1973/8 ongegrond

Kerncentrale contra de Volkskrant

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake ir R. van Erpers Royaards tegen de Volkskrant.

Ir R. van Erpers Royaards, directeur van de NV Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland te Arnhem, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 20 maart 1972 tot de Raad gewend met een klacht tegen drs J. M. M. van der Pluijm, hoofdredacteur van de Volkskrant te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend waarna klager en betrokkene hebben gere- en gedupliceerd. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak naar de Raad verwezen, die de zaak heeft behandeld ter zitting van 5 april 1973, waar zijn verschenen klager, vergezeld van mr J. C. M. Baart de la Faille, en betrokkene, vergezeld van J. L. M. Friedeman, redacteur van de Volkskrant. Hoewel de Raad wegens ontstentenis van een der leden niet volledig is, wordt met instemming van beide partijen besloten de behandeling voortgang te doen vinden.

KLACHT

De klacht kan worden samengevat in de volgende punten.

De Volkskrant heeft in februari en maart 1972, doch vooral in de edities van 16, 17 en 18 maart een aantal artikelen gewijd aan gebeurtenissen rond de kernenergiecentrale Dodewaard, die klager doen denken aan een geplande campagne tegen deze centrale. Naar klagers mening is de indruk gewekt als zou in Dodewaard met veiligheidsvoorschriften de hand worden gelicht en een acuut gevaarlijke situatie zijn ontstaan of dreigen te ontstaan. Ook zou bij de lezers een vertekend beeld van de toepassing van kernenergie zijn geschetst dat bij velen ongerustheid heeft gewekt.
Hierbij is, aldus klager, een redelijk hoor en wederhoor niet toegepast. Klager doelt daarbij vooral op een artikel op de voorpagina van de Volkskrant van 16 maart 1972 waarin hij sprekend wordt ingevoerd op een wijze die suggereert dat er een gesprek had plaats gehad en dat hij op de hoogte was van de inhoud van het artikel. Het enige wat hij van deze zaak wist, was een telefoongesprek met een verslaggever van de Volkskrant op de avond van 15 maart, waarin gevraagd was of de
het artikel te geven conclusies juist waren, waarop hij vanzelfsprekend een absoluut negatief antwoord had gegeven. De inhoud van het gesprek kan hij zich niet meer herinneren, doch in ieder geval is hem geen behoorlijke indicatie gegeven over de inhoud van het artikel waarin hij vervolgens sprekend zou worden ingevoerd.
De artikelen staan, aldus nog steeds klager, vol met insinuaties en ernstige aanvallen op het beleid van de directie der centrale. Hij wil daarvan echter geen opsomming geven om geen 'welles nietes'-discussie uit te lokken. Hij neemt trouwens aan, dat elke onbevooroordeelde lezer zelf kan vaststellen welke woorden en passages door de leiding van een bedrijf als insinuerend worden ervaren.
Naar aanleiding van de rond de kerncentrale ontstane publiciteit vond op 17 maart des morgens een persconferentie plaats, waarbij enige vertegenwoordigers van de Volkskrant aanwezig waren. Hoewel dezen ook des middags nog op de centrale aanwezig waren, hadden zij geen enkele poging gedaan om een gesprek met klager te hebben hoewel daartoe daar zeer gemakkelijk alle gelegenheid geboden was. Het op 18 maart in de Volkskrant gepubliceerde verslag van de persconferentie geeft slechts een reeks verkeerd weergegeven verklaringen, doch klager heeft geen behoefte om een uiteenzetting te geven over de voorbeelden van tendentieuze berichtgeving. Hij volstaat met op te merken dat de kop van het artikel Kerncentrale erkent fouten op geen enkele wijze gewettigd wordt door de gang van zaken tijdens de persconferentie. In het verslag komen voorts de tijdens de persconferentie gedane mededelingen in het geheel niet tot hun recht door de context waarin zij zijn geplaatst en waarin - ongetwijfeld met succes - gepoogd wordt te suggereren dat het slechts om uitvluchten ging die niet afdoen aan, maar eerder een accentuering betekenen van de door de Volkskrant geschetste wantoestanden.
Samenvattend meent klager dat de Volkskrant bij haar presentatie van het nieuws over Dodewaard en het verdere nieuws daaromheen hoogst onzorgvuldig heeft gehandeld door de haar ten dienste staande berichten niet of onvoldoende op hun juistheid te toetsen, alsmede door een eenzijdige berichtgeving, waardoor grote schade is berokkend. De Volkskrant heeft geen enkele redelijke poging in het werk gesteld om naast de felle kritiek een verweer van de bekritiseerde instantie op te nemen.

VERWEER

Betrokkenes verweer komt o.m. op het volgende neer.

Waarop de mening van klager berust dat in de Volkskrant een campagne tegen de kerncentrale in Dodewaard wordt gevoerd, is niet duidelijk. Wellicht is hij het slachtoffer geworden van een soort optisch bedrog, veroorzaakt door de vrij snelle opeenvolging van een aantal publikaties. Hij wil de Volkskrant, of enige andere krant, toch niet het recht ontzeggen om melding te maken van zaken, die de veiligheid van een kerncentrale en de daarin werkende mensen en de omwonenden raken? De taak van een krant is immers informatie te publiceren die zij in het algemeen belang acht. Kernenergiecentrales behoren tot de potentieel gevaarlijkste bedrijven die er bestaan. Het is daarom niet alleen gewenst, maar zelfs noodzakelijk de gang van zaken in zulke centrales kritisch te volgen.
Klager maakt zijn beschuldiging dat de Volkskrant informatie over de kerncentrale heeft verschaft zonder de juistheid daarvan te onderzoeken, en dat een vertekend beeld van de toepassing van kernenergie is geschetst, op geen enkele manier waar.
Betrokkene wil uitdrukkelijk stellen dat: 'de door ons gepubliceerde informatie over 'Dodewaard' wel degelijk op haar juistheid is onderzocht aan de hand van verschillende ons ten dienste staande bronnen; door ons is nooit gesteld, dat in Dodewaard de hand wordt gelicht met de veiligheidsvoorschriften; wel dat in die voorschriften lacunes zitten, met name ten aanzien van werknemers van buiten het bedrijf, die tijdens reparaties aan steeds grotere hoeveelheden straling worden blootgesteld. Ook is door ons gesteld dat bij de bouw van de centrale fouten zijn gemaakt, waardoor steeds meer reparaties nodig zijn aan onderdelen, die radioactief zijn geworden en die moeilijk bereikbaar zijn. Tevens hebben wij melding gemaakt van slordigheden, waardoor radioactieve materialen buiten de centrale zijn gekomen de hierboven geschetste problemen zijn door klager zelf bevestigd op de persconferentie van 17 maart. Hij geeft er alleen een andere interpretatie aan, door te stellen dat de veiligheid in en buiten de centrale er niet door in gevaar wordt gebracht. (...) (Wij willen -...-) wijzen op het bijzondere karakter van de gevaren van radioactiviteit. Deze gevaren zijn onzichtbaar en in kerncentrales zelden acuut, maar zij bedreigen wel de gezondheid van mensen op langere termijn, tot in lengte van generaties. Het is juist om deze reden, dat wij de gang van zaken in Dodewaard - een proefstation voor de verdere ontwikkeling van de kernenergie in Nederland - nauwlettend volgen. Opmerkelijk is in dit verband, dat klager alleen over een 'acuut gevaarlijke situatie' spreekt. Wij hebben nooit gesteld dat die er is. Van het geven van een vertekend beeld aan de Volkskrantlezers is dan ook geen sprake.'

Betrokkene geeft vervolgens een weergave van het telefonisch interview met klager op 15 maart. De vragen van de verslaggever waren zakelijk en betroffen de essentie van de informatie die uit deskundige bronnen was verkregen. De redactie achtte deze minstens even betrouwbaar als die van klager, die botte ontkenningen bevatte die een verder gesprek weinig zinvol maakten. Het verwijt van onzorgvuldigheid treft eerder klager, nl. bij het beantwoorden van de vragen.
Betrokkene kan, nu klager nauwelijks duidelijk maakt welke 'insinuaties en ernstige aanvallen op het beleid van de directie' hij bedoelt, daar moeilijk op ingaan. Twee door klager genoemde insinuaties bevatten geen insinuaties maar vaststellingen van feiten die door klager niet weersproken zijn.
Eenzelfde moeilijkheid ondervindt betrokkene bij zijn verweer tegen klagers bezwaren tegen de weergave van de persconferentie: niet wordt duidelijk gemaakt wat er verkeerd is weergegeven. De Volkskrant heeft naar betrokkenes mening in dit verslag op een juiste wijze en voldoende het standpunt van directie en bedrijfsleiding van de centrale weergegeven. Dat daarbij extra aandacht werd gegeven aan die mededelingen, waarin bepaalde tekortkomingen in de centrale werden erkend, mag naar zijn mening als gerechtvaardigd worden beschouwd. De verslaggevers en fotograaf van de Volkskrant zijn geruime tijd in de kerncentrale gebleven, waar hun door de bedrijfsleiding alle ruimen en installaties getoond werden waar zij naar vroegen. Daarna hadden zij nog een langdurig gesprek met leden van de bedrijfsleiding en een andere topfunctionaris. Aan een gesprek met klager bestond toen geen behoefte meer, gezien de mededelingen die hij reeds op de persconferentie had gedaan.
Resumerend meent betrokkene dat klager niet heeft kunnen aantonen dat iets in de berichtgeving onzorgvuldig, vooringenomen of onjuist is geweest.

ZITTING

Klager geeft ter zitting thans concreet aan tegen welke passages in de door hem bedoelde artikelen hij bezwaar heeft. Het gaat hem vooral om het voorpagina-stuk van 16 maart dat zijns inziens op vele plaatsen tendentieus is en geheel of gedeeltelijk onjuiste informatie bevat. Het slot van dit stuk wordt gevormd door twee alinea's over het telefoongesprek, waarin hij wordt geciteerd:

'Ir R. van Erpers zegt niet te weten dat re steeds meer onderdelen in Dodewaard radioactief raken. 'De centrale is zo schoon als wat. En dat is geen praatje voor de vaak.' De heer Van Erpers Royaards zegt ook niet te weten dat het personeel bloot staat aan toegenomen straling en dat de limiet sneller wordt bereikt dan vroeger. Alle geruchten en andere mededelingen daarover doet hij af met: 'Van elke grond van waarheid ontbloot.'.'

Klager zegt hierover dat hij op 15 mei om 17 uur werd opgebeld tijdens een bespreking en dat zonder enige voorbereiding of inleiding een redacteur van de Volkskrant hem een aantal vragen stelde op agressieve wijze. Hij heeft in dezelfde trant daarop gereageerd. Aan klager werd niet gezegd wat met zijn antwoorden zou gebeuren; hij had geen idee wat de volgende dag zou losbarsten.
Ook heeft hij bezwaar tegen het commentaar Ten Geleide 'Veiligheid' in dezelfde editie van 16 maart, waarin gezegd wordt:

'De kritiek komt nu door bijzondere omstandigheden naar buiten. Het is een veeg teken dat drie man uit de veiligheidsdienst ontslag hebben genomen of gekregen omdat zij zich niet naar de wensen van de directie wensten te schikken.'

Klager zegt hierover dat dit in elk geval onjuist is wat betreft de eerste twee, die ontslag namen omdat het werk of de aard van de functie niet waren wat zij verwacht hadden. De derde man was het met de hele gang van zaken niet eens; hij had op allerlei wijzen binnen de organisatie van het bedrijf daartegen zijn bezwaren kunnen inbrengen, doch hij zocht de weg naar de publiciteit en werd daarom ontslagen. Desgevraagd zegt klager dat hem bekend was dat de ontslagene contact had met de Volkskrant en dat hij verwachtte dat daaruit iets zou tevoorschijn komen; in zijn antwoorden tijdens het telefoongesprek had hij de redacteur van betrokkene dan ook gezegd te weten hoe deze aan zijn informatie kwam.
Over het verslag van de persconferentie zegt klager dat de verslaggever zeer onvolledig geciteerd heeft wat hij daar heeft meegedeeld; de keuze is zeer eenziidig met de tendens dat de directie de zaken niet goed behandelt en er nu pas verbeteringen zullen worden uitgevoerd, onder de druk van de publiciteit. Hiermee wordt een onjuist beeld gegeven van de informatie die verstrekt werd, ten nadele van klager. Klager neemt het de Volkskrant niet kwalijk dat zij een eigen mening uitdraagt, maar wel, dat zij die van klager niet daarnaast heeft willen stellen, ter keuze van de lezer.
Betrokkene betreurt dat klager nu pas komt met concrete bezwaren tegen de genoemde publikaties; de schrijver ervan is nu onbereikbaar. Verder merkt hij op dat klager nooit om rectificatie van de door hem geconstateerde onjuistheden heeft gevraagd; zijn enige bezwaar lijkt te zijn dat de berichtgeving gekleurd is. Betrokkene meent dat dit, gezien de latere gebeurtenissen, niet ten onrechte is geweest. Het is voor een journalist zeer moeilijk om door het veiligheidscordon van klagers bedrijf
te dringen- anderzijds heeft de krant de taak de ontwikkeling op het gebied van de kernenergie nauwlettend te volgen in verband met de veiligheidsaspecten. Dat betekent dat de accenten op die bepaalde aspecten worden gelegd en minder op andere; hij kan zich voorstellen dat dat bij klager overkomt als eenzijdigheid. Als gevraagd was om rectificatie van onjuistheden, zou hij daartoe onmiddellijk bereid zijn geweest, doch dit is niet gebeurd.
De heer Friedeman voegt daaraan nog toe, dat de aanleiding tot de publikaties - die overigens niet incidenteel waren doch enige maanden eerder werden voorafgegaan door artikelen over de discussies in de Verenigde Staten en in West-Duitsland over de veiligheidsaspecten van kerncentrales - gelegen was in het ontslag binnen korte tijd van drie veiligheidsfunctionarissen van Dodewaard. Toen bleek dat er een sfeer van onbehagen bestond bij de werknemers, vooral die van buitenaf werden betrokken bij de reparaties, over veiligheidsbepalingen en de controle op de stralingsbelasting.
Wat het telefoongesprek betreft zegt de heer Friedeman dat klager uit de vragen kon afleiden dat zijn collega over informatie uit interne bron beschikte; niettemin werden de vragen kortaf en bits beantwoord zonder dat er mogelijkheid tot discussie werd gelaten door klager. Zijn antwoorden zijn weergegeven zoals ze gegeven waren.
Tijdens de persconferentie heeft klager genuanceerder geantwoord en zijn ontkenningen deels teruggenomen: er waren inderdaad dingen die voor verbetering vatbaar waren, maar het was allemaal niet zo erg als was voorgesteld, zo was de teneur van zijn mededelingen.
Sinds de publikaties is inmiddels de beveiliging verbeterd, het blijkt dus dat er wel degelijk verbetering mogelijk was.

OVERWEGINGEN

De bezwaren van klager betreffen, op enige uitzonderingen na, de aanpak van het onderwerp door de Volkskrant, die als eenzijdig en in een aantal formuleringen als tendentieus en soms als insinuerend voor klager zou worden ervaren wat betreft de integriteit van het beleid van de directie. Dit laatste heeft klager naar het oordeel van de Raad niet kunnen staven. Klager spreekt niet tegen dat het de Volkskrant vrijstaat een eigen mening in haar publikaties over de energieproduktie door kerncentrales in het algemeen en over de gang van zaken te Dodewaard tot uiting te brengen. Aan de bijzondere eisen van journalistieke zorgvuldigheid, die zulk een keuze van standpunt meebrengt is, behoudens op enkele punten van ondergeschikt belang, zo oordeelt de Raad, niet tekort gedaan. De publikaties getuigen van een serieuze en brede aanpak van het onderwerp
waaruit blijkt dat de redactie haar verantwoordelijkheid bij het in het algemeen belang in de publiciteit brengen van deze problematiek terdege heeft beseft.
De Raad kan dan ook niet meegaan met de stelling van klager, dat een redelijk hoor en wederhoor niet is toegepast. Klager had. naar hij zelf ter zitting heeft meegedeeld, verwacht dat er van de zijde van de ontslagen veiligheidsfunctionaris via de Volkskrant iets op til was aan publikaties over interne aangelegenheden van de centrale, desondanks heeft hij op een essentieel ogenblik, nl. tijdens het telefoongesprek op 15 maart, de gelegenheid verzuimd om zijn visie - eventueel na het vragen van een redelijke termijn voor beraad - eveneens gepubliceerd te krijgen, en door zijn wijze van reageren een mogelijkheid om van zijn kant meer bij te dragen tot een redelijk hoor en wederhoor belemmerd.

BESLISSING

De Raad is van oordeel, dat ter redactie van betrokkene, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, de grenzen van het maatschappelijk aanvaardbare bij de geïncrimineerde publikaties over de kernenergiecentrale te Dodewaard niet zijn overschreden en wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van S april 1973 door mr A. Stempels, plaatsvervangend voorzitter, mevr. mr F. Klaver mr F. Kuitenbrouwer en O. Postma, ing., leden, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 8.