1974/9 gegrond

Tandartsen contra Accent

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Ned. Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde tegen Accent

Het Hoofdbestuur van de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde te Utrecht (klaagster), heeft per brief van 28 augustus 1974 bij de Raad een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het weekblad Accent en tegen de heren D. Molanus en J. Deltenre, redacteuren van dit blad (betrokkenen). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de heer H. Knoop, waarnemend hoofdredacteur van Accent, een brief ingezonden, mede namens beide andere betrokkenen, waarna klaagster heeft gerepliceerd. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 6 november 1974, waar zijn verschenen voor klaagster Mr. J. G. Kramer, secretaris van het Hoofdbestuur, en G. C. Swaneveld, medewerker Afdeling Externe Voorlichting van klaagster. Betrokkenen hebben op de oproep voor de zitting geantwoord daaraan geen gevolg te zullen geven. Tegen hen verleent de Raad verstek.

DE KLACHT

De klacht heeft betrekking op een in het nummer van Accent van 3 augustus 1974 (nr. 31) gepubliceerd artikel met de titel 'De tandarts boort zich steenrijk', ondertekend met de namen Dietert Molanus en Jaap Deltenre, op het omslag aangekondigd met de titel, gedrukt over een tekening van Cork waarop de tandarts naast de patiënt op de stoel staat met de hand aan het kasregister. De klacht is drieledig en wordt hieronder nader uiteengezet.

HET ANTWOORD VAN ACCENT

Betrokkene Knoop heeft, mede namens de beide andere betrokkenen, op het verzoek om een verweerschrift geantwoord met een brief van 2 september 1974, waarin hij ingaat op de klacht en die hij aldus besluit: 'Voorts deel ik u voor de goede orde mede, dat ik deze uiteenzetting niet heb gegeven omdat ik mij aan het gezag van uw Raad meen te moeten onderwerpen, doch uitsluitend van oordeel ben dat een reactie mijnerzijds u beter in staat stelt deze klacht in behandeling te nemen. Een behandeling waaraan ik mijnerzijds niet verder zal meewerken. De heren Molanus en Deltenre sluiten zich volledig aan bij hetgeen in deze brief is gesteld en zien ook hunnerzijds af van het schrijven van een formeel verweerschrift'.
De verdere inhoud van deze brief wordt hieronder nader aangehaald.

DE DRIE PUNTEN VAN DE KLACHT

In het volgende worden de onderdelen van de klacht zoals nader toegelicht ter zitting, tezamen met de opmerkingen van betrokkenen daarover, een voor een behandeld.

1 . De feitelijke gegevens

Klaagster stelt dat het artikel geheel zonder medewerking en medeweten van de Maatschappij is tot stand gekomen; exacte gegevens zijn niet opgevraagd. Het artikel suggereert dat dit wel het geval is, b. v. door in de eerste alinea een reeks cijfers te geven over de capaciteit van de tandheelkundige verzorging (aantal tandartsen en aantal patiënten per tandarts), en door de zin: 'Een woordvoerder van het bureau te Utrecht formuleerde het aldus: 'Er is helemaal geen tandartsentekort. Er is alleen een veel te grote toeloop van patiënten. Door teveel zoetigheid te eten. Door vaak de eigen tandverzorging te verwaarlozen. Door de tegenwerking op het fluorideringsbeleid'.'
Voor het contact met journalisten en andere belangstellenden heeft klaagster een Afdeling Externe Voorlichting ingesteld om te kunnen voldoen aan verzoeken om gegevens. In het onderhavige geval heeft de heer Molanus wel het Maatschappijbureau benaderd waarbij hem het adres van het hoofd van de Afd. Externe Voorlichting is gegeven, maar de betrokken journalisten hebben met deze geen contact opgenomen. Toen later werd nagegaan of de heer Molanus op de beoogde wijze van gegevens was voorzien, deelde deze mee dat hij het hoofd van de Afd. Externe Voorlichting wegens vakantie niet had kunnen spreken. Hij zei overigens, verdere informaties niet nodig te hebben.
Betrokkene Knoop schrijft over dit punt:

'De verslaggevers Molanus en Deltenre hebben naar beste eer en geweten en volgens gangbare journalistieke normen hun reportage gemaakt. Zij hebben (...) wel degelijk contact met de Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde opgenomen en een woordvoerder om informatie gevraagd en deze ook verkregen. Opzet van de reportage was niet wie dan ook in zijn beroepseer te kwetsen doch om duidelijk te maken, dat het met de tandheelkundige medische ethiek droevig is gesteld. Als proef op de som belden de heren Molanus en Deltenre een 20-tal willekeurige tandartsen hier te lande, kiespijn simulerend. In slechts twee gevallen vonden zij tandartsen bereid medische hulp te verstrekken, zij het niet onmiddellijk. Duidelijk kwam uit hun research naar voren, dat wil men tandheelkundige hulp krijgen, zwaar met de geldbuidel dient te worden gerammeld. Alle gegevens met betrekking tot de tarieven, inkomens en honoraria van de tandarts putten de heren Molanus en Deltenre uit het Nederlandse Tandartsenblad en uit het boekje 'Na het afstuderen, wat dan?' Overigens is het zinvol Uw raad er verder nog op de hoogte van te stellen, dat de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde een tweede aanbod tot het schrijven van een weerwoord heeft afgeslagen'.

Klaagster stelt hiertegenover dat de gegevens, geput uit het Tandartsenblad, niet correct, uit hun verband gerukt en generaliserend zijn weergegeven. Het door betrokkene genoemde boekje is een uitgave van het Bemiddelingsbureau van de Maatschappij bestemd voor afgestudeerden, waarin uitvoerige inlichting worden verstrekt over alle mogelijke facetten van de praktijkvoering, niet alleen over de financiële aspecten en de praktijkopbouw, maar ook over de beroepsethiek. Het artikel citeert er onvolledig uit, waardoor een geheel vertekend beeld van het door klaagster voorgestane vestigingsbeleid wordt gegeven.
Desgevraagd verklaart de heer Swaneveld dat hij het eerste telefonische contact met de heer Molanus heeft gehad. De geciteerde uitspraak, die hij niet aldus heeft gedaan, was een onderdeel van een uitvoeriger gesprek waarin hij enige informaties heeft verstrekt alvorens door te verwijzen naar het hoofd van de Afd. Externe Voorlichting. Met uitzondering van het citaat is dus het gehele artikel zonder medewerking van klaagster tot stand gekomen. Het artikel had bij klaagster moeten worden afgecheckt. Vooral betreft dit de onjuiste, veel te hoge gegevens over inkomens. Klaagster heeft op de publikatie van het artikel gereageerd met het verzoek aan Accent om opname van een ingezonden brief met overneming van het hoofdartikel van het Nederlandse Tandartsenblad, aan deze zaak gewijd. Dit werd geweigerd. Van een tweede aanbod is klaagster niets bekend.

2. De teneur van het stuk

De teneur van het artikel kan volgens klaagster slechts leiden tot de conclusie dat het de schrijvers erom te doen is geweest bewust de Nederlandse tandartsen als groepering in een kwaad daglicht te stellen. Dit blijkt zowel uit de omslag-voorpagina als uit de introductie van het artikel in het hoofdredactionele stuk 'Tekst en Uitleg', waarin o.m. is te lezen: 'Accent-verslaggevers Dietert Molanus en Jaap Deltenre boorden in het zelfgenoegzame tandartsengilde; ... Ook doken zij in de honoraria die onze tandartsen toucheren. Voor een jaarinkomen van 300.000 tot 400.000 gulden draait een beetje tandarts zijn hand niet om'. De conclusie van de schrijvers lijkt: de Nederlandse tandarts is het in het algemeen om geld te doen. Dit 'Leitmotiv' ligt aan het gehele artikel ten grondslag. Betrokkene Knoop schrijft hierover:

'Ik kan mij voorstellen, dat de onderhavige reportage een bittere pil moet zijn geweest voor die tandarts, die zijn beroep wel naar beste eer en geweten uitoefent. Desalniettemin ben ik van mening dat de verslaggevers in sterke mate het openbaar belang met hun journalistiek produkt hebben gediend'.

Mr Kramer voert aan dat een artikel in een opinieweekblad niet objectief behoeft te zijn, maar dat wel de feiten waarop de weergegeven opinie berust juist moeten zijn. Dit nu is naar klaagsters mening niet het geval met de cijfers over de inkomens van tandartsen. Voortdurend worden de uitoefening van de tandheelkunst in particuliere praktijk en in dienstverband door elkaar gehaald; men vergeet dat ook de ziekenfondspraktijk in de particuliere sector valt. Via onjuiste sprongen wordt de slotconclusie van het artikel bereikt: 'Het zijn de tandartsen zelf die de verdenking op zich laden de medische dienstverlening ondergeschikt te maken aan de hoogte van hun inkomen. De tandarts beschouwt een hoog banksaldo als de kroon op zijn carrière. Een gouden kroon'. Het is de vraag of deze wijze van opiniëren zinvol is.
Op de vraag waarom klaagster heeft gereageerd met het verzoek om publikatie van een brief waarin de schrijvers van het artikel en 'geest van kwaadwilligheid' wordt geweten en van een hoofdartikel uit het Nederlands Tandartsenblad dat in een stijl is geschreven vergelijkbaar met die van het betwiste artikel ('Men kan medelijdend zijn schouders ophalen over dit laag bij de grondse geschrijf.') in plaats van te komen met een cijfermatige zakelijke weerlegging, b.v. door het geven van het mediaan-inkomen van een tandarts, antwoordt Mr Kramer dat die gegevens moeilijk zijn te krijgen omdat de tandartsen die gegevens zelf vaak niet bij de hand hebben. Hij had graag willen weten hoe men is gekomen aan de 300.000 tot 400.000 gulden. Of daarbij rekening is gehouden met het voor tandartsen geldende onkostenpercentage van 50% (instrumenten, materiaal, assistentie e.d.) en met de voor eigen rekening komende oudedagsverzorging is niet uit het stuk te lezen. Op grond van gegevens van enige jaren geleden komt hij, omgerekend, op een gemiddeld belastbaar inkomen van 90.000 tot 120.000 gulden. In de ingezonden brief aan Accent heeft klaagster dat niet opgenomen.

3. Kwetsende uitdrukkingen

Klaagster noemt als zodanig: 'Men wordt botweg geweigerd, zelfs in acute gevallen van kiespijn', '... het zelfgenoegzame tandartsengilde', 'Voor een jaarinkomen van 300.000 tot 400.000 gulden draait een beetje tandarts zijn hand niet om'. Verder de woorden 'steenrijk', 'het elitaire denken van het tandartsengilde', en vooral de, ook in het onderschrift bij een foto voorkomende, driemaal gebruikte kwalificatie van de tandarts als 'een zakenman in slagersjas'. Voorts wordt de inhoud van het Nederlands Tandartsenblad, dat zoals de schrijvers hadden kunnen weten als 'maatschappelijk' blad fungeert naast het wetenschappelijk ingestelde Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde, in het belachelijke getrokken. De kritiek op het 'voor buitenstaanders hoogst amusante boekje 'Na het afstuderen, wat dan?' geeft een vertekend beeld ervan.
Betrokkene Knoop schrijft: 'Ik heb er geen behoefte aan puntsgewijze op de bij Uw Raad binnengekomen klacht te reageren en meen mij daarom tot deze algemene uiteenzettingen te moeten beperken.'
Mr Kramer licht toe dat 'Botweg weigeren' kwetsend is omdat op aandringen van klaagster steeds meer wordt gedaan aan avond- en weekenddiensten. Verder kan niet iedere behandeling zo maar worden onderbroken voor plotselinge pijnklachten. Klachten over .weigeringen worden door klaagster verwezen naar haar College van rechtspraak. Het driemaal voorkomende 'zakenman in slagersjas' wordt als uitermate kwetsend ervaren.

OVERWEGINGEN

Betrokkenen hebben in een opinieweekblad een stuk gepubliceerd dat en naar inhoud en naar presentatie voor de lezer duidelijk maakt dat hij hier niet te doen heeft met objectieve informatie, niet met nieuwsgaring of -verspreiding, maar met een fel stuk dat door het werpen van een eenzijdig licht de aandacht wil vestigen op bepaalde, naar het oordeel van de auteurs ongewenste, aspecten van de tandheelkundige verzorging in ons land. Zulke opiniërende stukken horen bij de journalistiek en van het schrijven daarvan kan men de betrokkenen geen verwijt maken, en evenmin van het feit, dat zij zich daarbij bediend hebben van formuleringen en uitdrukkingen die hen over wie het stuk gaat onaangenaam treffen, zoals: 'boren in het zelfgenoegzame tandartsengilde', 'steenrijk', 'het elitaire denken van het tandartsengilde'. Zulke uitdrukkingen, die eigenlijk meer zeggen over de opvattingen van de auteurs zelf dan over de tandheelkundigen, zijn bij eenzijdige stukken als dit moeilijk te vermijden. Ook is het aanvaardbaar dat men, als men zo'n stuk wil schrijven, uit de beschikbare gegevens - het Nederlands Tandartsenblad, het boekje ' Na het af studeren, wat dan ? ' - alleen die gegevens gebruikt die zich daartoe lenen.
Maar wel moet men ook bij het schrijven van zo'n artikel zorgvuldig zijn ten opzichte van de juistheid van de gebruikte gegevens. blijken die achteraf onjuist, dan past rectificatie. En ook aan het gebruik van negatief gekleurde uitdrukkingen wordt tussen voor de getroffenen onaangenaam en kwetsend een grens gesteld. Wordt die overschreden, dan verdient dat afkeuring en past verontschuldiging. Wat de feitelijke gegevens aangaat: de klacht treft doel voorzover in Accent heeft gestaan dat 'voor een jaarinkomen van 300.000 tot 400.000 gulden een beetje tandarts zijn hand niet omdraait'. De Raad weet niet op welke gegevens deze uitlating steunt en kan dus ook niet beoordelen of die gegevens hadden behoren te zijn afgecheckt. In elk geval zijn betrokkenen op dit punt duidelijk tekortgeschoten in zorgvuldigheid door niet nader aan te geven of deze cijfers de bruto jaaromzet het besteedbaar inkomen of iets anders omvatten: tandartsen hebben hoge apparatuur-, materiaal- en assistentiekosten en moeten zelf voor hun oudedagsvoorziening zorgen, en dat hadden betrokkenen niet buiten beschouwing mogen laten. Klaagster had hier aanspraak op rectificatie; maar het kan aan betrokkenen niet verweten worden dat het daartoe niet is gekomen. Klaagster heeft wel een brief aan Accent geschreven, waarin zij haar grote teleurstelling uitsprak over het stuk in kwestie en waarin zij vroeg deze reactie in Accent op te nemen alsook het hoofdartikel dat zij in het Nederlands Tandartsenblad had geplaatst, maar daarin staat - anders dan men bij dit kernpunt van haar bezwaren tegen Accent zou hebben kunnen verwachten - geen enkel zakelijk gegeven hoe het met de inkomens
positie van de tandarts dan wel is gesteld.
Iets dergelijks geldt voor de zin: 'Men wordt botweg geweigerd, zelfs in acute gevallen van kiespijn'. Betrokkenen hadden, gelet op de uitkomsten van hun telefoongesprekken, redenen om aldus te schrijven; klaagster heeft daar tegenover omtrent de tandheelkundige noodhulp ter zitting een uiteenzetting gegeven, maar daarover heeft zij in haar brief aan Accent met geen woord gerept.
Voor het overige heeft klaagster de in het stuk voorkomende feitelijke gegevens niet betwist. Klaagsters stelling, dat de auteurs hun gegevens bij haar hadden moeten afchecken, komt daardoor op dit punt in de lucht te hangen. Kennelijk mochten de betrokkenen deze -- afgezien van de gegevens over het inkomen, hierboven besproken--voldoende betrouwbaar achten, en dan moet het verder aan de journalist worden overgelaten te beoordelen of hij daaraan voldoende heeft voor het artikel dat hij wil schrijven. Natuurlijk is het voor klaagster jammer dat de journalist geen gebruik maakt van haar voorlichtingsapparaat, en haar daarmee de kans ontgaat hem van verder materiaal te voorzien; maar de journalist is daartoe uiteraard niet verplicht.
Wat tenslotte de gebezigde formuleringen en uitdrukkingen aangaat, die door klaagster zijn aangewezen: alleen de tot driemaal toe gebruikte uitdrukking 'een zakenman in slagersjas' is niet enkel kwetsend voor zakenlieden en slagers, maar gaat ook ten opzichte van de tandartsen over de schreef, omdat zij kwetsend is voor de tandartsenstand in zijn geheel.

BESLISSING

Betrokkenen hebben door een, volstrekt ongeclausuleerd, zeer hoog jaarinkomen van de tandarts te noemen en door het herhaaldelijk gebruik van een nodeloos kwetsende uitdrukking omtrent de stand der tandartsen de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 november 1974 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mevrouw H. van den Horst-de Both, drs J. M. M. van der Pluijm, ing. O. Postma en drs L. F. Tijmstra, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 9.