1974/3 ongegrond

Elsevier contra de Volkskrant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de NV Uitgeversmij Elsevier tegen de Volkskrant.

Drs R. E. M. van den Brink heeft als voorzitter van de Raad van Bestuur van de NV Uitgeversmaatschappij Elsevier te Amsterdam (klaagster) per brief van 9 mei 1973 bij de Raad een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Volkskrant, c.q. de redacteur van dit blad Martin Ruyter te Amsterdam (betrokkenen).
Tijdens het voorlopig onderzoek hebben betrokkenen een verweerschrift ingediend, waarna repliek en dupliek gevolgd zijn. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 20 maart 1974, waar voor klaagster zijn verschenen J. H. Verleur en drs K. van 't Zet, leden van de Raad van Bestuur van de NV Elsevier, en als betrokkenen drs J. M. M. van der Pluijm, hoofdredacteur van de Volkskrant, en M. H. J. Ruyter.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op een drietal publikaties in de Volkskrant, namelijk in de edities van 7 oktober 1972, en 5 en 8 mei 1973, en bevat de volgende algemene bezwaren.
In de publikaties staan halve waarheden, onwaarheden en onjuistheden over het sociale beleid van klaagsters concern. De bezwaren richten zich vooral tegen het door Martin Ruyter gesigneerde artikel Nieuw gebouw in Amsterdam geopend --Elsevier-personeel heeft weinig reden tot feestvreugde van 5 mei, waarvoor als actuele kapstok gold de opening van het nieuwe Elsevier-gebouw door prins Bernhard op 3 mei 1973. Het hele stuk ademt een geest die de lezer doet vermoeden, dat het bij Elsevier op sociaal gebied een rommeltje is, dat het personeel dood-ongelukkig is, dat er een enorm personeelsverloop is en dat er een dictatoriaal beleid wordt gevoerd. Klaagster betwist dit. Zij heeft een recht op hoor en wederhoor. Niet in een polemiek ná het verschijnen van het stuk, maar in een gesprek vóórdat de journalist een dergelijk stuk produceert. De betrokken journalist heeft niet de nodige zorgvuldigheid in acht genomen. Hij had op zijn minst zijn gegevens bij klaagster moeten verifiëren. Door dit na te laten heeft hij gehandeld in strijd met de journalistieke verantwoordelijkheid.

VERWEER

In hun verweer voeren betrokkenen, eveneens in algemene zin, het volgende aan.

De schrijver van het stuk van 5 mei heeft zijn gegevens geput uit een overvloed van interne Elsevier-stukken en uit gesprekken met personeelsleden van het concern. Uit de gegevens was slechts één conclusie. te trekken: de Elsevier-directie voert een achterlijk sociaal beleid. Deze gegevens zijn tot een zeer ingehouden artikel verwerkt. Wat de niet-toepassing van het principe van hoor en wederhoor betreft: aan dit principe zitten twee kanten. De journalist kan het toepassen, omdat hij ook de tegenpartij van zijn informant aan het woord wil laten of omdat hij over een bepaalde zaak het commentaar van de tegenpartij wil vernemen. In het eerste geval heeft wederhoor alleen zin, wanneer de informant feiten noemt die voor de journalist oncontroleerbaar zijn. Hij 'hoort' dan ook de tegenpartij en biedt de twee meningen aan de lezer aan, onder het motto: u ziet maar wat u ervan vindt. In het Elsevier-geval was de materie voor de verslaggever echter wel degelijk controleerbaar. Hij hoefde niet alleen af te gaan op uitspraken van informanten, maar kon de door hen verstrekte gegevens controleren aan de hand van een groot aantal stukken. Het was dus onnodig de Elsevier-directie om deze reden te horen. De verslaggever had de Elsevier-directie niettemin om commentaar kunnen vragen, maar hij achtte dit commentaar niet ter zake doende.
De schrijver heeft zich voor het schrijven van de stukken behoorlijk geïnformeerd. Betrokkenen houden hun beweringen over Elsevier staande, zij het dat zij erkennen dat het stuk van 5 mei op een ondergeschikt punt een vergissing bevat, waarvoor zij rectificatie zouden hebben overwogen, indien Elsevier dat destijds zou hebben gevraagd. Zo'n verzoek om rectificatie heeft betrokkene Van der Pluijm niet kunnen lezen uit de brief van 10 mei 1973, waarin drs van den Brink hem slechts mededeling deed van het indienen van een klacht bij de Raad.

PUNTEN VAN GESCHIL

De bezwaren van klaagster en het verweer van betrokkenen zijn, onder een aantal feitelijke aspecten door klaagster samengevoegd, op de zitting als volgt aan de orde gekomen.

1. Rapport Instituut voor Sociale en Bedrijfspsychologie

Het Volkskrant-artikel van 5 mei begint met de volgende alinea's:
'Al jarenlang kampt de Elsevier-directie met een onrustbarend groot personeelsverloop. Dat is voor een bedrijf een onvoordelige zaak. Vandaar dat de nieuwe directeur voor het sociale beleid, drs K. van 't Zet (op 1 januari 1972 in dienst) besloot, een onderzoek naar dat personeelsverloop te laten verrichten. De uitslag was uiterst somber. De geïnterviewde Elsevier-employés spraken zich zeer negatief uit over het arbeidsklimaat. Het onderzoek was in handen van de Stichting voor Sociale en Bedrijfspsychologie (Universiteit van Amsterdam). De rapporteurs onthouden zich van enig oordeel over het Elsevier beleid. Toch kan hun rapport alleen maar als een scherpe veroordeling van het sociale beleid bij Elsevier worden gelezen.
Het beeld dat de ondervraagden schilderen is somber. Er heerst bij Elsevier een nare sfeer, het werk is uitzichtloos en saai. Er zijn te weinig mogelijkheden om door te schuiven en 'hogerhand' wordt weinig dynamisch genoemd. Er heerst grote ontevredenheid over het salarisbeleid, vooral over de geheimzinnige sfeer, waarin dat op directioneel niveau wordt gevoerd. De onderzoekers benaderden ook bijna alle ex-Elsevier-employés, die van 1968 tot 1970 hun ontslag hadden genomen. Dat waren er enkele honderden. (Er was een verloop van 73 percent). Slechts 32 van hen wilden op vragen antwoorden. De anderen wilden met Elsevier niets meer te maken hebben. '

Klaagsters bezwaren zijn, dat uit het rapport een aantal zinnen wordt gelicht ten bewijze van wanbeleid. De mening van de rapporteurs wordt echter niet geciteerd; ook wordt voorbijgegaan aan het positieve initiatief dat met de opdracht tot deze rapportage werd genomen in het belang van de opbouw van een goed gefundeerd sociaal beleid. Gemeld wordt dat het personeelsverloop van 73% sloeg o pde jaren l968 tot l970; het rapport omvat echter de jaren l968 tot en met 1971 met dus een verloop van circa 18% per jaar, hetgeen zeker niet ongunstiger ligt dan het landelijk gemiddelde.
Betrokkenen erkennen, wat de cijfers betreft een vergissing te hebben gemaakt: het verloop van 73% betrof niet drie maar een kleine vier jaar. Maar de opdracht tot het rapport kwam veel meer voort uit verontrusting over het grote personeelsverloop dan uit een streven om het personeel bij het sociale beleid te betrekken. Verder beoogde het artikel niet een uittreksel uit het rapport te geven, de aanleiding tot het onderzoek en de aanbevelingen van de rapporteurs wezen erop dat er iets aan de hand was. Om dit duidelijk te maken is alleen een aantal gegevens gebruikt uit het zeer uitgebreide rapport. Het artikel is zo objectief mogelijk geschreven.

2. De ondernemingsraad

Het artikel zegt hierover o.m.:
'. . . ook het 1135 werknemers tellende Amsterdamse Elsevierbedrijf komt niet onder de wet uit die het verplicht, op I april 1973 een ondernemingsraad in werking te hebben. Die ondernemingsraad is er overigens nog altijd niet, maar het kan niet lang meer duren.... De president-directeur van Elsevier, drs R.E.M. van den Brink heeft de geboorte van een dergelijke raad echter altijd tegen kunnen houden.
Wel kreeg Elsevier in 1963 een personeelsraad, waarvan de directie altijd heeft beweerd, dat die alleen in naam verschilt van een ondernemingsraad maar dat is niet juist. Deze personeelsraad miste een van de belangrijkste rechten van een ondernemingsraad, namelijk het recht van beroep.
Volgens de Wet op de Ondernemingsraad van 1950 kunnen de ondernemingsraadsleden zich bij verschil van mening met de voorzitter, de directeur van de onderneming, beroepen op een bedrijfscommissie, die uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers is samengesteld. Maar in het reglement van Elseviers personeelsraad was de bedrijfscommissie vervangen door het college van commissarissen van Elsevier'.

Klaagster stelt dat Elsevier sinds de instelling van de personeelsraad daarin bewust alle kenmerken van de ondernemingsraad heeft gelegd. Tot het instellen van een ondernemingsraad volgens de wet is niet overgegaan omdat de organisatiegraad van de werknemers zo laag was, dat onder democratisch oogpunt ten opzichte van het ongeorganiseerde personeel die overmaat aan benoemingsmogelijkheden van de vakbeweging niet redelijk was. In het reglement van de personeelsraad van Elsevier is inderdaad sprake van het College van Commissa-
rissen van het bedrijf. Aangezien de vakbonden om bovengenoemde redenen alleen maar een ondemocratische rol zouden kunnen spelen bij de toenmalige organisatiegraad van het personeel, kon een bedrijfscommissie niet als beroepsinstantie worden ingeschakeld: slechts 2% van het personeel was toen georganiseerd.
Betrokkenen stellen dat in de wet niet staat dat de vertegenwoordigers van de werknemers in de bedrijfscommissie georganiseerd moeten zijn. Het is dan ook onduidelijk, wat bedoeld wordt met een ondemocratische rol die de vakbonden ingeval van verschil van mening zouden moeten spelen. Wel lijkt een uitspraak van het college van commissarissen, ingeval van verschil van mening tussen Elseviers personeelsraad en de directie een weinig democratische arbitrage. Want dan wordt over het twistpunt beslist door een groep die zich per definitie eerder om de commerciële zijde van het bedrijf dan om sociale zaken zal bekommeren.

3. De verhouding directie-personeelsraad

Het Volkskrant-artikel:
'Na een enthousiast begin heeft de directie nogal wat last gekregen met deze personeelsraad. In 1969 kwam een meerderheid van de leden in verzet tegen het autocratische beleid van directeur Van den Brink. Zij hebben de strijd mede als gevolg van het ontbreken van contacten met de vakbonden verloren. Een van de leiders van deze paleisrevolutie was de huidige hoofdredacteur van het Limburgs Dagblad, Pierre Huyskens '.

Klaagster zegt hierover dat ten onrechte wordt gesuggereerd dat een meerderheid van de personeelsraadsleden rebelleerde; de sfeer in de personeelsraad was integendeel juist uitstekend. De genoemde paleisrevolutie berust geheel op de fantasie van de tipgever, de oud-redacteur van Elseviers Magazine Huyskens zegt er thans zelf dit over: 'Noch als lid van de personeelsraad noch anderszins heb ik verzet aangetekend tegen het zgn. autocratisch beleid van de heer Van den Brink. Het is mij dan ook onduidelijk wat met 'deze paleisrevolutie' wordt bedoeld.'
Betrokkenen voeren aan, dat wie de notulen van de personeelsraad van Elsevier doorleest, zich een beeld kan vormen van een voortdurende strijd van de leden om inspraak, meer informatie en beter beleid. Maar de president-directeur poogt voortdurend dit alles af te houden. In 1969 rees langzaamaan het verzet, dat op 18 september van dat jaar culmineerde in een vergadering van de raad met 25 personeelsleden, in welke vergadering een aantal voor de directie schokkende besluiten werd genomen.
Klaagster antwoordt, dat het een door de personeelsraad uitgeschreven hearing betrof (geen vergadering) die door 25 personeelsleden (4% van het gehele personeel) schijnt te zijn bezocht. Men heeft niet de moeite genomen de notulen hiervan ter kennis van de directie te brengen. Het verslag van deze bespreking in de notulen van de personeelsraad van 17 oktober 1969 laat in ieder geval niet zien dat er schokkende besluiten zijn genomen.
Betrokkenen beamen desgevraagd dat het hier een actie betrof, die later verzand is; het heeft echter wel gevolgen gehad, zo menen zij.

4. Het salarisbeleid

Het Volkskrant-artikel:
'De gedachten over inkomstennivellering leeft inmiddels ook onder de leden van de personeelsraad. Vorig jaar stelden zij voor, de salarissen in centen en niet in procenten te verhogen, maar hier wilde de directie niets van weten. De directie ging integendeel uit van zeer geringe, percentuele salarisverhogingen, met als motief: medewerken aan de bestrijding van de inflatie.
Uit een memorandum van hoofddirecteur Van den Brink van 19 december 1972 blijkt, dat het loonbeleid voor 1973 zal uitgaan van de nullijn. '

Klaagsters bezwaren zijn, dat met de vertegenwoordiging uit de personeelsraad waarmede de heer Verleur de salarisbesprekingen in december 1972 voerde, het punt van de centen-procenten in het geheel niet is besproken. De 'zeer geringe percentuele salarisverhogingen' bedroegen 10,57% en een nabetaling van 1,85% over 1972. In het memorandum van de heer Van den Brink, dat is uitgezonden namens de directeuren van de Amsterdamse Elsevierbedrijven, blijkt niet dat het loonbeleid voor 1973 zal uitgaan van de nullijn. Het is onbegrijpelijk waar deze term vandaan komt, daar deze in het desbetreffende memorandum niet is te vinden.
Betrokkenen stellen daar tegenover, dat uit de notulen van de personeelsraad blijkt, dat de raad in het najaar van 1971 voor het eerst heeft gepraat over de vaststelling van de salarissen voor 1972. In het
salarisvoorstel voor 1972 werd vanuit de personeelsraad aangedrongen op een verhoging in centen in plaats van in percenten. De directie wijst dit af. Het woord nullijn komt inderdaad niet voor in het memorandum van 19 december 1972 over de salarisregeling voor 1973, maar betrokkene Ruyter heeft het woord gebruikt omdat het aanduidt dat werknemers een loonsverhoging krijgen die geen reële loonsverbetering betekent, en daarop komt het memorandum toch wel neer. De loonsverhoging voor 1973, tot haar juiste omvang teruggebracht, is gering, nl. 4,9%, immers 2,4% daarvan was compensatie voor de stijging van de sociale lasten, terwijl 2,5% bestemd was als compensatievoorschot op de te verwachten jaarstijging van de prijzen met 5%. Dit betekent dus: geen reële loonsverbetering, hetgeen is aangeduid met het woord nullijn.
Desgevraagd zegt de heer Verleur op de zitting, dat er wel degelijk reële verbetering is gegeven; deze zit echter niet in genoemde 10,57%, die geen reële verhoging betekenen, maar in de verbetering van enige andere arbeidsvoorwaarden, zoals arbeidstijdverkorting, verhoging van de vakantietoeslag en het aantal vakantiedagen e.d. Ook die andere arbeidsvoorwaarden zijn in het memorandum vermeld.

5. De Kontaktkommissie

Het Volkskrant-artikel:
'Sinds begin 1971 functioneert een bedrijfscontactcommissie, kortweg KK genoemd (Kontaktkommissie), waarin 13 in vakbonden georganiseerde Elsevierpersoneelsleden zitten. Zij is de vertegenwoordiging van alle georganiseerde Elsevier-medewerkers en wordt als zodanig door de bonden erkend.... Het valt niet te verwonderen, dat de KK het met zo'n directie niet makkelijk heeft gehad. Verscheidene keren heeft directeur Van den Brink direct of indirect geprobeerd, commissieleden onder druk te zetten. '

Drs van den Brink stelt dat hij als groot voorstander van een functionele personeelsraad nimmer enige druk in deze zin heeft uitgeoefend.
Betrokkenen stellen hier tegenover dat hun één geval van directe pressie bekend is; een van de twee hierbij betrokken personen wenst zijn naam echter niet bekend te laten worden.
Het artikel gaat verder:

'Het sterkste voorbeeld hiervan speelde begin '72, toen Bonaventura-adjunctdirecteur Henny ten Brink het KK-lid Cor Kuppens, die zich al een jaar lang had schuldig gemaakt aan vakbondsactiviteiten, op straffe van ontslag monddood maakte. '

Klaagster stelt dat dit niet waar is. De brief van de heer Ten Brink aan de heer Kuppens d.d. 11 oktober 1971 luidt aldus:

'Geachte heer Kuppens,
Het is mij gebleken, dat u dinsdagmorgen 5 oktober binnen het gebouw van de N. V. Uitgevers Maatschappij 'Bonaventura ' pamfletten heeft gedistribueerd en u daarbij toegang heeft verschaft tot verschillende afdelingen en kamers. Deze pamfletten hadden tot doel medewerkers in dit gebouw werkzaam, op te wekken toe te treden tot de vakbonden.
Ik hecht eraan nadrukkelijk te verklaren een voorstander te zijn van de bonafide vakbeweging die als erkende sociale partner een grote bijdrage heeft geleverd tot de oplossing van tal van sociaal-economische problemen. Dat de bij de vakcentrales aangesloten bonden propaganda maken om hun positie te versterken, is hun goed recht, maar nimmer zullen deze bonden u opdracht hebben gegeven om zonder toestemming van de directie propagandamateriaal in het gebouw te verspreiden en daarbij afdelingen en kamers te betreden waar u uit hoofde van uw functie niets te maken heeft.
Nadrukkelijk wens ik, dat voor eventuele toekomstige acties binnen het gebouw toestemming wordt gevraagd aan de directie onder overlegging van de te verspreiden stukken, waarbij ik voor wat deze overlegging betreft, een uitzondering wens te maken voor propagandamateriaal afkomstig van en voor verantwoording van de erkende vakbonden. '

Betrokkenen stellen daar tegenover dat de klaagster hiermee suggereert, dat de heer Kuppens zich met activiteiten voor een niet bonafide vakbeweging zou hebben beziggehouden. Deze werkte echter als KK-lid voor de erkende samenwerkende bonden. Dat hij op straffe van ontslag monddood is gemaakt blijkt volgens betrokkenen uit de volgende door hen geciteerde brief van Bonaventura-directeur H. J. van der Vossen aan de heer Kuppens van 16 februari 1972:

'Geachte heer Kuppens,
Hiermee bevestigen wij het gesprek dat de heren Ten Brink en Boom in aanwezigheid van uw chef, de heer Guldenaar, met u hadden op 3 februari j.l.
In dit gesprek hebben wij u meegedeeld, dat, indien u zich geroepen voelt activiteiten te ontplooien die uws inziens de belangen van ons personeel bevorderen, deze niettemin aan twee criteria moeten voldoen:
- zij dienen te geschieden via de officiële kanalen, t. w. via de directie en personeel- c.q. ondernemingsraad;
- uw werkzaamheden voortvloeiend uit uw functie binnen ons bedrijf mogen onder deze activiteiten niet lijden.
Van activiteiten c. q. wegen die niet met deze criteria in overeenstemming zijn dient u zich te onthouden.
Wij hebben u verder meegedeeld, dat mocht u bovenstaand standpunt niet kunnen accepteren, het ons in ons beider belang beter voorkomt dat u uw werkzaamheden bij onze maatschappij beëindigt. Wij vertrouwen echter dat u deze consequentie niet zult trekken en de waarschuwing ter harte zult willen nemen. '

Betrokkenen wijzen er met nadruk op, dat de Elsevier-directie op de hoogte was van het bonafide karakter van de Kontaktkommissie, die zich in oktober 1971 in een folder, gericht aan het Elsevier-personeel, openlijk gepresenteerd had als vertegenwoordigster van de erkende vakbonden.

Desgevraagd zegt de heer Verleur nog, dat de bezwaren van de heer Ten Brink vooral de arbeidstijdrovende wijze van distributie van het materiaal betroffen; de directie wilde onnodige onrust vermijden. Vakbondsactiviteiten op zich wilde ze niet controleren, wel de wijze van uitvoering ervan binnen het bedrijf.

6. Onvolledig citaat

In een artikeltje Conservatief I (rubriek Dag in --dag uit) van de Volkskrant van 7 oktober 1972 stond:

'In het informatie-bulletin van de 'kritische Elsevier-werkers' staat ook te lezen, dat een hunner voormannen in oktober van het vorig jaar een schriftelijke uitbrander heeft gekregen voor het verspreiden van pamfletten. Adjunct-directeur H. ten Brink schreef hem: 'Nadrukkelijk wens ik, dat voor eventuele toekomstige acties binnen het gebouw toestemming wordt gevraagd aan de directie, onder overlegging van de te verspreiden stukken.... '.

Klaagster stelt dat de lezers van de Volkskrant een volmaakt vertekend beeld krijgen als zij lezen waaruit de uitbrander bestaat. Doordat het citaat bij een komma werd afgebroken, bleef een beperking die van wezenlijke betekenis is, onvermeld. De rest van de desbetreffende zin luidde: 'waarbij ik voor wat deze overlegging betreft, een uitzondering wens te maken voor propagandamateriaal afkomstig van en voor verantwoording van de erkende vakbonden'. (Zie hierboven onder 5.)
Betrokkene Ruyter zegt dat hij dit stuk niet heeft geschreven. Betrokkene Van der Pluijm erkent dat hier niet op juiste wijze is geciteerd.

BESCHOUWINGEN

De hierboven onder I van de punten van geschil weergegeven grief van klaagster treft in elk geval doel wat het aantal jaren betreft waarvoor een personeelsverloop van 73% was vastgesteld (Volkskrant-artikel van 5 mei 1973). Het ging hier niet om drie maar om bijna vier jaren.
De grief onder 4 snijdt geen hout. Ook al kwam het woord 'nullijn' in het memorandum van de directie niet voor, toch mochten betrokkenen het te pas brengen. Zij hebben uit het memorandum opgemaakt, dat daarin wel van een nominale loonsverhoging, maar niet van een werkelijke loonsverbetering sprake was. Die opvatting is op zichzelf misschien discutabel, maar aan de hand van wat er in het memorandum staat te lezen is ze niet onredelijk of te kwader trouw. In dit licht gezien kan men ook niet aan betrokkenen verwijten, dat zij spraken van ' zeer geringe percentuele salarisverhogingen', wanneer ze doelen op een verhoging voor 1973 van 10,57% en op een nabetaling over 1972 van 1,85 %.
De grief onder 6 treft, voor zover zij tegen betrokkenen Van der Pluijm als verantwoordelijk hoofdredacteur is gericht, doel. Hier is op ontoelaatbare wijze geciteerd.
Wat voor het overige de grieven onder I, 2, 3 en 5 aangaat, overweegt de Raad het volgende.
De algemene klacht is tweeledig. Klaagster vindt, dat in het artikel van 5 mei 1973 feiten onjuist zijn weergegeven, en dat haar door betrokkenen stem in het kapittel had moeten zijn gegund voordat het stuk werd gepubliceerd. Maar de Raad kan klaagster daarin niet volgen.
Betrokkene Van der Pluijm heeft gezegd, dat het de Volkskrant erom gaat, met het publiceren van goed gefundeerde artikelen, geschreven vanuit een bepaalde optiek, bij te dragen tot het corrigeren van misstanden. Deze strekking blijkt uit het artikel zelf duidelijk. Er kan geen misverstand over bestaan: de Volkskrant wilde in dit stuk geen meningen van voor- en tegenstanders van het bij Elsevier gevoerde beleid weergeven, maar op grond van gekozen gegevens wilde men zijn eigen beoordeling van dat beleid aan de lezer aanbieden. Vanzelfsprekend moet ook een stuk van deze strekking trouw zijn aan de feiten. Er mogen geen onjuistheden in voorkomen. Maar aan de andere kant zal het feitenmateriaal waarop het betoog is gebaseerd steeds en onvermijdelijk een selectie zijn, en het kan bijna niet anders of degene wiens beleid wordt bekritiseerd zal over die selectie anders denken dan de selecterende auteur.
Datzelfde geldt ook voor de vraag hoe men de gekozen feiten in het geheel van het onderwerp moet waarderen en welke gevolgtrekkingen daaruit kunnen worden afgeleid.
Beziet men in dit licht de grieven, dan blijkt dat deze niet zozeer de juistheid van de in het artikel voorkomende feiten betwisten als wel de juistheid van de selectie (zo vooral de grief onder 1) of de waardering van de gekozen feiten en de uit die feiten afgeleide gevolgtrekkingen (aldus meer de grieven onder 2, 3 en 5).
De Raad kan zich goed voorstellen, dat klaagster er onaangenaam door is getroffen, dat het beleid in het artikel een negatiever kleur heeft gekregen dan zij zelf door de feiten gerechtvaardigd acht, en ook, dat klaagster vindt dat betrokkenen zich eenzijdig op de hoogte hebben gesteld. Maar in aanmerking genomen dat het stuk vanuit een duidelijk eigen optiek is geschreven, rechtvaardigt dat geen afkeuring van het journalistieke gedrag van betrokkenen, omdat daarmee de vrijheid van interpretatie zou worden aangetast.
Een eis van hoor en wederhoor hoeft niet aan de orde te komen bij de voorbereiding van een stuk van deze strekking, waarin geen blote beschuldigingen worden geuit, maar waarin min of meer subjectieve waarderingen worden gegeven op grond van geselecteerde, feitelijke, gegevens. Wel zou het betrokkene natuurlijk hebben vrijgestaan, voor de publikatie van het artikel de directie van het bedrijf om nadere inlichtingen te vragen ter aanvulling van het feitenmateriaal. De ene journalist doet dat in een geval als dit misschien wel, met het oog op de kwaliteit van het stuk, de andere niet. Maar dat betekent niet, dat klaagster recht had op zulk een aanvulling. De auteur van zo'n artikel is vrij zijn gegevens te halen waar hij ze vinden kan, mits hij ze juist weergeeft. En wie met journalistieke middelen wordt aangevallen, kan zich met journalistieke middelen verdedigen.

BESLISSING

In het artikel van 5 mei 1973 komt een feitelijke onjuistheid voor die echter niet van zodanig belang is, dat zij de Raad reden kan geven tot enig verder commentaar.
In het artikel van 7 oktober 1972 komt een ernstig verminkt citaat voor, waardoor klaagster zich terecht gegriefd voelt. De Raad laat het daarbij.
Voor het overige wordt de klacht afgewezen. In het artikel van 5 mei 1973 wordt klaagster aangevallen met journalistieke middelen die de grenzen van de journalistieke verantwoordelijkheid niet te buiten gaan.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 20 maart 1974 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, en de leden mevrouw mr F. Klaver, ing. O. Postma, drs H. W. M. van Run en R. H. G. Schoonhoven, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 3.