1974/8 onthouding oordeel

Prof. dr L. de Jong contra Accent

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Prof. de Jong tegen Accent.

Prof. Dr L. de Jong (klager) heeft als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) te Amsterdam én als auteur van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog per brief van 25 maart 1974 bij de Raad een klacht ingediend tegen de toenmalige hoofdredacteur van Accent, C. Bauer te Huizen (betrokkene).
Tijdens het voorlopige onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarna repliek en dupliek gevolgd zijn. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 6 november 1974, alwaar als gemachtigde van klager is verschenen drs A. H. Paape. Betrokkene heeft bericht, verhinderd te zijn, doch tegen behandeling van de klacht buiten zijn aanwezigheid geen bezwaar te hebben.

DE KLACHT

Klager heeft op 6 maart 1974 aan verschillende Nederlandse persorganen - waaronder Accent - exemplaren van de wetenschappelijke en de populaire uitgave van de eerste helft van deel vijf van zijn werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog toegezonden. Daarbij was een door klager ondertekend schrijven ingesloten, waarin o.m. de mededeling was opgenomen: Deel 5 eerste helft ligt onder een embargo dat afloopt op donderdag 21 maart om 12 uur 's middags.
Op de namiddag van 20 maart was echter reeds Accent nr 12, hoewel gedateerd 23 maart 1974, verschenen en in de kiosken in Den Haag verkrijgbaar. In dat nummer van Accent werd uitvoerig: aandacht besteed aan klager's boek, dat ook aan Accent onder embargo tot 21 maart 12.00 uur was toegezonden. Hierdoor is de embargoregeling door de hoofdredactie van Accent verbroken.
De belangen van het RIOD en van de auteur zijn in hoge mate gediend met het handhaven van de bestaande goede verhoudingen met de Nederlandse persorganen. Deze verhoudingen worden door embargoregelingen bevorderd, door verbreking van zulke afspraken worden die belangen in ernstige mate bedreigd.
Klager heeft bij de behandeling der zaak aan deze klacht nog het volgende toegevoegd:
Het gaat hier om een embargoregeling, zoals die reeds meer dan twintig jaar toepassing vindt.
De belangstelling van het publiek voor de resultaten van de onderzoekingen van het RIOD is groot. Het instituut heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de lezers van de pers, van welke richting dan ook, er recht op hebben gelijktijdig omtrent die resultaten in kennis te worden gesteld. Bij de embargoregeling wordt geen enkel dagblad bevoordeeld noch benadeeld. Wèl worden de weekbladen door elke embargo benadeeld, tenzij het embargo samenvalt met het tijdstip waarop de eerste exemplaren van de weekbladen verkrijgbaar zijn.
De afloop van het embargo is, te beginnen met deel vijf van klagers werk, van de dinsdag naar de donderdag verschoven, en wel omdat de Staatsuitgeverij, die groot financieel risico draagt, prijs stelde opeen verschijningsdatum die dichter bij de zaterdag gelegen was; de dagbladen tellen op dinsdag als regel minder pagina's dan op andere dagen; en bovendien was gebleken, dat de weekbladen niet dan bij hoge uitzondering onmiddellijk aandacht besteedden aan de publikaties van het RIOD.
De embargoregeling draagt er toe bij dat de bladen voldoende tijd wordt gelaten om een verantwoord overzicht van de betrokken publikatie samen te stellen, zonder dat zij door concurrentiemotieven tot een zo snel mogelijke publikatie gedwongen worden.
De huidige embargoregeling van het RIOD is o.m. op I mei 1974 opnieuw met de ca 40 persvertegenwoordigers die de persconferentie n.a.v. de verschijning van de tweede helft van deel vijf van klagers werk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog bijwoonden, besproken en vond daar algemene instemming.
Het RIOD zal eventuele suggesties van de Raad ten aanzien van een zo effectief en billijk mogelijke embargoregeling graag in overweging nemen.
Betrokkene heeft zich niet gerealiseerd dat zijn blad reeds op woensdagavond in de kiosken in de grote steden verkrijgbaar is. Hij betreurt deze beoordelingsfout. Betrokkene heeft in een telefoongesprek met klager een en ander uiteen gezet en zijn verontschuldigingen aangeboden welke door klager zijn aanvaard.

Ten aanzien van het embargo zelf merkt betrokkene het volgende op.

Het opleggen van een embargo is een maatregel die in toenemende mate door velerlei instanties zowel in de sfeer van de overheid als daarbuiten wordt toegepast, zonder dat van de dringende noodzaak daarvan duidelijk blijkt. Met name waar het publikaties door of vanwege de overheid betreft, dient die noodzaak voor de pers zeer duidelijk te zijn. In het onderhavige geval is betrokkene die noodzaak niet duidelijk geworden.
De door klager gevoerde embargopolitiek leidt er toe dat de weekbladen bewust ten opzichte van de dagbladen achtergesteld worden. Indien voor deze discriminatie een dringende noodzaak bestaat, zou het aanbeveling verdienen, die tegenover de weekbladen uiteen te zetten.
Bij de verdere behandeling zegt betrokkene dat klagers argumenten vóór de donderdag als embargodag hem niet overtuigen. Hij vraagt zich af of de Staatsuitgeverij exacte aanwijzingen heeft omtrent de invloed van de publikatie-datum der recensies op de omzet. Daarbij dient men te bedenken dat de weekbladen, wat dit soort publikaties betreft, waarschijnlijk een langere aandacht van de lezers hebben dan de dagbladen. Daarnaast zullen de dagbladen, wanneer ze de publikaties van het RIOD van voldoende belang achten, daarvoor óók in een nummer van geringere omvang plaats inruimen.

OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft erkend dat hij het embargo heeft aanvaard. Het gold dus voor hem. Hij heeft ook erkend, dat hij het embargo heeft verbroken, en tussen partijen staat vast dat dat het gevolg is geweest van een onzorgvuldigheid. Betrokkene heeft daarvoor aan klager zijn verontschuldigingen aangeboden en die zijn aanvaard.
Bij het onderzoek is verder gebleken dat de verschuiving van de afloop van de embargo's van het RIOD van de dinsdag naar de donderdag een benadeling van de weekbladpers oplevert. De Raad geeft klager in overweging in de toekomst de bijzonderheden van de aangeboden embargo-regeling na overleg met de pers uit te werken. Men moet ernaar streven te vermijden dat de hantering van deze embargoregelingen steeds tot begunstiging van de een ten koste van de ander leidt.
Bij het onderzoek is ook nog aan de orde gekomen de vraag of de door klager genoemde belangen aanleiding mogen geven tot embargoregelingen. Het antwoord dient in de eerste plaats te worden gezocht in de praktijk. De nieuwsverschaffer, die een embargo hanteert, verklaart zich bereid, aan de pers vertrouwelijk en onder voorwaarde van geheimhouding gedurende een vooraf bepaalde tijd, inlichtingen te geven. Men is aan een embargo alleen gebonden als men het heeft aanvaard. Tussen partijen staat vast, dat het RIOD met het oog op de genoemde belangen al vele jaren lang het embargostelsel hanteert, en dat de aangeboden embargo's door de pers algemeen worden aanvaard,zoals ook in dit geval de betrokkene heeft gedaan. De vraag of het embargo ook de moeite waard was, speelt voor de beoordeling van het gedrag van de journalisten die zich aan het embargo hebben gebonden geen rol; zij waren vrij dat te doen of te laten. En voor wat aangaat de journalist, die zich niet aan het embargo bond dient bedacht, dat het embargo-stelsel, correct gehanteerd, zowel voor de nieuwsverschaffer als voor de pers in haar geheel van aanzienlijke betekenis is. Ook hij die zich niet aan het embargo bond zal, indien hij eerder dan bij zo'n embargo voorzien wil publiceren, tegen elkander moeten afwegen het belang dat hij met die publikatie dient en het belang dat voor de pers met het embargo is gediend, en daarbij speelt uiteraard ook mede het gewicht van het door het embargo beschermde geheim.

BESLISSING

Nu betrokkene zijn verontschuldigingen voor de schending, door onzorgvuldigheid, van het embargo heeft aangeboden en deze zijn aanvaard, kan de Raad zich van het uitspreken van een oordeel onthouden.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het gaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 6 november 1974 door prof . mr Ch. J.Enschedé, voorzitter, mevr. H. van den Horst-de Both, drs J. M. M. van der Pluijm, Ing. O. Postma en drs L. F. Tijmstra, leden, in tegenwoordigheid van mr G. P. A. Aler, plv. secretaris.

RvdJ 1974, 8.