1974/5 ongegrond

Huwelijksconsulente contra Tubantia

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake mevrouw Vonk tegen Tubantia

Mevrouw B. Vonk, erkend huwelijksconsulente te Ede, hierna te noemen klaagster, heeft met een brief van 8 oktober 1973 bij de Raad een klacht ingediend tegen mr J. W. de Bode, hoofdredacteur van het Dagblad Tubantia te Enschede, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarop repliek en dupliek gevolgd zijn. Daarna heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 25 april 1974, waar klaagster en betrokkene beiden verschenen zijn.

KLACHT

De bezwaren van klaagster laten zich, aan de hand van haar op de zitting gegeven toelichting, als volgt samenvatten.

Klaagster is huwelijksconsulente te Ede, en als zodanig erkend door de Raad van Toezicht op de Dienstverlening voor Huwelijkscontacten. Zij ijvert voor een verbetering van de kwaliteit van de huwelijksbemiddeling in ons land. Toen in de jaren 1967 tot 1970 in de pers een campagne werd gevoerd tegen malafide huwelijksbureaus had dat haar instemming, ook al trof die campagne soms ook de bona fide bemiddeling.
Klaagster vatte in juli 1973 het plan op het publiek via de pers attent te maken op de beperkingen en de mogelijkheden van huwelijksbemiddeling, geplaatst in het kader van de huidige bevolkingssamenstelling. Zij schreef daartoe brieven aan de redacties van een aantal dagbladen en tijdschriften binnen haar werkgebied.
Op zo'n brief reageerde een redacteur van de Amersfoortse Courant, die haar een interview afnam dat hij, samen met statistisch materiaal over aantallen ongehuwden per leeftijdsgroep en met gegevens van de Raad van Toezicht, verwerkte tot een artikel van omstreeks I 1/3 pagina. Klaagster had als voorwaarde voor het interview gesteld dat zij het artikel vóór publicatie ter inzage zou ontvangen om te bezien of het qua inhoud en opmaak gepubliceerd kon worden. Aan deze voorwaarde werd voldaan. Het artikel werd met volledige instemming gepubliceerd in de editie van 4 augustus 1973.
Onaangenaam verrast was klaagster echter toen een collega in Hengelo haar aandacht vroeg voor een artikel in Tubantia van 29 september 1973, dat een verkorte versie met gewijzigde koppen bleek te zijn van het oorspronkelijke stuk in de Amersfoortse Courant.
Zij heeft tegen dat stuk de volgende grieven. Uit het oorspronkelijke stuk is door weglating van enige essentiële alinea's en het vervangen van tussenkoppen als Twee op de tien en Zwendel een ander artikel ontstaan met een misleidend karakter, dat zonder haar voorkennis is gepubliceerd en waarvoor zij nooit een interview zou hebben toegestaan als zij deze weergave ervan had kunnen vermoeden. Zij meent dat deze handelwijze in strijd is met de journalistieke ethiek. Inmiddels is haar gebleken uit een brief van de interviewer, dat deze het artikel in onverkorte en ongewijzigde vorm heeft doorgegeven aan de Gemeenschappelijke Persdienst GPD, waarbij zowel de Amersfoortse Courant als het Dagblad Tubantia zijn aangesloten. De GPD heeft het stuk op de telex gezet en een aantal bladen heeft het gebruikt.
Klaagster acht dit onaanvaardbaar, daar andere redacties niets weten van de sfeer waarin het interview heeft plaatsgehad en van hetgeen tijdens dit interview is aangeduid als zeer belangrijk danwel bijkomstig. Een interview is een persoonlijke aangelegenheid; de journalistieke ethiek behoort de geïnterviewde een duidelijke bescherming te bieden. Als klaagster geweten had dat het artikel op de telex zou worden gezet, zou zij het interview niet hebben toegestaan.

VERWEER

Het verweer van betrokkene kan als volgt worden samengevat.

De redactie van Tubantia heeft de grondtekst van het artikel op 8 augustus 1973 ontvangen via de telex van de GPD. In de voorafgaande mededeling van de GPD aan haar leden stond niet vermeld-hetgeen trouwens eigenlijk nooit gebeurt--dat plaatsing alleen maar onverkort mocht plaatsvinden, noch enige andere voorwaarde voor overname. Voor overleg met klaagster of de schrijver van het stuk bestond geen enkele aanleiding; van afspraken van de schrijver met klaagster was de redactie van Tubantia niets bekend. Wanneer men
GPD-kopij gebruikt, wordt deze sterk bekort. In het onderhavige geval is er bij hoge uitzondering slechts zeer weinig weggelaten. Betrokkene meent dat de essentie van het artikel door de geringe wijzigingen geen geweld is aangedaan en dat van misvorming of kleuring van het interview geen sprake is.
Voor zover hem bekend bestaat er geen instructie van de GPD voor haar leden betreffende de behandeling van telexkopij.

BESCHOUWINGEN

Klaagster heeft twee grieven.

De eerste betreft de wijze van bewerking van het artikel door de redactie van Tubantia. Bij vergelijking van het oorspronkelijke met het betwiste stuk blijkt dat de bewerking heeft bestaan uit een bekorting van de tekst met ongeveer een kwart waarbij het overgenomen deel woordelijk ongewijzigd is gebleven, uit de toevoeging van andere illustraties, uit veranderingen in de koppen en uit het toevoegen van de woorden (Van onze correspondent) boven de eerste alinea.
Deze grief treft geen doel. De Raad kan klaagster niet volgen in haar stelling dat het artikel door de bewerking misvormd is of een misleidend karakter heeft gekregen, nu de geïnteresseerd lezer onder gewijzigde koppen dezelfde tekst kon aantreffen, zij het met
enige bekortingen die de Raad niet essentieel acht.

De tweede grief betreft de overneming van het artikel in een ander blad in gewijzigde vorm zonder medeweten van klaagster, terwijl tussen haar en de auteur van het stuk bindende afspraken waren gemaakt over inhoud en vormgeving bij de publikatie in de Amersfoortse Courant.
Ook deze grief snijdt geen hout. Betrokkene heeft zich bij de overname van het stuk van de GPD-telex gehouden aan hetgeen gebruikelijk is. Hem kan niet worden verweten dat hij geen rekening heeft gehouden met afspraken, gemaakt omtrent de oorspronkelijke publikatie: ze waren niet met hem gemaakt en hij kon ze niet kennen.
Klaagster is het slachtoffer van een wat ongelukkige samenloop van omstandigheden. Zij bedingt van de journalist die haar interviewen wilde de in de huidige journalistieke praktijk wat ongebruikelijke toezegging dat zij het stuk voordat het geplaatst wordt goedkeurt. Jammer genoeg realiseerde de journalist zich niet dat die toezegging, zodra zijn stuk op de GPD-telex was geplaatst, niet houdbaar kon blijken. De Raad maakt hem daarvan generlei verwijt; maar het lijkt wel leerzaam, op deze kant van het geval de aandacht te vestigen.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht op beide punten af, nu betrokkene op geen van beide een verwijt kan worden gemaakt.

De Raad besluit dit oordeel ter publicatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 25 april 1974 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, en de leden mr F. Kuitenbrouwer, ing. O. Postma, drs A. A. V. Tummers en H. A. Uilenbroek, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 5.