1974/15 ongegrond

Holland Amerika Lijn contra NRC Handelsblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Holland Amerika Lijn tegen NRC Handelsblad

De Raad van Bestuur van de Holland Amerika Lijn te Rotterdam (klaagster) heeft per brief van 19 april 1974 bij de Raad een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad te Rotterdam (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarop repliek en dupliek zijn gevolgd. Daarna heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 27 november 1974, waar voor klaagster zijn verschenen mr A. J. C. Beschoor Plug en drs H. H. Horsting, resp. secretaris en oud-secretaris van de Raad van Bestuur, en als gemachtigden van betrokkene drs J. R. Soetenhorst en de heer J. F. van den Broek, resp. adjunct-hoofdredacteur en redacteur van NRC Handelsblad.

DE FEITEN

Het bedrijf van klaagster heeft de laatste jaren een onbevredigend rendement behaald, wat in 1974 tot een drastisch ingrijpen heeft geleid. De Federatie van Werknemers in de Zeevaart was reeds in oktober 1973 daarover en over de noodzaak van ontslag voor een groep zeevarenden en een aantal leden van het kantoorpersoneel ingelicht. In verband hiermee hadden de vakbonden omstreeks begin maart 1974 de minister van Sociale Zaken Boersma benaderd.
Omstreeks 7 maart 1974 heeft redacteur F. Endt voor NRC Handelsblad een interview gevraagd aan een der leden van klaagsters Raad van Bestuur; dit werd echter geweigerd omdat zeer binnenkort over deze zaak een persconferentie zou worden gehouden . Betrokkene heeft dit standpunt van klaagster aanvaard. De persconferentie, waarbij een uitvoerig persbericht is verspreid, is gehouden op 14 maart d.a.v. Ook een der redacteuren van NRC Handelsblad was aanwezig, die daarover in de editie van 15 maart heeft bericht. Behalve om een aantal andere saneringsmaatregelen ging het om het ontslag van 320 officieren en gezellen en 54 leden van het Rotterdamse kantoorpersoneel, zoals in het persbericht werd meegedeeld en tijdens de persconferentie toegelicht.
Voor het kantoorpersoneel dat slechts voor een gering gedeelte was georganiseerd, bestond geen cao; over de door klaagster noodzakelijk geachte 54 ontslagen werd overeenstemming bereikt met de ondernemingsraad van het bedrijf. De ontslagenen werden vóór de persconferentie op 14 maart individueel mondeling op de hoogte gebracht; het ontslag werd later schriftelijk aan hen bevestigd. Over de zeevarenden was klaagster in overleg getreden met de Federatie van Werknemers in de Zeevaart, hetgeen echter niet tot overeenstemming had geleid, op 15 maart is dit overleg afgebroken.
Op 17 maart 1974 hebben volgens betrokkene de heren Soetenhorst en Endt opnieuw een interview bij klaagster gevraagd, hetgeen op 18 maart werd geweigerd. Volgens betrokkene heeft daarna redacteur Van den Broek telefonisch contact gehad met de chef van de afdeling Public Relations van klaagster over door hem verzamelde gegevens omtrent de ontslagen; Van den Broek noemt het een uitgebreid gesprek. Voorts heeft hij enige leden van de ondernemingsraad van klaagster benaderd om inlichtingen. In de editie van 26 maart wordt zijn artikel onder de kop Ontslagenen bij HAL wachten op Boersma, dat leidt tot de onderhavige klacht, gepubliceerd.
Klaagster reageert hierop met een brief aan betrokkene, waarin het stuk een eenzijdig, tendentieus en op veel onjuiste informaties gebaseerd artikel wordt genoemd. De laatste alinea van deze brief luidt: Wij vernemen gaarne van u op welke wijze u ons recht wilt doen wedervaren. In ieder geval verzoeken wij u dit schrijven op te nemen in de rubriek Brieven in uw blad. Klaagster heeft de brief op 28 maart 1974 laten bezorgen.
Na intern overleg antwoordt drs Soetenhorst op 2 april met een brief, waarin slechts rectificatie in een volgende publikatie werd toegezegd van één onjuist gebleken gegeven, n.l. dat ook de zeevarenden hun ontslagbrief reeds zouden hebben ontvangen.
Op 4 april verzendt klaagster, na een telegrafische aankondiging aan al haar schepen, - sinds 26 maart reeds gereedliggende - ontslagbrieven aan de betrokken zeevarenden, waarover op 5 april een bericht in NRC Handelsblad wordt opgenomen. Op 19 april volgt de klacht bij de Raad.

DE KLACHT

De grieven in het klaagschrift, zoals ter zitting nader geformuleerd, zijn de volgende. Betrokkene heeft niet voldaan aan klaagsters verzoek om publikatie van haar ingezonden brief; betrokkene heeft zijn toezegging tot het opnemen van een rectificatie omtrent de ontslagbrief aan de zeevarenden niet gestand gedaan; in het stuk komt een woordvoerder van de beambtenbonden aan het woord met de uitlating: Wat vooral gestoken heeft is, dat er mensen met een diensttijd van dertig, veertig jaar hun ontslag aangezegd hebben gekregen in een gestencilde brief, met hun naam ingetikt.
Onder de volgens klaagster onjuiste kop Ontslagenen bij HAL wachten op Boersma begint het stuk met de volgende zin: De 320 officieren en gezellen en de 54 beambten van de Holland Amerika Lijn hebben dit weekeinde de uitgebreide ontslagaanzeggingen nog eens kunnen nalezen. Iets verder: De op 21 maart uitgegane ontslagbrieven - ook voor 400 Indonesische werknemers - vermelden uitvoerig de redenen.
Dit is onjuist omdat op die datum alleen de beambten ontslag was aangezegd en schriftelijk bevestigd, niet ook aan de zeevarenden. De kop is wat de zeevarenden betreft onjuist, omdat hun nog geen ontslag was verleend, en voor wat betreft de beambten, omdat omtrent die ontslagen de vereiste overeenstemming was bereikt. Verder zijn de Indonesische werknemers niet ontslagen, doch hun contract op jaarbasis is niet verlengd. Zeer kwetsend acht klaagster de uitlating over de ontslagaanzegging met een 'gestencilde brief' die brieven waren trouwens niet gestencild doch op een Xerox-apparaat gekopieerd - omdat ze slechts de bevestiging waren van de mondelinge aanzegging.
Klaagster beschouwt het artikel als zeer tendentieus, ook al omdat de schrijver niet vermeldt dat over de ontslagen van het kantoorpersoneel overleg gepleegd en overeenstemming bereikt was met de ondernemingsraad. Redacteur Van den Broek schrijft echter wel: Aangezien nog geen kwart van de beambten is georganiseerd bij de vervoersbonden (... ) heeft de HAL-directie - toch al niet zo gek op vakbonden volgens een verbitterde bondsbestuurder - de vertegenwoordigers van die bonden nooit als woordvoerders willen zien van alle beambten, weshalve er ook voor deze beambten nimmer een cao is afgesloten. 'Wij zijn dus ook buiten de hele reorganisatie en de ontslagen gehouden', aldus een woordvoerder.
De besprekingen met de organisatie der zeevarenden waren op 15 maart vastgelopen, daarom was nog niet tot ontslag overgegaan voor deze groep werknemers. In het stuk worden beambten en zeevarenden echter niet onderscheiden, zij worden allen reeds genoemd als ontslagenen, hetgeen op de dag van de publikatie onjuist was.

HET VERWEER

Betrokkene verweert zich, samengevat, aldus.

In de berichtgeving over deze zaak is het artikel van Van den Broek van 26 maart slechts een onderdeel: op 15 maart heeft betrokkene er reeds een uitvoerig stuk naar aanleiding van persconferentie en persbericht aan gewijd. De toen reeds vermelde bijzonderheden zijn niet opnieuw opgenomen in het onder een ander gezichtspunt geschreven artikel van 26 maart.
Het werd op 5 april gevolgd door een bericht over de op de vorige dag uitgegane ontslagbrieven voor de zeevarenden en op 10 april door een ander stuk. Om ten opzichte van de berichtgeving op 15 maart niet in herhaling te vervallen is de ingezonden brief van klaagster van 28 maart niet geplaatst; deze bevatte geen 'weerwoord' maar een herhaling van, of wijdlopige aanvullingen op, het standpunt van klaagster, dat toen al was weergegeven. Verder was de inhoud van de brief niet noodzakelijk voor een goed begrip van het uit een geheel andere hoek geschreven verhaal. Want het was de bedoeling van de redacteur een 'eenzijdig' artikel te schrijven, n.l. een dat de volle aandacht zou richten op de ontslagen beambten. Onder hen trof de redacteur de door hem beschreven stemming aan en van die kant ook werden hem de geciteerde mededelingen gedaan. Het werd hem toen al duidelijk, dat de eerdere mededelingen van de directie daar niet zo zijn 'overgekomen ' als door deze directie gehoopt en bedoeld, al was er wel alle begrip voor de noodzaak van een reorganisatie. Het artikel is geschreven nadat op 18 maart een door redacteur Endt opnieuw aan klaagster gedaan verzoek om een interview met een lid van de Raad van Bestuur was geweigerd en na uitvoerig telefonisch contact met de chef van de afdeling Public Relations van klaagster. Betrokkene heeft in zijn brief van 2 april erkend dat de in het voorbijgaan in het artikel genoemde aanzegging van ontslag aan zeevarenden technisch onjuist was. De toen door hem gedane toezegging tot rectificatie zou zeker zijn nagekomen, ware het niet dat, nog voordat zich daartoe een geschikte gelegenheid bood, de ontslagen op 4 april alsnog een feit werden, waardoor betrokkenes onzorgvuldigheid werd achterhaald. Wat de ontslagbrief voor de beambten betreft: het betrof hier een citaat uit de mond van iemand, bij wie het hele ontslagbeleid slecht was gevallen. Daarvan kan de betrokken redacteur geen verwijt worden gemaakt.

DE ZITTING

De vertegenwoordigers van klaagster wijzen erop dat het betwiste artikel haar positie tegenover de organisatie van de zeevarenden bij de onderhandelingen zeer heeft geschaad. Hoewel de ontslagbrieven voor hen op 26 maart reeds klaar lagen, waren ze nog niet verzonden wegens de opstelling van hun vakbond. Wel circuleerden er eerder reeds geruchten, die klaagster heeft trachten tegen te gaan met een telexbericht op 19 maart aan alle schepen.
Redacteur Van den Broek zegt daarover dat hij erkend heeft op dit punt onjuist te hebben bericht; hij had uit betrouwbare bron gehoord dat de ontslagbrieven klaar lagen, dat de namen van de betrokkenen alle bekend waren en dat de brieven aan de op zee verblijvenden al waren uitgegaan.
Namens klaagster wordt betoogd dat het artikel in en door zijn eenzijdigheid kwetsend voor haar was, het wordt een omissie geacht dat de directie en de ondernemingsraad niet aan het woord zijn gelaten.

Redacteur Van den Broek zegt dat zijn collega Endt niet alleen vóór de persconferentie maar ook daarna tevergeefs om een interview met een der leden van de Raad van Bestuur van de HAL heeft gevraagd. Formeel moge alles na het overleg met de ondernemingsraad in orde zijn, maar dat neemt niet weg dat er beambten waren die zich niet vertegenwoordigd voelden door die ondernemingsraad. Daarom heeft hij, behalve met de afdeling Public Relations van klaagster, ook contact gezocht met de vakbonden-vervoer.
De vertegenwoordigers van klaagster zeggen, niet op de hoogte te zijn van het tweede verzoek om een interview, zij achten het niet uitgesloten dat het hun in de stroom van publiciteit na de persconferentie is ontgaan. Zij menen voorts dat betrokkene tussen de dag waarop hun brief bij betrokkene was bezorgd (28 maart) en de dag waarop de ontslagen bekend werden gemaakt, gemakkelijk had kunnen rectificeren, zelfs nog in het kader van zijn bericht van 5 april over deze ontslagen. Drs Soetenhorst deelt mee dat hij na deze brief intern overleg heeft gepleegd en dat Van den Broek nog moest terugverifiëren bij zijn informanten, van wie één zijn visie staande hield. Verder zat er een weekeinde tussen deze data; op zijn vroegst had op maandag I april gerectificeerd kunnen worden, maar men wist toen dat de ontslagen op handen waren. De ontslagen op 4 april brachten volgens betrokkene mee, dat er niets meer te rectificeren viel.

Wat betreft de 'gestencilde' ontslagbrief zeggen de vertegenwoordigers van klaagster dat in het artikel hierbij had moeten worden vermeld dat die volgde op een mondelinge aanzegging, zeker nu de schrijver wist dat dit gebeurd was. Redacteur Van den Broek antwoordt hierop dat dat wellicht beter was geweest, maar niet noodzakelijk: hij had deze uitlating, die tekenend was voor de atmosfeer, duidelijk in citaatvorm gegeven en daarmee niet voor zijn rekening genomen.
Desgevraagd zegt de heer Van den Broek dat hij wel kan begrijpen dat de HAL behoefte had aan een weerwoord na zijn artikel. De heer Soetenhorst zegt dat hij niet zo zwaar getild heeft aan de weigering om klaagsters ingezonden brief op te nemen: er stonden geen nieuwe feiten in. Wellicht zijn de bezwaren van de HAL onderschat en had er toch iets aan gedaan moeten worden, nu het betwiste artikel de aandacht geheel richtte op de gevoelens van de beambten.

OVERWEGINGEN

Wat betreft de eerste grief: het betwiste artikel bevat duidelijk herkenbaar de belichting van één aspect van de problematiek waarvoor klaagsters bedrijf stond: de situatie van de ontslagen beambten. Het achterwege laten van publikatie van de ingezonden brief van klaagster is niet laakbaar, nu aan de krant tevoren een interview was geweigerd en nu de heer Van den Broek zijn informaties zoveel mogelijk bij de afdeling Public Relations van klaagster had geverifieerd.
Ook het achterwege laten van rectificatie van de onjuistheid in de eerste alinea van het artikel - die mede leidde tot de onjuiste kop dat ook aan de zeevarenden reeds ontslag was gegeven, kan betrokkene ondanks zijn toezegging nauwelijks worden verweten. Het bericht was slechts formeel onjuist. Klaagster had immers de ontslagbrieven gereed liggen en zij had reeds op 14 maart bekend gemaakt dat de ontslagen onvermijdelijk waren. Wat het Indonesisch personeel aangaat is, in de context waarin van dit 'ontslag 'gesproken wordt, het verschil met afvloeiing na afloop van een jaarcontract niet van belang. Betrokkene heeft terecht betoogd dat de snelle gang van zaken tussen 28 maart en 4 april rectificatie, die onvermijdelijk een paar dagen kost, overbodig maakte.
De laatste grief treft al evenmin doel. Klaagster toont zich hier te licht geraakt door de in citaatvorm opgenomen reactie op klaagsters ontslagbeleid van een ontslagene, die - hoewel feitelijk onjuist - diens beleving van het ontslag duidelijk weergaf en niet door de schrijver voor eigen rekening werd genomen.

BESLISSING

Omdat de betrokkene geen laakbare onzorgvuldigheid kan worden verweten, wijst de Raad de klacht in zijn geheel af.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 27 november 1974 door prof . mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter; mw H. van den Horst-de Both, mw mr F. Klaver, drs H. W. M. van Run en drs A. A. V. Tummers, leden; in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 15.