1974/6 ongegrond

Politiechef contra Dagblad voor Noord-Limburg

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Gerritse tegen het Dagblad voor Noord-Limburg

De heer E. C. C. M. Gerritse te Rosmalen, destijds hoofdinspecteur, waarnemend commissaris van Politie te Venlo, heeft per brief van 23 oktober 1973 een klacht bij de Raad ingediend tegen de heer M. Plukker te Venlo, hoofdredacteur van het Dagblad voor Noord-Limburg, als betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarna repliek en dupliek gevolgd zijn. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die deze heeft behandeld op de zitting van 13 juni 1974, waar zowel klager als betrokkene zijn verschenen.

DE KLACHT

De klacht, zoals omschreven in het klaagschrift en ter zitting nader door klager toegelicht, omvat het volgende.

Klager heeft sinds medio 1973 de taak waargenomen van de korpschef van de gemeentepolitie te Venlo, die met ziekteverlof was gegaan. Op 9 oktober van dat jaar werd hij benaderd door een redacteur van het Dagblad voor Noord-Limburg, die hem meedeelde dat een gepensioneerd brigadier van politie ter redactie een brief had laten lezen, bestemd voor de minister van binnenlandse zaken, waarin een aantal bezwaren tegen klager werden geuit, met het verzoek aan de minister een onderzoek hiernaar te doen instellen. De redacteur vroeg klager om commentaar op deze brief in verband met een eventuele publikatie.
De brief, waarvan de redacteur aan klager op diens verzoek een kopie had gegeven, bevatte diverse leugens en was naar klagers mening er uitsluitend op gericht zijn persoon te treffen. In een gesprek deelde hij de redacteur mede, op een dergelijke brief geen commentaar te willen leveren en publikatie onjuist te achten.
Op 10 oktober werd een gedeelte van de brief gepubliceerd in het Dagblad voor Noord-Limburg en in De Limburger onder de kop Hoofdinspecteur Venlo aangeklaagd. Klager stelt dat hierdoor zijn eer en goede naam zijn aangerand en dat de publikatie niet te rechtvaardigen valt óf met een beroep op het algemeen belang óf met een beroep op dringende nieuwsverspreiding. Betrokkene had op zijn minst de hem ter beschikking gestelde gegevens, alvorens ze te publiceren, moeten verifiëren bij de burgemeester als hoofd van de gemeentepolitie.

HET VERWEER

Betrokkene verweert zich, samengevat, als volgt.

De redacteur heeft de zaak correct behandeld. Het ging om het nieuwsfeit dat een oud-brigadier kenbaar had gemaakt een brief naar de minister van binnenlandse zaken te zullen zenden inzake aangelegenheden van het gehele politiekorps, die al langer - ook buiten toedoen van de briefschrijver - bekendheid hadden gekregen. De redacteur heeft erop toegezien dat de klacht van de oud-brigadier daadwerkelijk is verzonden naar de minister, hij heeft geconstateerd dat de envelop juist geadresseerd was en de brief, op verzoek van de schrijver, zelf ter post bezorgd. Meteen hierna is klager in de gelegenheid gesteld om zijn beoordeling van de gewraakte feiten te geven en desgewenst te doen publiceren. Hiervan wenste hij echter geen gebruik te maken.
Over het artikel merkt betrokkene op dat de berichtgeving is beperkt tot voor iedereen waarneembare zaken, die het beleid binnen het Venlose politiekorps betreffen, zoals de overplaatsing van een functionaris en het ziekteverlof van enige politiemensen. De klachten van de oud-brigadier die te zeer in het persoonlijke vlak lagen, zijn bij de berichtgeving buiten beschouwing gelaten.
Naar aanleiding van deze publikatie heeft een gemeenteraadslid vragen gesteld aan de burgemeester. Het antwoord op die vragen - zeker niet ongunstig voor klager - is uitvoerig in betrokkenes krant gepubliceerd. Betrokkene zou, als de briefschrijver zijn brief als ingezonden stuk aan de krant had aangeboden, die nooit geplaatst hebben. Maar nu hij werd gezonden naar de minister, was dit een nieuwsfeit dat publikatie rechtvaardigde.
Bij vergelijking met de tekst van de brief blijkt dat het betwiste artikel een strikt zakelijke weergave bevat van hetgeen de brief meedeelt over klagers beleid ten aanzien van een tweetal politiemannen, die overspannen zouden zijn geraakt sinds klager het roer in handen kreeg op het politiebureau in Venlo. Emotionele bewoordingen en aanvallen op klager in persoon zijn weggelaten. Het laatste deel van het artikel geeft, na de zin 'Hoofdinspecteur Gerritse verklaarde geen "officieel commentaar' te willen geven' nog een aantal opmerkingen van klager uit diens gesprek met de redacteur weer, die enig commentaar op de inhoud van de brief geven.
Verder is de inhoud van de brief in het stuk herhaaldelijk en nadrukkelijk voor rekening van de briefschrijver gelaten, terwijl in de eerste alinea de geadresseerde en de bedoeling van de schrijver duidelijk zijn weergegeven. Tot verificatie van het gestelde bestond daarom voor betrokkene geen enkele plicht. Klager is in de gelegenheid gesteld het zijne over de ter beschikking van de redactie staande informatie te berde te brengen. Dat hij daarvan geen of slechts een beperkt gebruik heeft gemaakt is zijn zaak.
Resteert de vraag of publikatie, ook in deze zakelijke vorm, gerechtvaardigd was. Klager acht zich in eer en goede naam aangetast door erin voorkomende onjuistheden. De Raad kan hem hierin niet volgen. Deze zijn in het stuk geheel voor rekening en verantwoording gelaten van de briefschrijver. Het zou slechts anders zijn wanneer het hier b.v . om een brief van een bekend querulant ging, maar daarvan is de Raad niets gebleken. Betrokkene heeft, op de zitting naar zijn argumenten voor publikatie gevraagd, aangevoerd dat het nieuwsfeit van de verzending van de brief aan de minister bijzonder gewicht kreeg doordat het de Venlose politie betrof, een orgaan van de gemeenschap met een weinig toegankelijk karakter, waarover moeilijk verifieerbare geruchten over spanningen binnen het korps in omloop waren. De Raad acht deze redengeving aanvaardbaar.

BESLISSING

De klacht wordt afgewezen, daar niet is gebleken van een onjuiste afweging van het belang der publiciteit tegen de belangen van klager bij niet-publikatie, en voorts omdat de beschikbare informatie met de vereiste zorgvuldigheid en na toepassing van hoor en wederhoor is gepubliceerd.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 13 juni 1974 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, en de leden prof . mr P. J. Boukema, mv H. van den Horst-de Both, drs L. Tijmstra en drs H. W. M. van Run, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 6.