van Elseviers Magazine te Amsterdam (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarop klager heeft gerepliceerd; betrokkene heeft afgezien van dupliek. Daarna heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld in de zitting van 13 maart 1975, waar zowel klager als betrokkene zijn verschenen.

DE KLACHT

De grieven van klager laten zich als volgt samenvatten.

Op of omstreeks 8 oktober 1973 is klager met betrokkene overeengekomen dat een door hem beschreven en met foto's geïllustreerd artikel over de problematiek van de Koerden in een der komende nummers van Elseviers Magazine zou worden opgenomen. Klager zond daartoe twee versies van de tekst in, terwijl mondeling werd overeengekomen dat de redactie de gekozen tekst, waar nodig, stilistisch zou aanpassen.
Na publikatie van het artikel in Elseviers Magazine nr 44 van 3 november 1973 bleek klager dat de redactie zonder enig overleg met de auteur het artikel zodanig had gewijzigd door toevoegingen, redactionele kop, inleidende tekst en fotobijschriften, dat de strekking ervan was aangetast. Klagers artikel legde geen verband tussen de Koerdenproblematiek en de Arabische politiek ten opzichte van Israël. De redactie bracht dat verband juist wel aan. Zij wijzigde klagers titel Nieuwe kansen voor de Koerden? in De nieuwe oorlog. De door klager geschreven inleiding was vrijwel geheel vervangen door een stuk van de hand van de redactie, gebaseerd op berichten, die na het inleveren van het artikel in de Nederlandse en een deel van de internationale pers opdoken betreffende een Koerdische 'aanval in de rug' op het Iraakse leger kort nadat dit in de oktoberoorlog tegen Israël betrokken raakte, berichten die klager onjuist en valselijk geïnspireerd voorkwamen en die achteraf ook volstrekt onjuist bleken te zijn geweest. Verder werden door klager verstrekte foto's voorzien van onderschriften als Israël als voorbeeld en mannen opnieuw aan het front.
Voorts bleken de laatste twee alinea's van het artikel redactioneel geheel te zijn omgewerkt en van een visie te zijn voorzien, afwijkend van die van de auteur, eindigend met de zin: En wat een kleine natie met de moed der wanhoop vermag, toont de strijd van Israël, terwijl de indruk werd gewekt dat dit de tekst en visie van klager waren.
Indien de redactie meende dat zij, op grond van haar wetenschap, het artikel deze oorlogsstrekking moest geven, dan had zij, naar klagers mening, daaromtrent met de auteur tevoren overleg moeten plegen. Dit is niet gebeurd.
Klager acht zich in zijn belangen geschaad, omdat door de wijze waarop zijn artikel is gepubliceerd een verkeerde indruk omtrent zijn kennis en inzichten ter zaken van de Koerdische problematiek wordt gewekt. Hij heeft in een brief van 27 december 1973 zijn bezwaren aan betrokkene kenbaar gemaakt, waarop eerst op 21 maart 1974, na een tweede brief van klager, werd gereageerd door de secretaresse van betrokkene. Na terugkeer van een buitenlandse reis nodigde betrokkene in een brief van 28 maart 1974 klager uit voor een gesprek over deze zaak, hetgeen klager toen niet als een adequate reactie heeft beschouwd op zijn verzoek om een uiteenzetting over de wijze van publikatie van zijn artikel. Hij heeft zich vervolgens tot de Raad gewend.

HET VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene voorop dat de grieven van klager voortkomen uit diens onkunde omtrent de journalistieke verantwoordelijkheden en gebruiken.
In zijn antwoord van 2 april 1974 op betrokkenes brief heeft klager hem een ultimatum gesteld door te schrijven:

'In dit stadium heb ik geen behoefte aan zulk een gesprek, doch slechts aan een schriftelijke uiteenzetting van uw zijde, welke ik gaarne vóór 15 april a.s. van u erwacht te ontvangen. Mocht u niettemin op een gesprek insisteren, dan ben ik bereid daaraan mede te werken, indien dit gesprek voor laatstgenoemde datum plaats vindt en u zich er tevoren schriftelijk mee akkoord verklaart dat van het volledige gesprek een bandopname wordt vervaardigd die tot mijn beschikking zal staan'.

Betrokkene meent dat dergelijke ultimata onder collega-journalisten onbehoorlijk, althans ongebruikelijk zijn; hij is er niet op ingegaan.

Wat de afzonderlijke grieven betreft het volgende.

De inleiding tot het artikel is niet ingrijpend gewijzigd doch geheel vervangen door een stuk van de redactie, hetgeen blijkt uit het slot: De problemen van de Koerden in het Midden-Oosten worden in onderstaande reportage belicht door P. L. Muller...

Wat de titel aangaat:

het is in de journalistiek een noodzakelijke gewoonte een artikel te 'koppen' naar eigen stijl. De headline Koerdistan - De nieuwe oorlog dekt de inhoud van het artikel. De redactie hoeft daarvan tevoren geen rekening en verantwoording af te leggen aan de auteur. Ook het zelf formuleren door de redactie van de onderschriften bij de geplaatste foto's is, zeker wanneer de auteur zelf geen adequate onderschriften bij zijn kopij voegt, naar betrokkenes mening overeenkomstig de journalistieke gebruiken.

Van de omwerking van de laatste alinea's van het artikel kan betrokkene zich niets herinneren, klager had twee versies van zijn artikel ingediend die - volgens betrokkenes oordeel - naar de stijl geen van beide geschikt waren om woordelijk te worden opgenomen. Hij heeft derhalve zijn chef buitenland verzocht, van deze twee teksten één goed geheel te maken. En hij heeft van dit verzoek aan klager telefonisch mededeling gedaan. Deze maakte daartegen geen bezwaar.
Niet alleen de Nederlandse, maar de hele internationale pers waren gekomen. Betrokkene meent dat het juist de taak was van de Nederlandse pers en ook van Elseviers Magazine, dit te melden, hetgeen in de redactionele inleiding van het artikel ook is gebeurd.
Voorts heeft betrokkene niet kunnen ontdekken dat de toevoeging en wijzigingen de kennelijke strekking hadden verband te leggen tussen de Koerdenproblematiek en de Arabische politiek tegenover Israël.

DE ZITTING

Klager geeft nog de volgende toelichting. Van de twee ingezonden versies van zijn artikel is één in het geheel niet gebruikt; in het andere zijn, behalve de ingrepen waartegen zijn klacht zich richt, slechts enige stilistische wijzigingen aangebracht waartegen hij geen bezwaar heeft.
Bij de ingezonden foto's heeft hij zelf geen onderschriften voorgesteld. Zijn bezwaar tegen de daarin toegepaste actualisering naar de oorlog toe geldt in de samenhang met de `andere ingrepen: andere titel, vervanging van de inleiding, herschrijven van de twee slotalinea's.
Zijn belangrijkste bezwaar betreft dit slot, nu - anders dan bij de inleiding die kennelijk van redactiezijde is toegevoegd, en de kop en foto-onderschriften die nog aan de redactie zouden kunnen worden toegeschreven - er geen enkele indicatie is dat die twee alinea's niet van de hand van klager zijn.
Tussen de inzending van de kopij en de publikatie verschenen in de internationale pers berichten - waarvan klager de juistheid betwijfelde - over een nieuwe gewapende actie van de Koerden. Naar zijn mening had de redactie van Elseviers Magazine ' deze moeten controleren op hun waarheidsgehalte. Maar vooral had de redactie overleg moeten plegen met de auteur van het artikel, toen zij die wilde verwerken in diens tekst, nu het een nieuwe gebeurtenis betrof omtrent het onderwerp van dit artikel die zich voordeed nadat het stuk was ingezonden.
Dit is een zorgvuldigheidseis die in het bijzonder ten opzichte van freelancemedewerkers in acht moet worden genomen.
Betrokkene voert aan dat de chef van de redactie buitenland van Elseviers Magazine meermalen telefonisch overleg heeft gepleegd met klager tussen de inzending en de plaatsing van diens artikel en legt de volgende verklaring d.d. 13 maart 1975 van genoemde redactiechef over aan de Raad:
'Voorafgaande aan de publicatie in Elseviers Magazine d.d. 3 november 1973 van een artikel over de problemen van de Koerden in Irak, heb ik verschillende malen telefonisch contact gehad met de heer P. L. Muller. Ik heb tevoren de heer Muller, die aandrong op plaatsing, medegedeeld op welke wijze zijn artikel door mij geredigeerd zou worden. Met name de overeenkomst tussen de wanhopige strijd van de Koerden, die vandaag wederom op dramatische wijze in het nieuws is gekomen, en de problematiek van Israël is door mij met de heer Muller besproken. Deze sloot zich volkomen aan bij hetgeen ik hierover ter sprake bracht, en maakte geen bezwaar tegen vermelding hiervan binnen het kader van zijn artikel. Het is dan ook bijzonder verwonderlijk dat de heer Muller zich achteraf beklaagt over de wijze waarop zijn bijdrage is geredigeerd. Dit temeer omdat de heer Muller bij mij verschillende malen telefonisch heeft aangedrongen dat ik zijn artikel zou plaatsen, hetgeen ik pas deed toen de actualiteit mij hiertoe aanleiding gaf; een actualiteit die besloten lag in een opleving van de strijd in Irak welke door meerdere internationale bladen gemeld werd. Wat mij tevens bijzonder heeft verwonderd is dat de heer Muller zijn bezwaren nimmer aan mij persoonlijk heeft kenbaar gemaakt, terwijl hij om zijn artikel geplaatst te krijgen, meermalen de moeite heeft genomen mij persoonlijk te benaderen.' Wat de juistheid van de berichten over de nieuwe opstand van de Koerden betreft, deze waren door alle grote internationale persbureaus verspreid; betrokkene meent dan daarop te mogen afgaan en ze te moeten publiceren.
Klager antwoordt daarop dat hij zich niet meer kan herinneren wat hij met de redactiechef buitenland heeft besproken, in elk geval niet het nieuwe feit van de Koerden-'opstand' en de overeenkomst daarvan met de problematiek van Israël, anders zou hij zich wel ertegen verzet hebben en zich dit herinneren. Dat persbureaus soms zeer onbetrouwbaar zijn is in dit geval gebleken: de 'nieuwe oorlog' van de Koerden is pas op 11 maart 1974 uitgebroken.

OVERWEGINGEN

Het door klager in twee versies aangeboden artikel legde geen verband tussen de Koerden-problematiek en de Arabisch-lsraëlische tegenstellingen, en het repte ook niet van een nieuwe opstand van de Koerden.
In het artikel zoals gepubliceerd is dat verband er wel. Bovendien legt die publikatie verband met de na de inzending van het artikel in de pers opduikende berichten over een nieuwe Koerden-opstand. Die verbanden zijn gelegd door middel van de boven klagers stuk geplaatste kop (zie a), de aan de foto's toegevoegde onderschriften (zie b) en doordat de redactie de door klager geschreven inleiding (zie c) alsmede de laatste twee alinea's van het stuk (zie d) heeft vervangen.
a. Klagers kop Nieuwe kansen voor de Koerden? is vervangen door De nieuwe oorlog.
b. De foto-onderschriften luiden onder meer: Grenspost naar 'Vrij Koerdistan '... met krissen tegen tanks... Generaal Barzani en Dr. Osman... Israël als voorbeeld..., Een Koerdische moeder... mannen opnieuw aan het front...
c. De redactionele inleiding bevat onder meer de volgende passages: Het leger van Irak (...) raakte de afgelopen weken niet alleen slaags met Israël, maar met nog een andere strijdmacht, die van de Koerden; Kort nadat de Arabische krijgers zich opnieuw op Israël stortten laaide ook in Koerdistan de strijd weer op; Generaal Barzani is ook een fel tegenstander van de Arabische politiek tegen Israël; De problemen van de Koerden in het Midden-Oosten worden in onderstaande reportage belicht door P. L. Muller.
d. In de voorlaatste alinea van de publikatie worden de laatste twee van het oorspronkelijke stuk samengevat, met daaraan toegevoegd de zin: Opnieuw is de Koerdische minderheid in 'n bittere oorlog gewikkeld.
De laatste alinea van de gepubliceerde versie is geheel van de hand van de redactie van Elseviers Magazine en luidt aldus: Het gevecht is uitgebroken. Dat de tijd vóór hen werkt zeggen alle strijdende groeperingen in het Midden-Oosten. In elk geval staat één ding vast: de Koerden hebben zich in het verleden onverzettelijk getoond. Het ziet er niet naar uit dat zij ooit de moed zullen verliezen. En wat een kleine natie met de moed der wanhoop vermag, toont de strijd van Israël.
Het was betrokkenes goed recht om de lezers te wijzen op een verband tussen het Koerden-probleem en de Arabisch-Israëlische politiek, en de inmiddels verschenen berichten over een nieuwe
Koerden-opstand. Betrokkene was tot enig overleg daarover met klager niet gehouden, zolang voor de lezer maar duidelijk bleef, dat die mededelingen voor rekening van de redactie en niet van de auteur kwamen.
Aan die laatste eis is echter niet voldaan, De redactie heeft door kop en foto-onderschriften, door haar inleiding, en vooral ook door in het artikel zelf aan klager onder meer in de pen te geven: Het gevecht is uitgebroken en wat een kleine natie met de moed der wanhoop vermag, toont de strijd van Israël, aan klagers stuk een teneur gegeven, waartoe zij klagers instemming nodig had.
Nu is er ook na het onderzoek ter zitting tussen partijen geen eenstemmigheid over contacten en overleg tussen redactie en auteur ná de inzending van de beide versies van het stuk en vóór de publikatie. Klager heeft niet ontkend dat er nog contacten zijn geweest, maar hij bestrijdt met nadruk dat hij daarbij op de hoogte is gebracht van de vermelding binnen het kader van zijn artikel van de overeenkomst tussen de strijd van de Koerden en de problematiek van Israël en dat hij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.
Hoe dit ook zij, het is in de publikatie niet gebleven bij een binnen het kader van klagers artikel vermelden van die overeenkomst. Door de kop, de redactionele inleiding, de foto-onderschriften en de zinnen kort voor het einde van klagers artikel is voor de lezer aan het stuk een teneur gegeven die het tevoren niet had, en die het door de vermelding van die overeenkomst binnen het kader van het artikel alléén ook niet zou hebben verkregen.
De Raad schrijft deze betreurenswaardige gang van zaken toe aan het feit, dat men aan de kant van de redactie onvoldoende heeft laten meespelen, dat men niet te maken had met een journalist (in zijn verweerschrift duidt betrokkene de klager, die in het geheel geen journalist is, ten onrechte aan als een collega-journalist maar geen vak-journalist), en zich niet de noodzaak heeft gerealiseerd, nauwkeurig na te gaan of de klager zich met de uit de aangebrachte kop, toevoegingen en wijzigingen voortvloeiende verandering van teneur wel kon verenigen. Betrokkene heeft in dit opzicht niet met de nodige zorgvuldigheid tegenover de belangen van de auteur gehandeld.
De vraag zou nog gesteld kunnen worden of het geschil niet op een andere wijze tot een oplossing had kunnen komen. Enerzijds ware hierbij te denken aan een ingezonden stuk van klager over de aangebrachte wijzigingen en zijn bezwaren daartegen, dat betrokkene in deze situatie niet ter zijde kon leggen, anderzijds had betrokkene wellicht iets sneller kunnen reageren op klagers brief van 27 december dan hij nu gedaan heeft, en waardoor het geschil geëscaleerd is. De Raad betreurt dat geen van beide gebeurd is.

BESLISSING

Betrokkene heeft door het geven van een bepaalde, niet door de auteur beoogde, strekking aan een artikel zonder voldoende voorafgaand overleg met deze auteur, in het bijzonder nu het hier een niet-journalist betrof, onzorgvuldig gehandeld en hij heeft daarmee de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 13 maart 1975 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, prof . mr P. J. Boukema, mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma en drs J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1975, 1.