1974/12 gegrond

J. A. A. M. Lauwen en mw Stukje contra Story

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake Mr Bruin tegen Story

Mr H. G. Bruin te Breda heeft zich als raadsman van J. A. A. M. Lauwen en mevrouw J. Stukje-Schets, beiden te Breda (klagers), bij brieven van 10 april 1974 tot de Raad gewend met klachten tegen de heer D. Hendrikse te Haarlem, destijds hoofdredacteur van het weekblad Story (betrokkene). Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarop door de raadsman van klagers is gerepliceerd. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 20 november 1974. Aldaar verschenen klager Lauwen, bijgestaan door Mr Bruin, en betrokkene.

DE KLACHTEN

De klachten stellen twee punten aan de orde. Enerzijds betreffen zij een publikatie in Story van 22 februari 1974, waarover zowel Lauwen als mevrouw Stukje zich beklagen. In dit nummer verscheen onder het opschrift 'Vader Abraham heeft nu alleen nog dochters' een artikel over de zgn. 'Vader Abraham Show', waarin - onder het hoofd Twee zonen die de show bedrogen - de volgende zinsneden voorkomen:

'Abraham begon zijn showgezin met zes Goede Zonen. Allemaal vrienden en kennissen en stuk voor stuk figuren die wel voor een geintje te porren waren. Maar wat als geintje was bedoeld, werd onverwacht werkelijkheid.
En vader Abraham plonsde met zijn 'Goede Zonen ' middenin 't bonte wereldje van show en glamour. Het geld stroomde binnen ... Maar al gauw kwamen de problemen. Vier zonen verlieten het ouderlijk huis na ruzie en toen de twee andere het showgezin door oplichting voor een paar ton in de ellende hielpen, hield Vader Abraham bijna op te bestaan. Door de organisatie zelf ter hand te nemen, kon Abraham zijn showgezin redden en de weg van het succes voortzetten. De twee 'kwaaje zonen' werden uit het huis verbannen. Nu zijn het zes dochters!
En nu heeft Abraham alleen nog dochters. Want de laatste twee Goede Zonen groeiden uit de korte broek en de kniekousen en lieten pa Abraham weten wat anders te willen gaan doen. Zoon Ad Nijkamp werd aangesteld als organisator van de show en regelaar voor alles wat daarbij komt kijken, zoon Ben van Dongen vatte het plan op een bar te beginnen. En daarmee hielden de Goede Zonen op te bestaan.'

In het artikel worden van de vier Goede Zonen slechts Nijkamp en Van Dongen genoemd. Daarmee is het niet alleen voor ingewijden, maar bijvoorbeeld ook voor hen, die de gebeurtenissen in de showwereld volgen of voor de inwoners van Breda en regio (waar alle genoemden, Kartner, Nijkamp, Van Dongen, Lauwen, klaagsters echtgenoot, grote lokale bekendheid genoten), zonder meer duidelijk, dat het bij de Goede Zonen, die van bedrog en oplichting beschuldigd worden, gaat om klager en klaagsters overleden echtgenoot.

Klagers zien in deze loze betichtingen met de ernstige strafbare feiten van bedrog en oplichting een opzettelijke aantasting van eer en goede naam. Nimmer hebben Lauwen en Stukje zich aan deze strafbare feiten schuldig gemaakt. Nog minder is ooit aangifte van oplichting gedaan, laat staan dat er ooit een politieonderzoek of een gerechtelijke vervolging en veroordeling ter zake van oplichting heeft plaatsgevonden.

Naast deze klacht over opzettelijke aantasting van eer en goede naam richt klager Lauwen zich met een tweede bezwaar tegen betrokkene in verband met de naar aanleiding van het artikel in Story gevoerde briefwisseling tussen klager en betrokkene. Op 26 februari 1974 schreef klager Lauwen een brief, gericht aan de directie en redactie van het weekblad Story, waarin o.m. het volgende staat: 'Voordat ik echter tot het doen vaststellen en invorderen van deze schade overga wil ik u in de gelegenheid stellen de in uw artikel geuite beschuldigingen volledig terug te nemen en uw beweringen, voorzien van uw verontschuldigingen, maar overigens zonder enig commentaar uwerzijds, te rectificeren door onverkorte plaatsing van dit schrijven in de eerstvolgende aflevering van uw weekblad op een opvallende en voor alle lezers duidelijk zichtbare plaats. '
In antwoord op deze brief schreef betrokkene op 14 maart 1974 o.m. het volgende:

'Mijne heren,
In antwoord op uw schrijven d.d. 26 februari j. 1. het volgende. U hebt gelijk dat wij ten onrechte twee, overigens niet met name genoemde, 'Goede Zonen' hebben beticht van oplichting. Het staat u natuurlijk vrij te concluderen dat hiermee worden bedoeld de heren Lauwen en Stukje, doch die conclusie blijft uiteraard geheel voor uw rekening. Niettemin zijn wij gaarne bereid in Story te publiceren dat er nimmer een 'Goede Zoon ' is veroordeeld wegens oplichting. Gaarne zou ik dus van u vernemen of u dit alsnog wenst, waarbij ik u er wel op wil wijzen dat wij ons dan het recht voorbehouden uitvoeriger in te gaan op de achtergronden van dit gerucht'.

Uit de verdere inhoud van die brief blijkt dan dat die 'achtergronden van dit gerucht' bestaan uit een aantal ten opzichte van Lauwen en wijlen Stukje onaangename uitlatingen, onder andere over een tiental, grotendeels aanzienlijke, beweerdelijk nog onbetaalde vorderingen.
Klager stelt dat betrokkene, nu hij erkent dat de betichting van klager van oplichting ten onrechte is geschied, eigener beweging onmiddellijk had behoren te rectificeren. In plaats daarvan dreigt betrokkene met de publikatie van (deels ware, deels pertinent onware) achtergronden, indien klager blijft staan op zijn wens tot rectificatie, en probeert aldus klager van zijn - erkend - gerechtvaardigde rectificatie-eis af te brengen.

HET VERWEER

Het verweer, zoals dat in de stukken is gevoerd en ter zitting nader is uitgewerkt, laat zich als volgt weergeven.
Betrokkene erkent dat de beschuldigingen in de gewraakte passage in het artikel ten onrechte zijn geuit en dat Lauwen en Stukje als 'beschuldigden' wel herkenbaar zullen zijn geweest voor die lezers van Story die zich voor de showwereld interesseren.
Ten aanzien van zijn antwoord op klagers brief van 26 februari 1974 stelt betrokkene in zijn verweerschrift het volgende:
'Inhoud en toon van deze brief waren van dien aard, dat naar mijn mening de briefschrijver een soortgelijk antwoord verdiende. Dit kreeg hij met mijn schrijven van 14 maart 1974. Uit de bij uw raad ingediende klacht blijkt nu dat de ontvanger van dit schrijven de inhoud letterlijk en serieus heeft genomen. Het was mijn bedoeling hem duidelijk te maken, dat ik een rectificatie van de gewraakte zinsnede geenszins afwees, doch dat het niet aangaat hierbij voorwaarden te stellen zoals de directeur van Vabramproducties deed in de alinea: ' . . . voorzien van uw verontschuldigingen, maar overigens zonder commentaar uwerzijds te rectificeren door onverkorte plaatsing van dit schrijven in de eerstvolgende aflevering van uw weekblad op een opvallende en voor alle lezers duidelijk zichtbare plaats'. Een voorwaarde welke bovendien nog gevolgd werd door een dreigement'.

DE REPLIEK

De repliek, alsmede hetgeen ter zitting nader is gesteld, laat zich als volgt samenvatten.
De eis tot rectificatie, zoals die in de brief van 26 februari 1974 werd geformuleerd, stelt geenszins onaanvaardbare voorwaarden. De eis stemt overeen met die welke de rechter in kort geding aan een bevel tot rectificatie verbindt.
Klagers begrijpen niet dat betrokkene er verbaasd over is dat zij de inhoud van de brief van betrokkene letterlijk en serieus hebben genomen. Niets in die brief wijst erop dat klagers die brief anders hadden moeten begrijpen.

OVERWEGINGEN

De beschuldigingen in het artikel in Story van 22 februari 1974 zijn ontoelaatbaar. Betrokkene heeft dat ook erkend, evenals het feit dat een lezer - die thuis is in die showwereld - uit het artikel kan opmaken om welke personen het gaat. Betrokkene stelt dat de voorwaarden die klagers aan hun rectificatie-eis verbonden niet aanvaardbaar waren. De Raad kan in het midden laten of dat juist is, want in elk geval heeft betrokkene op die rectificatie-eis inadequaat en onaanvaardbaar gereageerd met zijn brief van 14 maart 1974. Zijn 'bereidheid ' tot rectificatie met het voorbehoud om dan wèl een aantal 'achtergronden ' te publiceren, levert geen aanbod op, waarop klagers in redelijkheid hadden moeten ingaan. Betrokkene wist dat men rectificatie van hem verlangde en aan dat verlangen had hij binnen de grenzen van de redelijkheid moeten voldoen.

BESLISSING

Betrokkene heeft zowel door de gewraakte zinsnede in het artikel in Story van 22 februari 1974 als door zijn reactie van 14 maart 1974 voor de rectificatie-eis van klagers de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 20 november 1974 door prof . mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, prof. mr P. J. Boukema mr F. Kuitenbrouwer, R. H. G. Schoonhoven en drs L. F. Tijmstra, leden, in tegenwoordigheid van mr G. P. A. Aler, plv. secretaris.

RvdJ 1974, 12.