1974/11 ongegrond

Mr Van der Voort contra Beurs Express

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Mr van der Voort tegen Beurs Express

Mr H. G. M. van der Voort te Naarden (klager) heeft per brief van 4 juni 1974 bij de Raad een klacht ingediend tegen de heer J. List te Castricum, hoofdredacteur van het toenmalige weekblad Beurs Express (betrokkene). In het voorlopig onderzoek is betrokkene verzocht een verweerschrift in te zenden; daaraan heeft hij niet voldaan. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 13 november 1974, waar zowel klager als betrokkene zijn verschenen. Betrokkene is erop gewezen dat hij het lid van de Raad H. ten Brink kan wraken, doch hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

DE KLACHT

Klager heeft kort samengevat, in zijn klaagschrift, nader toegelicht ter zitting, het volgende gesteld.
Hij publiceert sinds tien jaar met enige regelmaat als medewerker van het Financiële Dagblad voluit gesigneerde artikelen in deze krant; zo ook in het nummer van 17 april 1974 het stuk 'Kennismaken met Robigo'. In dit artikel, waarvan de titel afkomstig was uit een advertentie in Beurs Express van dit - aan Beurs Express N.V. gelieerde - bedrijf, had klager een beschouwing gewijd aan de merites van de door Robigo te koop aangeboden 'tripolito's' op het Canarische eiland Fuerteventura, in het bijzonder ook aan de zin uit de advertentie 'De koper wordt een netto jaarrendement van 12
gegarandeerd gedurende een periode van tenminste 10 jaar'. terwijl hij de fiscale gevolgen van een overeenkomst met Robigo uiteenzette. Hij kwam tot de conclusies dat o.a. de 'koper' geen eigenaar werd en dat van een werkelijke garantie geen sprake kon zijn.
Voordat hij het stuk schreef, had hij op 5 maart 1974 een brief aan Robigo gezonden met het verzoek om nadere inlichtingen over een vijftal concreet omschreven punten, waaronder de twee bovengenoemde (eigendom en garantie). Hierop ontving hij geen antwoord vóór hij op 18 maart 1974 een brief richtte aan de hoofdredactie van Vast Goed Internationaal, een eveneens door Beurs Express NV uitgegeven periodiek, waarvan betrokkene tevens hoofdredacteur was. In deze brief verzocht hij betrokkene, bij de directie van Robigo aan te dringen op een spoedige beantwoording van zijn brief van 5 maart. Toen klager op 31 maart op geen van beide brieven antwoord had ontvangen, wendde hij zich opnieuw met een brief tot Robigo, waarin hij onder verwijzing naar zijn brief van 5 maart zijn voornemen te kennen gaf zich te zullen wenden tot de voorzitter van de Reclame Code Commissie om een onderzoek te doen instellen naar deze advertentie, indien een antwoord uitbleef. Toen hij zijn brief, voorzien van het onderschrift 'Doen!' en het stempel van Robigo B.V. terugontving, heeft hij dit voornemen uitgevoerd. In een Openbare Aanbeveling constateerde de Reclame Code Commissie op 24 mei 1974 dat de advertentie van Robigo niet in overeenstemming met de waarheid en misleidend was.
Inmiddels had klager op 17 april zijn bovengenoemd artikel gepubliceerd, waarvoor hij de gegevens, nu hij die niet van Robigo had kunnen verkrijgen, had ontleend aan een interview van FEM met de directeur van Robigo. Daarop heeft betrokkene in het nummer van 18 mei 1974 van Beurs Express onder de titel 'Niet voor de wolven gegooid' een hoofdartikel gepubliceerd waarin hij refereerde aan het zojuist door Beurs Express tegen het weekblad Deze Week aanhangig gemaakte kort geding, waarbij dit blad gesommeerd werd een aantal beschuldigingen tegen Beurs Express in zijn kolommen terug te nemen. In dit artikel komt de volgende alinea voor:

'Het heeft mij als journalist meer dan verbaasd dat de normale gedragsregels van de journalistieke ethiek bij sommige persorganen blijkbaar zonder meer overboord gaan als het tegen Beurs Express c. s. gaat.
Maar tot een andere conclusie kan ik moeilijk komen als ik zie dat zelfs het zo gerespecteerde Financiële Dagblad een scribent aan het woord laat, die expliciet zijn kritiek begint met de verklaring dat hij zijn informatie niet bij ons heeft gehaald, doch zijn verhaal baseert op een verhaal in een ander blad... . '

Klager, die er in zijn stuk geen doekjes om had gewonden dat hem door Robigo informatie was geweigerd en dat hij zich had gebaseerd op het interview in FEM, stelt dat betrokkene, nu deze wist dat hij tevergeefs om informatie had gevraagd bij Robigo en betrokkene zelf, hem door zijn handelwijze heeft geschaad in zijn goede reputatie als publicist en met name als medewerker van het Financiële Dagblad. Voor een ieder in de journalistieke en financiële wereld was het - aldus klager - duidelijk dat betrokkene met 'een scribent' hem bedoelde in verband met zijn bovengenoemd artikel.
In een brief van 28 mei 1974 heeft hij betrokkene zijn standpunt uiteengezet en hem verzocht de desbetreffende passage in Beurs Express terug te nemen. Betrokkene is hierop niet ingegaan.

HET VERWEER

Betrokkene zegt in zijn artikel alleen het feit te hebben geconstateerd dat het Financiële Dagblad iemand aan het woord laat met een verhaal gebaseerd op een verhaal in een ander blad. Hoewel de betwiste alinea inderdaad op klager doelde, heeft hij zijn kritiek vooral gericht op het beleid van de hoofdredactie, die een scribent op grond van deze gegevens uit de tweede hand aan het woord had gelaten. Klager had, toen hij inlichtingen inwon, moeten zeggen dat hij vond dat Beurs Express een misleidende advertentie had gepubliceerd, maar hij heeft zich gewend tot Robigo en Vast Goed Internationaal met verzoeken om informaties, zonder dat uit deze brieven duidelijk kon worden dat hij deze vroeg met het oog op een te schrijven publikatie over de geadverteerde tripolito's. Als hoofdredacteur van Vast Goed Internationaal heeft hij klagers brief van l8 maart door gegeven aan de commerciële afdeling van Robigo, in de veronderstelling dat het een verzoek van een mogelijke klant betrof.
Desgevraagd zegt betrokkene, wel eens een artikel van klager te hebben gelezen maar hem niet te kennen als vaste medewerker van het Financiële Dagblad en zeker niet als journalist. Onder 'Beurs Express c.s.' en 'ons' in zijn artikel zijn ook Robigo en Vast Goed Internationaal te verstaan, maar ondanks deze verwevenheid was het betrokkene niet expliciet bekend dat klager geen antwoord had ontvangen op zijn brieven; wel had hij vernomen dat de verhouding tussen klager en Robigo niet zo goed was, doch pas na de brief van 18 maart. Op de zitting van de Reclame Code Commissie is hij met een der directeuren van Robigo verschenen bij wijze van raadsman voor hem, niet op grond van enigerlei dienstverband met Robigo.
Samenvattend zegt betrokkene dat de betwiste passage vooral is bedoeld als kritiek op het hoofdredactionele beleid van het Financiële Dagblad. Indien klager zich in zijn brieven als journalist had gepresenteerd en op journalistieke wijze informatie had gevraagd, zouden die brieven anders behandeld zijn en niet het klimaat geschapen hebben, van waaruit hij zijn artikel geschreven heeft, en waarin betrokkene daarop heeft gereageerd.

OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft in de betwiste passage mede gedoeld op klager, die duidelijk herkenbaar wordt gemaakt als de 'scribent' van het Financiële Dagblad die schrijft op grond van informatie die hij 'niet bij ons heeft gehaald'.
Klager heeft wel degelijk informaties gevraagd, ook via betrokkene. Uit zijn brieven blijkt echter op geen enkele wijze dat hij ze vroeg met het oog op een hierover te publiceren artikel. Daargelaten of klager al dan niet aan betrokkene bekend was als regelmatig medewerker van het Financiële Dagblad, hij hoefde er daarom op grond van de inhoud van deze brieven niet van uit te gaan dat klager.ze had geschreven als journalist en niet b.v. als potentiële klant van Robigo.
Daar staat tegenover dat betrokkene, toen deze zijn artikel op 18 mei publiceerde, inmiddels wist of in elk geval wel moet hebben kunnen begrijpen, uit hetgeen er ten kantore van Beurs Express 'c.s.' en tijdens de zitting op 10 mei van de Reclame Code Commissie gebeurd was, wie klager was en wat hij beoogde met zijn verzoeken om informatie.
Hem kan derhalve een verwijt van lichte onzorgvuldigheid niet ontgaan, zij het ook dat rekening dient te worden gehouden met de wijze waarop klager zijn brieven met verzoeken om informatie heeft ingekleed.

BESLISSING

Er is geen reden een hard oordeel uit te spreken over de gedragingen van betrokkene, al was het niet juist dat hij geschreven heeft dat klager zijn informatie 'niet bij ons heeft gehaald', daarmee suggererend dat klager in het geheel niet getracht heeft bij betrokkene te informeren.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 13 november 1974 van de Raad door prof. mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter, H. ten Brink, D. F. Houwaart, drs H. W. M. van Run en drs A. A. V. Tummers, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 11.