1973/9 gegrond

Van Zomeren contra De Gelderlander

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Van Zomeren tegen De Gelderlander

De heer P. J. van Zomeren, optredend namens de Bond van Huurders en Woningzoekenden te Nijmegen, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 11 augustus 1972 tot de Raad gewend met een klacht tegen de redactie van De Gelderlander te Nijmegen, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de heer Louis Frequin, hoofdredacteur van De Gelderlander-Pers, een verweerschrift ingediend, waarna de voorzitter de zaak naar de Raad heeft verwezen. De Raad heeft de zaak vervolgens behandeld ter zitting van 11 april 1973, waar zowel klager als de heer Frequin verschenen zijn. Wegens ziekte is de voorzitter verhinderd aan de behandeling deel te nemen. Partijen stemmen ermee in dat drs J. M. M. van der Pluijm ter zitting als voorzitter optreedt.

KLACHT

Klager stelt, zakelijk weergegeven, het volgende.

In het kader van een actie die buurtbewoners voeren voor veilige speelgelegenheid van hun kinderen bezetten op 3 augustus 1972 ongeveer 60 kinderen de tuin van het burgemeestershuis te Nijmegen. De actie werd georganiseerd door de Bond van Huurders en Woningzoekenden. De begeleidende volwassenen konden de kinderen niet voldoende in de hand houden zodat er in de tuin vernielingen werden aangericht. Klager richt zijn klacht niet tegen het verslag, dat in De Gelderlander van 4 augustus over de gebeurtenissen, waarbij een lid van de stadsredactie aanwezig was, werd gepubliceerd, maar tegen een onderdeel van het redactioneel Commentaar op deze gebeurtenissen in dezelfde editie.

Over de zin hieruit 'Wat ons betreft bestaan organisaties als de BHW (...) niet langer meer. Wij vinden de BHW een verachtelijke organisatie.' zegt klager: 'Gelukkig is het voortbestaan van de BHW niet afhankelijk van De Gelderlander, maar van de buurtbewoners die zij organiseert. Na bovenstaande 'doodverklaring echter heeft de stadsredactie van De Gelderlander nog twee maal een stuk gepubliceerd waarin de BHW en de actie door derden heftig worden aangevallen (klager doelt hiermee op een Open Brief van de Raad van Verenigingen in het Willemskwartier en een Open Brief van een aantal bewoners van de J. Catsstraat, Ten Katestraat, Genestetlaan en Pater van Meursstraat, geplaatst op resp. 7 en 8 augustus).
(...) Men zou op zijn minst mogen verwachten dat De Gelderlander in bovenstaande brieven aanleiding zou hebben gevonden om het goede democratische gebruik van hoor en wederhoor toe te passen en op de publikatie van de brief het commentaar van de BHW te vragen. Dit is echter niet gebeurd. (...)
Op een zeldzaam openhartige wijze werd dit bevestigd, toen twee Gelderlander-lezers, die bij de actie aanwezig waren, op 8 augustus een ingezonden brief stuurden aan de stadsredactie van De Gelderlander waarin zij hun visie uiteenzetten. Zij kregen daarop het volgende antwoord van de heer F. van Mierlo, chef van de stadsredactie: 'Uit het commentaar in De Gelderlander van 4 augustus hebt u kunnen lezen dat de Bond van Huurders en Woningzoekenden voor ons niet meer bestaat. Daarom hebben wij ook geen enkele behoefte over te gaan tot plaatsing van uw ingezonden stuk, waarin u het optreden van de BHW verdedigt.'

Klager, die erop wijst dat De Gelderlander in Nijmegen een dekkingspercentage van 80 tot 90 % bereikt en derhalve een bijna volledige monopoliepositie inneemt, besluit zijn klacht aldus: 'Mij is geen andere conclusie mogelijk dan dat voor de redactie van De Gelderlander de BHW niet meer bestaat als deze bond wordt verdedigd, maar wel degelijk als ze wordt aangevallen. Resumerend kom ik tot de slotsom dat De Gelderlander zich als (actieve) partij gedraagt in een conflict tussen gemeentebestuur en buurtbewoners; dat daardoor de voorlichting aan de nijmeegse bevolking ernstig geschaad is en dat de goede naam van de nederlandse journalistiek geweld is aangedaan'.

VOORLOPIG ONDERZOEK

Betrokkene heeft het volgende verweerschrift ingezonden:

'In antwoord op uw brief van 28 augustus delen wij u mede, dat wij als hoofdredacteur verantwoordelijk zijn voor de inhoud van onze krant. Wat wij wel en niet in de krant wensen op te nemen is onze verantwoordelijkheid. Wij zijn van mening dat wij daarover tegenover uw college geen verantwoording schuldig zijn.
Onze motieven om geen publiciteit meer te geven over acties van en over de BHW hebben wij overigens in de krant gepubliceerd. Nochtans willen wij u wel laten weten, dat wij van oordeel zijn dat het algemeen belang gediend kan zijn met de weigering van publiciteit aan acties, waaraan iedere constructieve, democratische instelling vreemd is en waarvan de aanstichters in dat verband op publiciteit uit zijn.'.

Over dit verweer heeft klager vervolgens o.m. nog opgemerkt dat er geen sprake van is dat De Gelderlander zou hebben geweigerd om publiciteit te verlenen aan de actie, die hier in het geding is. Het gaat erom dat slechts die publiciteit is geweigerd, die de actie had kunnen rechtvaardigen. Het verweer van betrokkene bevestigt volgens klager nog eens dat dit geen toeval was, maar het resultaat van een handelwijze die niet berustte op de beoordeling van de nieuwswaarde van het gebeurde. Tenslotte heeft betrokkene meegedeeld geen aanleiding te hebben om te reageren op de opmerkingen van klager.

ZITTING

Klager zegt ter toelichting van zijn klacht dat het hem niet gaat om de juistheid van de feitelijke verslaggeving. Ook het doodverklaren van de BHW door de redactie van De Gelderlander zou hij nog wel hebben laten gaan als deze redactie de BHW niet had laten herleven alleen om te worden aangevallen en niet om verdedigd te worden. Voor hem is het belangrijkste punt dat een blad als De Gelderlander, dat een monopoliepositie inneemt in Nijmegen, in zijn berichtgeving met deze positie rekening houdt, ook wat betreft informatie over nieuwe groepen. Twee leden van de BHW die bij de actie van 3 augustus tot het einde aanwezig waren, zijn bij hem gekomen om te klagen over het feit dat hun ingezonden brief niet door De Gelderlander is gepubliceerd. Als de weigering van de publikatie was gemotiveerd met b.v. ruimtegebrek of ongenuanceerdheid, dan hadden de briefschrijfsters hun brief kunnen veranderen. Nu plaatsing was afgewezen omdat 'de BHW voor ons niet meer bestaat' was dit niet mogelijk.
Desgevraagd zegt klager, niet in eerste instantie bij de redactie van De Gelderlander te hebben geklaagd, omdat het gebeuren in de burgemeesterstuin een onderdeel was van de gehele actie van de BHW, die nogal hard is aangekomen. De daardoor ontstane sfeer was niet rijp om nog een beroep te doen op elkaars welwillendheid. Overigens heeft De Gelderlander bij een latere actie van de BHW wel weer - volgens klager onder druk van de landelijke belangstelling - aandacht besteed aan de BHW.

Betrokkene betwist de bevoegdheid van de Raad en de ontvankelijkheid van de klacht. Hij deelt mede slechts uit reverentie voor de Raad aan de oproep voor de zitting gevolg te hebben gegeven en hij legt een nota van zijn hand over waarin hij een en ander toelicht. Betrokkene voert daarbij, zakelijk weergegeven, aan dat de Raad de klacht niet-ontvankelijk moet verklaren, omdat het hier gaat over de vraag of hij als hoofdredacteur ieder ingezonden stuk moet opnemen en over het feit dat door hem die publiciteit is geweigerd, die de actie van de BHW had kunnen rechtvaardigen. De Raad, zo stelt betrokkene, is niet bevoegd daarover een oordeel uit te spreken, omdat in artikel 9, eerste lid van de cao voor dagbladjournalisten niet is bepaald dat de hoofdredacteur zijn verantwoordelijkheid voor de samenstelling en inhoud van de krant zou moeten delen met of daarover verantwoording moet afleggen tegenover de Raad.
Betrokkene vraagt zich af, of de Raad bevoegd is een uitspraak te doen over klachten van lezers inzake de juistheid van de beslissing, van welke redactie dan ook, over de selectie van nieuws en ingezonden stukken, welke selectie kan geschieden op basis van meerdere verantwoordelijkheden, zoals het algemeen belang, de beginselverklaring of formule van de krant, de samenstelling van de lezerskring.
Betrokkene zegt dat het dekkingspercentage van De Gelderlander in Nijmegen 78 % bedraagt. Hij bestrijdt dat de voorlichting over de actie van 3 augustus incorrect is geweest. De twee ter verdediging van deze gebeurtenissen ingekomen brieven - waarvan betrokkene fotokopie├źn overlegt - bevatten vooral scheldpartijen tegen de politie. Het beleid van zijn krant is dat gewoonlijk vrijwel alle ingezonden stukken worden geplaatst tenzij ze beledigend of evident onjuist zijn. Betrokkene betwist
echter de bevoegdheid van de Raad om te oordelen over het niet publiceren van deze brieven.
Op de vraag of betrokkene op dezelfde wijze zou hebben gereageerd op de door klager bedoelde ingezonden brief als door de chef van de stadsredactie is gedaan antwoordt hij dat, als in een commentaar is geschreven dat de BHW 'voor ons niet meer bestaat', hij zich kan voorstellen dat er zo is geantwoord. Hij staat daarachter al was de reactie misschien niet elegant. Indien klager hem een correcte brief had geschreven, zou hij wellicht in contact zijn getreden met zijn stadsredactie, doch klager heeft gemeend zich rechtstreeks tot de Raad te moeten wenden.

OVERWEGINGEN

De Raad waardeert het dat betrokkene alleen al uit reverentie voor de Raad aan de oproep voor de zitting gevolg heeft willen geven ook al was hij daartoe, als lid van de NVJ, ingevolge artikel 15, lid 2 van de statuten dier vereniging verplicht.
De Raad dient de door betrokkene opgeworpen niet-ontvankelijkheid of onbevoegdheid te toetsen aan de in die statuten en in het daarop steunende reglement voor de Raad neergelegde regels. Ingevolge het bepaalde in artikel 33, lid 2 van de statuten en artikel 1, lid 2 van het reglement heeft de Raad, voor zover thans van belang, tot taak om naar aanleiding van een bij hem ingediende klacht te oordelen over gedragingen van journalisten. Onder die gedragingen vallen zonder redelijke twijfel ook redactionele beslissingen omtrent de selectie van nieuws en van lezersbrieven. Genoemde bepalingen brengen geen wijziging in de in collectieve arbeidsovereenkomsten, in beginselverklaringen of formules van kranten of in de aard van de lezerskring enz. worstelende journalistieke verantwoordelijkheden.
Omgekeerd verbiedt een bepaling als artikel 9, lid I van de cao voor dagbladjournalisten het een journalist niet om voor de Raad te verschijnen, indien hij daartoe statutair verplicht is of indien hij dat, onverplicht, verkiest te doen. Ook volgt uit artikel I, lid 2 van het reglement voor de Raad niet dat een journalist, in het bijzonder een hoofdredacteur van een krant, zijn verantwoordelijkheid voor samenstelling en inhoud van die krant met de Raad zou moeten of kunnen delen. Het gaat er, integendeel, juist om dat een hoofdredacteur tegen wie een grief te berde wordt gebracht, gelegenheid heeft zich te verantwoorden voor de wijze waarop hij, mede tegen de achtergrond van zijn contractsverplichtingen, het algemeen belang, de eigen aard van zijn krant of lezerskring enz., zijn journalistieke verantwoordelijkheid heeft opgevat.
De Raad verwerpt derhalve de door betrokkene opgeworpen niet-ontvankelijkheid of onbevoegdheid.
Betrokkene betoogt dat hem als hoofdredacteur een ruime beslissingsmarge toekomt omtrent het opnemen van ingezonden stukken. Deze stelling is aanvaardbaar. Die marge is echter niet onbeperkt. In casu moet immers in aanmerking worden genomen dat De Gelderlander in berichtgeving en commentaar duidelijk stelling had genomen tegen de BHW. Dit is op zichzelf niet laakbaar doch brengt wel de noodzaak mee, - mede gezien het hoge dekkingspercentage van deze krant in Nijmegen, - de reacties van lezers die een tegengesteld standpunt gepubliceerd wensen te zien, met bijzondere zorgvuldigheid te selecteren. Naar het oordeel van de Raad is dit met betrekking tot de door klager in het geding gebrachte brief, die qua woordgebruik niet zonder meer onaanvaardbaar is te achten, niet geschied, terwijl voorts de beslissing om de brief niet te publiceren, op voor de inzendsters nodeloos grievende en hooghartige wijze is meegedeeld.
Het zou, ook in de onderhavige situatie, de voorkeur hebben verdiend als klager - temeer daar hij niet de schrijver was van deze brief - eerst contact had opgenomen met de (hoofd)redactie van De Gelderlander voordat hij zich tot de Raad wendde. De Raad betreurt dat dit niet is geschied.

BESLISSING

Het besluit, ter redactie van betrokkene genomen, om een ingezonden brief ter verdediging van de BHW niet te publiceren, is maatschappelijk onaanvaardbaar, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van een dagblad met een hoog dekkingspercentage.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 11 april 1973 door drs J. M. M. van der Pluijm als plaatsvervangend voorzitter, H. ten Brink mr F. Kuitenbrouwer en O. Postma, ing., leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 9