1974/10 gegrond

Mevrouw E. Fawzi contra Libelle

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake mevrouw Fawzi tegen Libelle

Mevrouw E. Fawzi-Popken te Hendrik Ido Ambacht (klaagster) heeft bij brieven van 18 maart en 22 april 1974 bij de Raad een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Libelle. Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de heer P. M. Middeldorp te Haarlem (betrokkene) als hoofdredacteur een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die deze heeft behandeld op de zitting van 13 november 1974, waar zowel klaagster als betrokkene zijn verschenen.

DE KLACHT

De grieven van klaagster, zoals nader toegelicht tijdens de zitting, komen samengevat op het volgende neer.

Klaagster, wier echtgenoot Egyptenaar is, werd medio februari benaderd door mevrouw Tineke Beishuizen, die haar vroeg om een interview voor Libelle, dat een artikel wilde publiceren over vier Nederlandse vrouwen, getrouwd met Arabische mannen, vooral omtrent hun leefwijze in Arabische landen. Gezegd werd dat het ging om een positief stuk als tegenhanger op de voornamelijk negatieve berichten over de Arabische landen, in de laatste tijd in de pers verschenen als gevolg van de olieboycot tegen ons land.
Tijdens het interview, waarin klaagster had toegestemd onder de - door de interviewster aanvaarde - voorwaarde dat klaagster het artikel ter lezing zou ontvangen vóór publikatie, heeft mevrouw Beishuizen met klaagster gesproken over hoe ze haar man had leren kennen, over haar Egyptische ervaringen, haar schoonouders, haar kinderen, het eten, de godsdienst, kortom over de wijze van leven in de Arabische wereld zoals ervaren door een Nederlandse vrouw, gehuwd met een Arabier.
Omstreeks 15 maart - zij had toen nog geen artikel ter lezing ontvangen - werd klaagster attent gemaakt op de aankondiging op de voorlaatste pagina van de Libelle van die week (1974 nr. 11) van 'haar' artikel, luidende: 'Mijn man blijft toch altijd de baas! Hoe is het nou om getrouwd te zijn met een Arabier? Hoe is zo 'n man in werkelijkheid, als echtgenoot en als vader?', dat in het volgende nummer zou verschijnen.
Ongerust geworden over het uitblijven van de toegezegde tekst en over de omschrijving, die niet overeenkwam met de haar meegedeelde inhoud van het te publiceren stuk, heeft zij betrokkene opgebeld. Deze deelde haar mee dat de opzet ervan iets was veranderd maar dat het interview met haar er wel in was verwerkt. Op haar vraag, het alsnog te mogen lezen, antwoordde betrokkene dat dat niet meer mogelijk was omdat het nummer reeds gedrukt werd; wel heeft hij haar de tekst van het gedeelte waarin het interview met klaagster was verwerkt, voorgelezen. Klaagster verklaarde zich telefonisch accoord met deze tekst. De rest van het artikel is haar niet bekend gemaakt.
Groot was haar ontsteltenis toen zij het nummer van 22 maart van de Libelle in handen kreeg. Op blz. 7 stond in de rubriek 'Deze week in Libelle' over het artikel 'Mijn man blijft toch altijd de baas' o.m. het volgende: 'Tineke Beishuizen had de opdracht gekregen om te gaan praten met Nederlandse vrouwen die met een Arabier getrouwd zijn. Zij zorgde - dat zijn wij van haar gewend - voor een voortreffelijk artikel. Maar Tineke had één handicap bij het maken van deze reportage. Ze kon zo gauw niet meer naar de Arabische landen; ze moest het doen met de reacties van vrouwen die met een Arabier getrouwd zijn en nu - om welke reden dan ook in Nederland wonen. Een andere medewerkster van ons, Andrea Snoyink, zwerft op het ogenblik met man en hond over de wereld. In Tunesië had ze een zeer openhartig gesprek met Nederlandse Christien, die getrouwd is met Arabische Hassan. Vlak voor de pers begon te draaien kwam het ontroerende verhaal dat Andrea maakt op het bureau van reportage-baas Cor de Horde terecht. 'Dit is het!', riep hij enthousiast. En zonder mededogen (maar wel met troostende woorden aan Tineke) schrapte hij het leeuwedeel van Tinekes verhaal en zette dat van Andrea ervoor in de plaats.'

Op de titelpagina's voor het artikel zelf wordt de titel 'Mijn man blijft toch altijd de baas' voorafgegaan door een tekst waarvan de laatste zin luidt: 'Zelfs de weinige Nederlandse vrouwen die hier getrouwd zijn met een Arabier, moesten bekennen dat ze pas daar ontdekten hoe hij in werkelijkheid is.' Het stuk bevat, grotendeels in citaatvorm, het verhaal van 'Christien', die ruim negen jaar in Tunesië woont, over haar 'trieste huwelijk in een zonnig land'. Zij wordt in de tweede alinea aldus sprekend ingevoerd: 'Ik geloof niet in een gelukkig huwelijk met een Arabier. Zelf heb ik te krampachtig de schijn opgehouden om nu niet door al die mooie verhalen van andere vrouwen heen te prikken'. In dit stuk zijn--in een drietal kaders over de pagina's verspreid--drie van de door mevrouw Beishuizen afgenomen interviews opgenomen met volle naam van de geïnterviewden en een foto van de echtparen erbij zo ook dat met klaagster, waarvan zij de tekst na telefonische voorlezing had goedgekeurd, zonder^te weten dat het in een artikel van deze strekking zou worden geplaatst.
Op 18 maart richtte zij zich--behalve tot de Raad--ook met een brief tot de redactie van Libelle om haar ongenoegen over deze gang van zaken te kennen te geven, immers aan de toezegging tot toezending van het stuk voor publikatie was geen gevolg gegeven, terwijl de inhoud ervan totaal niet klopte met hetgeen haar daarover was meegedeeld en met de onderwerpen waarover het interview was gegaan. Juist dit onderwerp - het huwelijksleven met een Arabier was daarin niet ter sprake gekomen; indien wel, dan had zij uitdrukkelijk kunnen meedelen reeds acht jaar een zeer gelukkig huwelijk te hebben, maar dit was haar niet gevraagd. Met het antwoord van de chef reportages op haar brief nam zij geen genoegen en zij wendde zich met een klacht tot de Raad.

In haar brief van 22 april somt zij als grieven op:
- het valse beeld van de aard van het te schrijven artikel zoals gegeven door mevrouw Beishuizen
- het niet gestand doen van de belofte tot toezending van het stuk vóór publikatie;
- de inlassing van het met haar gehouden interview in een stuk van geheel andere strekking en over een onderwerp waarover haar geen gelegenheid is gegeven zich uit te spreken;
-de zin in de brief van de chef reportages waarin hij - na te hebben gezegd 'dat het geenszins onze bedoeling is geweest om een zogenaamd positief verhaal als tegenhanger van negatieve verhalen te publiceren' - vervolgt: 'Ons streven was erop gericht om een eerlijk objectief verhaal te brengen waarin alle facetten aan bod zouden moeten komen, zowel positieve als negatieve', terwijl dit verhaal van één persoon afkomstig, de pretentie heeft ook de ervaringen van de geïnterviewden weer te geven ('Zelfs de weinige Nederlandse vrouwen die hier getrouwd zijn met een Arabier, moesten bekennen dat ze pas daar ontdekten hoe hij in werkelijkheid is') zonder dat met hen althans in elk geval met klaagster, is gesproken over hun huwelijksrelaties;
-de suggestie die van de titel en de bijtitel uitgaat dat de in Nederland geïnterviewden 'moesten bekennen' dat ook hun man 'toch de baas blijft', nog versterkt door de uitlating van 'Christien' dat zij 'door die mooie verhalen van andere vrouwen heenprikt' en niet gelooft in een gelukkig huwelijk met een Arabier.

Desgevraagd zegt klaagster nog, dat - ook al zou haar de tekst van het interview zijn toegezonden en zij zich hiermee accoord had verklaard, evenwel zonder de rest van het artikel te kennen--zij zich ook dan tot de Raad zou hebben gewend, juist omdat zij niet op de hoogte is gesteld van de verandering in de strekking van het verhaal zoals die naar voren kwam in de mededeling van mevrouw Beishuizen tegenover die in het hoofdredactionele stuk 'Deze week in Libelle'.

HET VERWEER

Betrokkene stelt in zijn verweerschrift voorop dat het hem spijt dat de redactie klaagster - zij het ongewild - reden tot ontevredenheid heeft gegeven doordat de belofte, haar de tekst voor publikatie te laten lezen, niet is ingelost. Betrokkene schrijft: 'Als wij geweten hadden dat dit mevrouw Fawzi was beloofd zouden wij haar zeker de tekst van het interview met haar hebben voorgelegd. De andere interviews die wij in hetzelfde kader plaatsten beslist niet, omdat ik van mening ben, dat mevrouw Fawzi daarvoor geen verantwoordelijkheid draagt.'

Wat betreft de eerste grief van klaagster verwijst betrokkene naar de brief van de chef reportages aan haar waarin deze stelt: 'Het is moeilijk om nu nog precies na te gaan op welke wijze onze medewerkster Tineke Beishuizen u indertijd benaderd heeft, maar we willen er graag met nadruk op wijzen dat het geenszins onze bedoeling is geweest om een zogenaamd positief verhaal als tegenhanger van negatieve verhalen te publiceren. Ons streven was erop gericht om een eerlijk, objectief verhaal te brengen, waarin alle facetten aan bod zouden moeten komen, zowel positieve als negatieve. Mocht u een andere indruk hebben gekregen, dan heeft onze medewerkster kennelijk een verkeerde voorstelling van zaken gegeven. Het spijt ons zeer als u hierdoor een verkeerd beeld zou hebben gekregen van de opzet van ons artikel.' Betrokkene kan niets negatiefs vinden in het interview met klaagster dat gepubliceerd is.

Over de verdere grieven van klaagster heeft de chef reportages haar geschreven: 'Een ander belangrijk bezwaar van u richt zich op de redactie van het artikel. Interviews moeten soms worden ingekort of gecombineerd met andere artikelen, maar ook dan is het correcter als de betrokkenen van te voren daarvan op de hoogte zijn. We betreuren het dat dit in uw geval niet gebeurd is.' De brief besluit aldus: 'Wij hopen evenwel dat u begrip kunt hebben voor het streven naar objectiviteit, zoals dit in het betrokken artikel zijn weerslag heeft gevonden, evenals wij begrijpen dat bepaalde zaken voor u minder prettig zijn overgekomen. Voor dat laatste willen wij graag onze spijt betuigen.'

Ter zitting voegt betrokkene daar desgevraagd aan toe dat mevrouw Beishuizen een free-lance-medewerkster is, die op initiatief van de redactie over het onderwerp Ara- bisch-Nederlandse huwelijken de interviews heeft afgenomen en uitgewerkt, niet in artikelvorm maar als vier losse stukken. Volstrekt toevallig kwam in diezelfde tijd het stuk van Andrea Snoyink - eveneens free lance-medewerkster binnen, met wie geen andere afspraak bestond dan het leveren van reisverhalen over vrije onderwerpen van de wereldreis, die zij maakte. Van deze coïncidentie is gebruik gemaakt om van de interviews en het reisverhaal één artikel te maken. Betrokkene heeft als praktijk, nooit inzage te geven van artikelen aan eventueel daarbij betrokken personen. Nu mevrouw Beishuizen dat blijkbaar wel heeft toegezegd, neemt hij de verantwoordelijkheid daarvoor op zich. Hij zou haar echter alleen haar eigen interview hebben toegezonden, niet het gehele stuk.

Betrokkene acht het artikel in zijn geheel een objectief stuk: naast de negatieve ervaringen van 'Christien' zijn de positieve van de vier geïnterviewden geplaatst. Klaagster heeft wel degelijk haar stem kunnen laten horen in het gepubliceerde interview. Dit paste in het kader van de veranderde opzet en daarom was het niet nodig klaagster kennis te laten nemen van iets meer dan de tekst van het haar afgenomen interview (zoals hij dat telefonisch heeft gedaan), en ook was het niet nodig haar daarbij in te lichten over de strekking van de rest. Indien het artikel van Andrea Snoyink niet gelijktijdig was binnengekomen, zouden er twee artikelen zijn gekomen, op andere wijze geredigeerd dan dit ene.

OVERWEGINGEN

Betrokkene heeft de verantwoordelijkheid voor de toezegging aan klaagster dat deze de tekst van het haar afgenomen interview ter lezing zou ontvangen, op zich genomen. Zowel hij als de chef reportages hebben hun spijt betuigd dat deze toezegging niet gestand is gedaan hetgeen door klaagster niet is aanvaard.
Zij heeft immers, ongerust geworden door de vooraankondiging van het artikel op 15 maart, terstond haar bezwaren telefonisch aan betrokkene kenbaar gemaakt. Desondanks is het artikel gepubliceerd zonder dat in hetzelfde of een kort daarop volgend nummer is ingegaan op haar bezwaren. Dat zij zich tijdens het telefoongesprek met betrokkene accoord heeft verklaard met de tekst van het haar betreffende interview dat hij haar toen voorlas, doet daaraan niet af, immers de kern van haar grieven is niet de inhoud van het interview, maar de functie die dit kreeg in het geheel van het artikel waarvan zij niet op de hoogte was.
Naar het oordeel van de Raad had klaagster, ook indien zij niet tevoren onvoldoende was ingelicht over de strekking van het te publiceren artikel, nog terecht bezwaar kunnen hebben tegen het gebruik, dat van haar uitlatingen is gemaakt. Ze zijn in een typografisch ondergeschikte positie terecht gekomen in een stuk over één ongelukkig huwelijk van een Nederlandse vrouw met een Tunesiër waarvan de negatieve strekking zich duidelijk uitstrekt over en invloed heeft op de in kader tussengevoegde interviews. Deze werking is nog versterkt doordat aan de aan duidelijkheid niets te
wensen overlatende titel de zin is toegevoegd dat de geïnterviewden iets moesten bekennen, waarover klaagster zich in het geheel niet had uitgelaten: haar huwelijksgeluk. De lezer die dan meteen in de tweede alinea leest dat 'Christien' niet gelooft in een gelukkig huwelijk met een Arabier en dat ze nu 'door al die mooie verhalen van andere vrouwen heen (zal) prikken', kan zich moeilijk aan de suggestie onttrekken dat hiermee ook de verhalen van de geïnterviewden die haar verhaal omringen bedoeld zijn.
Dat de redactie hier door toevallige omstandigheden de beschikking kreeg over materiaal uit verschillende bronnen doch met een gemeenschappelijk gegeven, n.l. het ArabischNederlandse huwelijk, had met het oog op de mogelijkheid van discriminatie en kwetsing van de persoonlijke intimiteit van klaagster tot grotere zorgvuldigheid moeten leiden bij de wijze van redigeren van dit materiaal. Ook als men in aanmerking neemt de korte tijd voor afweging van zulke belangen, ontstaan door deze toevallige samenval van materiaal, is betrokkene daarin tekort geschoten.

BESLISSING

Betrokkene heeft bij de samenvoeging van het interview van klaagster met een toevallig binnengekomen verhaal over het mislukte huwelijk van een Nederlandse vrouw met een Tunesiër, niet voldoende zorgvuldigheid in acht genomen bij de afweging van de belangen van de geïnterviewde klaagster, aan wie een gans ander beeld was gegeven van de strekking van het artikel waarin het interview zou worden verwerkt en aan haar bezwaren onvoldoende aandacht besteed. Hij heeft hiermee de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 13 november 19 74 door prof. mr Ch. J. Enschede, voorzitter, H. ten Brink, D. F. Houwaart drs H. W. M. van Run en drs A. A. V. Tummers, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1974, 10.