1974/2 ongegrond

Mevrouw E. M. Kellerman contra M. Kopuit

 

 

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake mevrouw E. M. Kellerman tegen M. Kopuit.

 

 

 

Mevrouw Eva M. Kellerman, freelance journalist, te Amsterdam heeft zich bij brief van 30 januari 1973 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer M. Kopuit, hoofdredacteur van het Nieuw Israëlietisch Weekblad, te Amsterdam.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de heer Kopuit een verweerschrift ingediend. Daarna hebben partijen gediend van repliek en dupliek. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die haar heeft behandeld op de zitting van 14 maart 1974, alwaar partijen zijn verschenen, de klaagster bijgestaan door haar raadsman mr Th. Ph. van Raalte, advocaat te Amsterdam.

 

 

 

 

 

KLACHT

De klacht, zoals die in de stukken en ter zitting nader is bepaald, laat zich als volgt samenvatten.
In september 1972 kreeg mevrouw Kellerman in Israël van de heer Kopuit de opdracht, mr Gerard Polak te Tel-Aviv te interviewen. Zij arrangeerde een afspraak met mr Polak, die ondanks aanvankelijke bezwaren goed vond dat zij het gesprek op de band zou opnemen. Op verzoek van de heer Kopuit is deze met haar naar mr Polak gegaan. Beiden hebben vragen aan mr Polak gesteld.
In Nederland teruggekeerd heeft mevrouw Kellerman de tekst van de band uitgetikt; deze letterlijke weergave van het gesprek heeft zij aan de heer Kopuit gegeven. Daarna zag zij tot haar verontwaardiging in het NIW van 28 oktober 1972 op blz. 3 een excerpt van die tekst gesigneerd 'Kapt' staan. De tekst die zij aan de heer Kopuit had verstrekt was niet persklaar. Echter is het redigeren van een opgedragen artikel door eind- of hoofdredactie een volkomen normale journalistieke procedure, die hoofd- of eindredactie geen enkel recht geeft het geredigeerde artikel ook te signeren. De heer Kopuit heeft zich door zijn naam onder het artikel te zetten bijzonder oncollegiaal gedragen en gehandeld in strijd met het auteursrecht en met de journalistieke erecode.
Mevrouw Kellerman voelt zich bovendien gegriefd doordat de heer Kopuit de naam van mr Polak in zijn blad heeft vermeld, omdat deze als voorwaarde voor het interview had gesteld, dat zijn naam niet als zegsman zou worden genoemd, met uitzondering van een enkel detail van het gesprek.

 

 

 

 

VERWEER

De heer Kopuit heeft schriftelijk en ter zitting het volgende aangevoerd.

 

 

Inderdaad heeft hij mevrouw Kellerman verzocht, mr Polak te interviewen. Toen zij hem vertelde dat zij daartoe een afspraak met mr Polak had gemaakt, heeft hij haar gevraagd of er bezwaar was, dat hij bij het interview aanwezig zou zijn. Mevrouw Kellerman stemde daarmee van harte in. Men is samen naar mr Polak gegaan. Het interview werd door de heer Kopuit afgenomen. Mevrouw Kellerman bediende haar bandopname-apparaat en nam op ondergeschikte punten deel aan het gesprek. De heer Kopuit maakte daarnaast zelf aantekeningen.
Terug in Nederland kreeg de heer Kopuit van mevrouw Kellerman de van de band opgenomen letterlijke weergave van het door hem met mr Polak gevoerde vraaggesprek. Mevrouw Kellerman had het gesprokene niet in journalistieke vorm tot een interview omgewerkt. Van deze weergave, aangevuld met eigen aantekeningen is door hem het met 'Kapt' gesigneerde artikel geschreven. Zelfs de gedachte de naam van mevrouw Kellerman onder het stuk te plaatsen is niet bij hem opgekomen; het is niet zijn gewoonte de verantwoording voor door hem verkregen informaties en verwerkt in door hem geschreven stukken bij anderen te leggen.
De heer Kopuit ontkent, dat mr Polaks naam niet genoemd mocht worden.

 

 

 

 

 

 

BEOORDELING EN BESLISSING

Mevrouw Kellerman zegt in haar klacht, dat de naam van mr Polak niet genoemd had mogen worden; de heer Kopuit betwist dit. De Raad weet niet, hoe de meest belanghebbende, de heer Polak zelf hierover denkt, en laat daarom dit punt verder buiten beschouwing. De heer Kopuit heeft de tekst van mevrouw Kellerman aan de Raad overgelegd. Uit die tekst - die volgens beide partijen mag worden beschouwd als een letterlijke weergave van het met mr Polak gehouden vraaggesprek - blijkt, vergeleken met het gepubliceerde artikel, het volgende.
In de tekst komen acht vragen voor, gesteld door mevrouw Kellerman en 16 vragen van de heer Kopuit. De kop en de 'lead' van het artikel zijn ontleend aan antwoorden op vragen van mevrouw Kellerman. Van de tekst is circa 40 % uit vragen van de heer Kopuit voortgevloeid, en ruim 30 % uit vragen van mevrouw Kellerman.
In het licht van deze vaststaande feiten, en zelfs aannemende dat de volle resterende ca 30 % van het stuk steunen op de aantekeningen van de heer Kopuit, is diens zienswijze dat hij het was die het interview heeft afgenomen en dat mevrouw Kellerman alleen op ondergeschikte punten aan het gesprek deelnam, niet houdbaar. Op dezelfde grond en ook omdat het mevrouw Kellerman is geweest die de afspraken met mr Polak heeft gemaakt, is onhoudbaar de stelling, dat de heer Kopuit in dit geval in een door hem geschreven stuk alleen of in hoofdzaak door hem verkregen informaties zou hebben verwerkt.
De verontwaardiging van mevrouw Kellerman is dan ook wel te begrijpen. Het is wel jammer, dat kennelijk zelfs de vraag of hij dit artikel wel zelf mocht signeren, evenmin als de gedachte de naam van mevrouw Kellerman--desnoods naast zijn eigen naam--onder het stuk te zetten, niet bij de heer Kopuit is opgekomen. De heer Kopuit is hier, in het licht van wat tussen journalisten aanvaardbaar is duidelijk tekort geschoten, al kan niet worden gezegd, dat zijn gedraging schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

 

 

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

 

 

 

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 14 maart 1974 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter; prof. mr P. J. Boukema, H. ten Brink, D. F. Houwaart en H. A. Uilenbroek, leden, in tegenwoordigheid van mr G. P. A. Aler, plv.-secretaris.

 

 

 

 

 

RvdJ 1974, 2.