1974/1 ongegrond

Mr A. A. J. Rijksen contra Goudsche Courant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake mr Rijksen tegen de Goudsche Courant

Mr A. A. J. Rijksen te Gouda, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 12 januari 1973 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen H. A. M. Hoefnagels, hoofdredacteur van de Sijthoff Pers en W. P. Pruschen, chef-redacteur van de Goudsche Courant, hierna te noemen betrokkenen.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene Hoefnagels een verweerschrift ingediend, waarna door mr Rijksen is gerepliceerd en door de heer Hoefnagels is gedupliceerd. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die haar heeft behandeld ter zitting van 14 maart 1974. Aldaar verschenen mr A. van Leijenhorst, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van klager, alsmede mr K. J. de Bruijn, als gemachtigde van betrokkene Hoefnagels, en betrokkene W. P. Pruschen.

KLACHT EN VERWEER

De klacht is ingediend naar aanleiding van een op klager betrekking hebbend bericht in de Goudsche Courant van 27 oktober 1972 luidend:

BOMEN IN ANDERMANS TUIN OMGEZAAGD

GOUDA - In de tuin van het pand Van Berninghlaan 5 te Gouda is tijdens afwezigheid van de eigenaar en zonder diens toestemming een aantal kapitale bomen omgezaagd. Dat is door een tuinman gebeurd op last van een 78-jarige advocaat, woonachtig aan de Crabethstraat, die zei hinder van deze bomen te hebben.
Het huis, dat na vertrek van de directeur-geneesheer van het Bleulandziekenhuis J. H. Weggelaar naar Losser, even leeg heeft gestaan, is onlangs gekocht.
Toen de nieuwe bewoner naar zijn, naar verwachting, prachtige tuin kwam kijken, trof hij er een partij omgezaagde bomen aan. De schade wordt geschat op f 5.000,-.

Klager stelt, zakelijk weergegeven, dat het bericht feitelijk onjuist is, aangezien hij niet 'een aantal kapitale bomen' zonder toestemming heeft doen omzagen, maar slechts een ~centimeter dikke zijtak van een kastanjeboompje heeft doen wegzagen, terwijl hij daarbij in de mening verkeerde, daartoe gerechtigd te zijn op grond van een aan hem door de heer Weggelaar gedane toezegging. Door deze onjuiste publikatie die plaats vond zonder dat klager tevoren in de gelegenheid was gesteld zich daarover uit te laten, is klager in zijn eer en goede naam geschaad. De heer Pruschen weigerde in te gaan op klagers telefonisch verzoek van I november 1972 om medewerking dat de redacteur-politieberichten zou komen kijken, hoe onjuist de aantijging was. Aan een tot de directie van de Goudsche Courant gerichte schriftelijke sommatie van 2 november 1972, om te zorgen dat bedoelde redacteur kwam kennis nemen van de werkelijke situatie, werd eveneens geen gevolg gegeven.
In het verweerschrift wordt aangevoerd dat de heer Pruschen klager tijdens voormeld telefoongesprek heeft meegedeeld dat het bericht afkomstig was van de politie. Hij deelde klager mee dat hij bereid was over dit bericht contact op te nemen met de hoofdinspecteur Pijls, die in Gouda de contacten met de pers verzorgt. Indien zou blijken dat het bericht de mededelingen van de politie onjuist weergegeven had, zou gerectificeerd worden. Klager persisteerde echter bij zijn eis dat de verslaggever bij hem langs moest komen. Op verzoek van de heer Pruschen heeft de betrokken verslaggever de volgende dag klagers opmerkingen met de heer Pijls besproken. Deze bevestigde toen dat het bericht in overeenstemming was met het proces-verbaal dat de politie op basis van de verklaringen van de oude en nieuwe eigenaar van het betreffende pand had opgemaakt. Naar aanleiding van de bij de Raad ingediende klacht heeft de heer Pruschen op 22 maart 1973 de zaak nogmaals met de heer Pijls besproken. Deze bevestigde opnieuw de juistheid van het bericht.

REPLIEK EN DUPLIEK

Bij repliek voerde klager zakelijk het volgende aan.
De klacht betreft het onfatsoenlijk gedrag om op een ongecontroleerd politiebericht een bericht te plaatsen, dat kennelijk bedoeld was sensatie te verwekken en de weigering om daarna ter plaatse zich van de onjuistheid te komen overtuigen.
Pas na de publikatie is de politierechercheur ter plaatse komen controleren. De hele boomkapperij, die zich tot een kastanjetak (doorsnee tak 5 cm) beperkte en verder knotwilgen betrof waarvoor door de oude eigenaar toestemming was verleend, lag nog ter bezichtiging langs de sloot.
Bij het gesprek op 22 maart zal de heer Pijls wel aan de heer Pruschen hebben meegedeeld, dat de officier van justitie reeds op 10 januari 1973 de zaak had geseponeerd op grond van gebrek aan bewijs van enige aanwijzing omtrent de opzet tot vernieling van eens anders eigendom. Hij heeft zulks niet gepubliceerd.
Het bij dupliek aangevoerde kan als volgt worden samengevat. Het is voor de redactie van de Goudsche Courant ondoenlijk en in vele gevallen zelfs onmogelijk om alle berichten die zij van de Goudse politie krijgt, op hun juistheid te controleren. Er mag van worden uitgegaan dat zij steunen op ambtsedige processen-verbaal. Wanneer de redactie op een eventuele fout geattendeerd wordt, neemt zij steeds contact op met de politie. Indien dan van enige onjuistheid blijkt, is de redactie steeds bereid een rectificatie te plaatsen. De dag nadat klager over het bericht met de krant contact had opgenomen heeft de redactie bij de hoofdinspecteur, die dagelijks het politierapport voorleest, geïnformeerd of het bericht juist was. Deze deelde toen mee dat het juist was. Het feit dat de officier van justitie de zaak heeft geseponeerd, heeft de heer Pruschen pas uit het klaagschrift van Mr Rijksen vernomen. Had Mr Rijksen zoveel prijs op rectificatie gesteld, dan had hij de Goudsche Courant daarvan toch eerder op de hoogte kunnen stellen. Mits behoorlijk gedocumenteerd zou men zeker bereid zijn geweest dit nieuwtje te publiceren. Na de klacht was dit echter geen nieuws meer.
In het kader van het voorlopig onderzoek heeft de voorzitter bij de heer V. Pijls, hoofdinspecteur van politie te Gouda, informatie ingewonnen. Daarop komt de Raad voorzover nodig in het navolgende nog terug.

ZITTING

Ter zitting is nog als getuige gehoord de heer J. Caljouw, die het bericht heeft opgesteld.
Partijen hebben daar de Raad nadere inlichtingen omtrent de toedracht der gebeurtenissen gegeven en zij hebben bij hun stellingen, die zij aldaar hebben toegelicht, volhard. Voorzover nodig komt de Raad hierna op een en ander terug.

OVERWEGINGEN

Aan de hand van de ter zitting namens klager afgelegde verklaringen vat de Raad de gebeurtenissen waarop het bericht betrekking had als volgt samen.
Tussen klagers erf en de tuin van het andere pand ligt een aan derden toebehorende sloot. Toen de heer Weggelaar nog in het pand woonde heeft klager met diens toestemming takken van in de tuin, en ook van de op de aan de tuin grenzende walkant van die sloot staande bomen laten kappen. Ten tijde dat het pand leeg stond heeft klager opnieuw zulke takken laten kappen; hij wist toen niet of het complex inmiddels in andere handen was overgegaan, en hij heeft zich over zijn voornemen niet met de eigenaar van pand en tuin verstaan. Klager drukt zich in zijn repliek als volgt uit: 'De gehele boomkapperij, die zich tot een kastanjetak (doorsnee 5 cm) beperkte en verder knotwilgen betrof waarvoor door de oude eigenaar toestemming was verleend ...'. De nieuwe eigenaar heeft tegen klager bij de politie een strafklacht gedaan.
De tijdens het voorlopig onderzoek door de heer Pijls aan de Raad verstrekte inlichtingen behelzen onder meer het navolgende.

'Ik heb (op de dagelijkse persconferentie) gezegd dat de benadeelde mij heeft verteld dat hij bij deskundigen had geïnformeerd hoeveel het zou kosten om alles in de oude toestand te herstellen. Omdat minstens één der vernielde bomen al jaren oud was zou vervanging daarvan erg kostbaar zijn; hij overwoog derhalve om een schadevergoeding van f 5.000;-- te vragen.... Dat kapitale bomen zijn omgezaagd is niet medegedeeld aan de journalist . . . Voor de rest is het bericht juist . . . Inderdaad heb ik na herhaald verzoek van Mr Rijksen de zaak zelf in ogenschouw genomen.... Ik trof daar aan wat door benadeelde omschreven was'.

Ter zitting heeft de heer J. Caljouw als getuige nog meegedeeld dat hij uit het feit dat een bedrag van f 5000 werd genoemd heeft opgemaakt, dat het om meerdere forse bomen moest gaan.
Wanneer de Raad deze gegevens vergelijkt met het bericht, dan blijkt dit in hoofdlijnen te beantwoorden aan de door de politie verstrekte inlichtingen. Blijkens die inlichtingen immers strekte de klacht van de nieuwe eigenaar zich uit over meer dan één 'vernielde boom' en noemde hij een schadevergoedingsbedrag van f 5.000,--. Het is de journalist niet euvel te duiden dat hij deze mededelingen interpreteerde als te handelen over 'een aantal kapitale bomen'; en zijn mededeling dat 'de schade wordt geschat op f 5.000;--' beantwoordde eveneens aan de inlichtingen die hij ontving van de politie.
Van de kant van klager is, wat vorenstaande feiten betreft, nog aangevoerd, dat de wilgen niet 'in andermans tuin' stonden, maar op de wal van de sloot die niet behoorde tot de tuin. De Raad laat dit punt als van onvoldoende belang ter zijde; de wilgen stonden in elk geval niet op klagers eigen terrein, maar op de aan de tuin van het lege pand grenzende wal aan de overkant van de sloot.

Dat het bericht klager onprettig heeft aangedaan laat zich horen; maar zijn opvatting, dat de krant hem tevoren gelegenheid had moeten geven zich daarover uit te laten, deelt de Raad niet. De krant mocht de berichten die zij in de routine van de dagelijkse persconferenties van de politie ontving zonder verificatie plaatsen. Zij is wel verantwoordelijk voor de getrouwheid van de weergave van de verkregen informatie; aan die eis is, gelijk betoogd, in dit geval voldaan.
Klager voelt zich bezwaard door de wijze waarop hij in het bericht is aangeduid. De Raad kan zich goed voorstellen dat hem dat onaangenaam is geweest. Toch dient het bezwaar te worden afgewezen. De bij een bericht betrokken personen moeten zodanig worden aangeduid dat er zo weinig mogelijk gevaar bestaat dat het bericht door de lezer in verband gebracht wordt met - enerzijds - niet bij het voorval betrokkenen, en - anderzijds - degeen die bij het voorval wel betrokken is. Tussen Scylla en Charibdis is het moeilijk zeilen, en ontwijken kan men de moeilijkheid niet: een geheel achterwege laten van elke aanduiding roept gevaren van onaanvaardbare selectieve berichtgeving op. In de gegeven situatie is de journalist er wellicht niet ten volle in geslaagd alle klippen te omzeilen, maar juist omdat het hier een binnen het verspreidingsgebied van de krant algemeen bekende persoonlijkheid betrof was dat ook wel moeilijk. Kortom: misschien had het beter gekund maar toch geeft de manier waarop het gedaan is de Raad geen aanleiding tot ernstige bedenking, waarbij zij aangetekend dat niet is gebleken van een kennelijke bedoeling om sensatie te verwekken, zoals door klager bij repliek is beweerd.
Wat tenslotte het rectificatierecht aangaat: in de stukken beklaagt de klager zich er slechts over dat men het sedert 22 maart 1973 toch wel bij de krant bekende feit, dat de justitie de strafzaak op 10 januari 1973 had geseponeerd, niet heeft gepubliceerd.
Klager heeft voordat hij op 12 januari 1973 zijn klacht bij de Raad diende noch daarna aan betrokkenen laten weten, dat de zaak was geseponeerd en dat hij publikatie van dat feit op prijs stelde.
Dat betrokkene voor 22 maart van dit feit op de hoogte was is niet gebleken. Inmiddels had dat feit aan nieuwswaarde ingeboet, en juist nu klager zijn zaak inmiddels aan de Raad had voorgelegd zou zo'n late publikatie bepaald niet voor de hand gelegen hebben. Ook op dit punt kan dus aan de betrokkenen redelijkerwijs geen verwijt gemaakt worden.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

Hij is echter van mening dat het wellicht aanbeveling had verdiend dat betrokkene, toen duidelijk was dat klager door het bericht getroffen was, klagers verzoek om ter plaatse te komen kijken, had ingewilligd. Daardoor zou beide partijen veel tijd en moeite bespaard zijn gebleven.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 14 maart 1974 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter; prof. mr P. J. Boukema, H. ten Brink, D. F. Houwaart en H. A. Uilenbroek, leden; in tegenwoordigheid van mr G. P. A. Aler, plv.-secretaris.

RvdJ 1974, 1.