1973/7 gegrond

Dr A. W. M. Pompen contra de Volkskrant

Dr A. W. M. Pompen, internist te Amsterdam, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 12 oktober 1972 tot de Raad gewend met een klacht tegen de heer H. Huurdeman, redacteur van de Volkskrant te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarna de voorzitter de zaak naar de Raad heeft verwezen. De Raad heeft vervolgens de zaak behandeld ter zitting van 22 maart 1973, waar zowel klager als betrokkene zijn verschenen, terwijl klager prof. dr J. Vreeken en betrokkene de heer W. A. Sprenger als getuige ter zitting heeft meegebracht.

KLACHT

In de editie van De Volkskrant van 12 september 1972 wordt in de rubriek Dag In Dag Uit, die onder redactie van betrokkene staat, o.m. in de tweede kolom onder de blikvanger Circus een deel van een vraaggesprek met de nieuwe voorzitter van de ASVA, mej. Cilia Galesloot, overgenomen uit het Amsterdamse Universiteitsblad Folia Civitatis van 9 september 1972. Over de inrichting van de medische studie zegt zij in dit fragment, dat in Folia Civitatis als tussenkop eveneens het woord Circus draagt, het volgende:

'Het is een ontzettend technische scholing. Je voelt gewoon dat je - als je in de gezondheidszorg wil gaan werken - daarvoor niet wordt opgeleid, en dan slaat je de angst om het hart. Je vraagt je af, hoe je in godsnaam als huisarts moet gaan werken, want je hebt niet geleerd met mensen te praten. Wat me zelf ook erg frustreert in de medische opleiding is de manier waarop er met de patiënten wordt omgegaan. Zo worden, bijvoorbeeld, de patiënten voor een collegezaal gehaald van een paar honderd mensen, waar hun afwijkingen worden gedemonstreerd. Als iemand iets aan zijn neus heeft, of aan zijn teen, is dat niet zo erg. Maar er zijn ook mensen die op apegapen liggen, die zwaar ziek zijn en die worden gewoon even tentoongesteld in zo'n collegezaal. Bij vrouwen wordt zo even, tjoeps, het nachthemd omhoog gedaan, wat ze heel erg vinden. Dan zeggen ze: 'Nou ja, het zijn toch alle dokters, dat hindert toch niets, mevrouw'. Maar die mensen vinden dat nu eenmaal erg. Bij neurologie heb je mensen met een lam been, waarmee ze een beetje naar lopen. Die gang heeft een specifieke naam, en dan zeggen de docenten: 'Mevrouw, loopt u eens drie rondjes, dan kunnen de studenten eens zien hoe het gaat als er een been niet goed is.' En dan moet zo'n vrouw drie rondjes hardlopen door de collegezaal. Dit stuit me zo tegen de borst.'

Aan dit citaat uit het interview voegt de redactie de volgende regels toe:

'(Wat Cilia niet zegt, maar misschien wel weet, is het feit dat de zieken die voor 'demonstratie' worden gebruikt, bijna altijd derdeklaspatiënten zijn, armlastig, of anders verzekerden van het ziekenfonds. Wie zich een rianter verpleging en behandeling kan veroorloven, pleegt de medische wetenschap niet op deze wijze te dienen.)'

Klager vraagt zich af, hoe een redacteur tot zulk een generaliserend en denigrerend geschrijf komt en dan nog - voor zover hem bekend - zonder enig voorafgaand pogen tot wederhoor te bevoegder plaatse. Het zou de schrijver zeer gemakkelijk mogelijk moeten zijn geweest om de uitlatingen van mej. Galesloot op hun waarheidsgehalte te toetsen.
In de toevoeging acht klager de grenzen van de journalistieke plicht tot behoedzaamheid en zorgvuldigheid ver overschreden. Hij voert aan dat degenen die onder uiterst moeilijk omstandigheden (personeelsstop aan de universiteiten; veel te grote jaarcohorten van studenten aan de medische faculteiten) trachten nog een zo goed mogelijke medische scholing aan de studenten te geven, door zulke onware insinuaties ten onrechte gehinderd worden, juist daar waar zij zich allen uitermate moeten inspannen: bij de 'demonstraties' van patiënten. Deze laatsten zouden ook kunnen gaan denken bij het lezen van uitlatingen van deze aard, dat er bij het onderwijs te hunnen nadele gediscrimineerd wordt.
Ter toelichting deelt klager nog mee dat de klacht zich richt tegen de toevoeging onder het citaat. Hij heeft betrokkene telefonisch zijn bezwaren over het commentaar te kennen gegeven en hem de keuze gelaten tussen een ruiterlijke rectificatie op de eerste bladzijde van de Volkskrant, of een klacht, door
klager in te dienen bij de Raad voor de Journalistiek. Betrokkene heeft daarop enige dagen later telefonisch bericht niet bereid te zijn tot rectificatie, doch zijnerzijds voorgesteld dat klager een ingezonden stuk zou inzenden, of een gesigneerd artikel over deze zaak, te publiceren in de rubriek U. Beide voorstellen heeft klager afgeslagen, daar hij meent dat juist op de verantwoordelijke redacteur de plicht tot oprechte rectificatie rust.
Nu hieraan door betrokkene niet is voldaan, heeft klager zich tot de Raad gewend. Dit mede, omdat een door prof. dr J. Vreeken, hoogleraar in de algemene interne geneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam, met de hoofdredacteur van de Volkskrant gevoerde briefwisseling over het betwiste commentaar, waarin gevraagd werd om publikatie in de Volkskrant van een grootmoedige erkenning van de gemaakte fout, niet tot het gewenste resultaat had geleid.

VERWEER

Betrokkene stelt in zijn verweerschrift o.m. het volgende:

'Mijns inziens heb ik al het redelijke gedaan om klager tegemoet te komen. Zijn eisen gingen me echter aanzienlijk te ver en waren naar mijn mening bovendien niet billijk jegens mijzelf, noch jegens de krant waarvan ik redacteur ben.

De eisen van de klager waren:

Rectificatie van de door hem gewraakte alinea (die - niet door mij, maar wel onder mijn verantwoordelijkheid - werd toegevoegd aan het citaat uit Folia Civitatis), op pagina 1 van de krant, boven de tekening van WiBo. De rectificatie moest aanvangen met de, telefonisch gedicteerde tekst: 'Wij maken onze excuses voor de door ons gepleegde neo-pornografie...'. Van de editie van de krant, waarin de rectificatie en het excuus waren gepubliceerd, moesten klager per aangetekende post twee bewijsexemplaren worden toegezonden.
Door mij, en namens mij, is klager bij herhaling uitgenodigd, een lezersbrief te sturen die zou worden geplaatst in de rubriek Geachte Redactie. Klager heeft dit aanbod telkens afgeslagen. (...) Ik heb klager vervolgens uitgenodigd een artikel te schrijven voor de zaterdagse rubriek U, waarin deskundige lezers extra ruimte krijgen om fundamentele problemen aan de orde te stellen. Ook dit aanbod werd geweigerd, zowel door klager als, later in een brief, door prof. J. Vreeken. (...) 'Tot een rectificatie was ik, behalve om de (boven)vermelde, ook om de volgende redenen niet bereid:
Als een orgaan, dat erkend is als het officiële Amsterdamse universiteitsblad (Folia Civitatis) een vraaggesprek publiceert met een medisch studente, wier bonafiditeit ik bevestigd zie in haar voorzitterschap van de ASVA, meen ik er van te kunnen uitgaan. dat ik te doen heb met een ernstig te nemen publikatie. De toegevoegde, door klager in het bijzonder gewraakte, regels zijn geschreven door een collega van de sociaal-economische afdeling van o-ze redactie, wiens deskundigheid, met betrekking tot gezondheidszorg en sociale verzekering, voorzover ik die kan beoordelen en voorzover mijn ervaring reikt, mij geen reden tot twijfel geeft.
De commentariërende regels bevatten een algemene opmerking welke niet is toegespitst op de naam van een hoogleraar, van een academisch ziekenhuis, of van een plaats. Zij houden slechts een feitelijke bevestiging in van de situatie, dat 70 procent van de ziekenhuispatiënten verzekerden van het ziekenfonds zijn.

Mijn motief tot plaatsing van het citaat uit Folia Civitatis met de, van redactie-wege, aangehechte regels vindt zijn oorsprong in het belang van de (ziekenhuis)patiënten, en van de aanstaande artsen, die - naar het zeggen van enigen onder hen - tijdens hun studie het gevaar lopen, hun humanitaire gevoelens jegens de (zieke) mens te verliezen. Dat motief heeft mij ook geleid bij een tweede publikatie van citaten uit een latere editie van Folia Civitatis. (...) In deze publikatie heb ik - objectiviteitshalve ook een citaat opgenomen van een verklaring van prof. Vreeken waarin deze wijst op de problemen van hoogleraren in Nederland met betrekking tot het aanschouwelijk onderwijs aan medische studenten.'

Te zijner verdediging verwijst betrokkene tenslotte naar de identiteitsformule van de Volkskrant volgens welke hij gemeend heeft te handelen. Van de journalist, wil hij althans sociaalkritisch en geëngageerd kunnen werken zoals van hem wordt verwacht, kan niet worden geëist, dat hij al zijn beweringen met juridische perfectie bewijst. Een journalist is geen jurist zeker niet als hij een maatschappij-kritische rubriek redigeert, als Dag In Dag Uit.

ZITTING

Klager licht, bijgestaan door prof. Vreeken, zijn bezwaren tegen de toegevoegde regels onder het citaat als volgt toe. De verhouding der aantallen ziekenfonds- en particuliere patiënten in de academische ziekenhuizen is overeenkomstig die in het gehele land, n.l. 70 % tegenover 30 %. Er zijn geen armlastigen meer. Dat een particuliere patiënt zijn ziekenhuiskeuze zou laten bepalen door het demonstratierisico in de universiteitsklinieken, lijkt hem onwaarschijnlijk; de attractie van deze klinieken is tegenwoordig juist gelegen in de 'special care' die daar, meer dan in gewone ziekenhuizen, kan worden geboden. Dit geldt voor alle patiënten gelijkelijk. Klager vermoedt dat de gedemonstreerde patiënten dezelfde verhoudingsgetallen vertonen wat betreft de groep waartoe zij behoren. Demonstratie vindt onveranderlijk slechts plaats indien de patiënt daartoe bereid is na openhartig te zijn ingelicht over doel en nut van de demonstratie; weigeringen komen zelden voor. Hij heeft zelfs de indruk dat particuliere patiënten in verband met hun ontwikkelingspeil meer toegankelijk zijn voor de rationele argumenten voor demonstratie dan de ziekenfondspatiënten. Het selectiecriterium is in elk geval nooit de klasse maar alleen de mogelijke bijdragen aan het pathogenetisch inzicht van de student, op basis van bereidheid van de patiënt zelf.
Klager acht de betwiste publikatie schadelijk voor de werksfeer in de academische ziekenhuizen; prof. Vreeken heeft de toegevoegde regels ervaren als een aantijging, gericht tegen zijn persoonlijke integriteit als hoogleraar belast met het onderwijs aan toekomstige artsen, en de zorg voor zijn patiënten.
Betrokkene zegt dat indien hem was gebleken dat de toevoeging feitelijk onjuist was, hij - zoals bij zijn krant gebruikelijk is - rectificatie zou zijn overgegaan, maar daar dit niet het geval was heeft hij het niet gedaan. Wel heeft hij een z.i. redelijk alternatief aangeboden in de vorm van ruimte in een der andere rubrieken. Hij weet niet of de in de kliniek van prof. Vreeken gevolgde benaderingswijze van demonstratiepatiënten wel representatief is voor alle ziekenhuizen.
De heer Sprenger, die, ter zitting verschenen, verklaart de betwiste regels geschreven te hebben, is van mening dat van de 30 % particuliere patiënten in ons land een groot deel naar particuliere kliniekbedden gaat zodat de verhoudingscijfers in de universiteitsklinieken anders moeten liggen dan 70/30, dus ook voor demonstratiepatiënten. Hij ontleent deze opvatting aan de literatuur (rapporten, tijdschriften e.d.) over de gezondheidszorg die hij uit hoofde van zijn specialisatie in sociale actualiteiten ter redactie in handen krijgt.
Desgevraagd zegt hij, dat hij de juistheid van deze opvatting wat betreft de Amsterdamse ziekenhuizen niet heeft nagegaan; in zijn toevoeging heeft hij geen personen of instituten op bepaalde plaatsen op het oog gehad. Hij heeft de feiten in hun algemeenheid gesignaleerd en gezegd dat het 'bijna altijd' om de door hem genoemde groepen patiënten gaat bij demonstraties. Tegenover de mogelijke gevolgen voor de werksfeer in de klinieken heeft hij het belang van de patiënten afgewogen. Hij kan riet altijd alle uitlatingen op een goudschaaltje wegen en meent, in een maatschappij-kritische rubriek als Dag In Dag Uit zijn mening discutabel te moeten kunnen stellen.

OVERWEGINGEN

De door de heer Sprenger geschreven en onder verantwoordelijkheid van betrokkene onder het citaat uit Folia Civitiatis gepubliceerde regels voegen aan het geciteerde enige -mededelingen toe van feitelijke aard. Die feiten behoren, ook al zijn zij opgenomen in een rubriek van maatschap- pij-kritische aard, met dezelfde zorgvuldigheid te worden behandeld als alle feiten, op welke plaats ook onder redactionele verantwoordelijkheid in een krant gepubliceerd.
Betrokkene en de heer Sprenger hebben omtrent de betrouwbaarheid van de toevoeging slechts aangevoerd, dat op grond van wetenschappelijke rapporten, verslagen e.d. vaststaat, dat in onze ziekenhuizen de verhouding tussen klasse- en nietklassepatiënten 3: 7 is, en dat zou mogen worden aangenomen, dat in de academische ziekenhuizen die verhouding eerder bij 2: 8 zal liggen. Indien die laatste verhouding ook geldt voor demonstratie-patiënten, dan mag men dus zeggen, dat 'bijna altijd' derde-klaspatiënten voor demonstratie worden gebruikt. Over de selectie van demonstratiepatiënten bevat de gehanteerde documentatie geen exacte gegevens. Verdere verificatie dan aan de hand van zulke documentatie - in het bijzonder omtrent de wijze van selectie van demonstratiepatiënten in de Amsterdamse academische ziekenhuizen - heeft niet plaatsgehad.
De Raad is van oordeel, dat betrokkene hier te kort is geschoten. Wie zegt: 'Zieken, die voor 'demonstratie' worden gebruikt, zijn bijna altijd derde klas patiënten armlastig, of anders verzekerden van het ziekenfonds. Wie zich een rianter verpleging en behandeling kan veroorloven, pleegt de medische wetenschap niet op deze wijze te dienen.", beweert en suggereert door zijn woordkeus, dat klasse-patiënten minder vaak dan derde-klas-patiënten 'voor 'demonstratie' worden gebruikt' dan men op grond van de samenstelling van de bevolking van het betreffende ziekenhuis zou verwachten. Het gaat er dus niet om, of in de ziekenhuizen in het algemeen de verhouding 3: 7 is en in academische ziekenhuizen 2: 8. Het stukje suggereert dat in het academische ziekenhuis de individuele derdeklaspatiënt in het algemeen méér kans loopt voor 'demonstratie' te worden gebruikt' dan de individuele klassepatiënt. Klager betwist dat, daarin gesteund door prof. Vreeken, met klem van redenen- van de kant van betrokkene wordt daar niets tegenover gesteld- Hier is dan ook sprake van een onzorgvuldige berichtgeving.
Ook de formulering van de toevoeging getuigt van onvoldoende zorgvuldigheid ten opzichte van de zaak waarover het gaat. De slotzin bevat een wel wat lichtvaardige opmerking omtrent datgene wat klasse-patiënten wel of niet voor de medische wetenschap plegen over te hebben. De Raad laat dat verder buiten beschouwing. Door te spreken van patiënten 'die voor 'demonstratie' worden gebruikt is het geval opgeroepen, dat de lezer begrijpt dat een mogelijk verschil tussen klasse- en derde-klas-patiënten moet worden toegeschreven aan een onjuiste handelwijze van degenen die over de demonstraties beslissen, de medici of anderen die deel uitmaken van de wetenschappelijke staf. Het laat zich horen dat zij in die toevoeging lezen, dat hun het hanteren van een klasse-criterium bij de selectie van demonstratie-patiënten wordt aangewreven.
Van de kant van betrokkene is voorts nog aangevoerd, dat het meegedeelde niet zozeer bedoeld zou zijn te gelden voor de Amsterdamse, maar voor alle academische ziekenhuizen in het land. Deze opmerking snijdt geen hout, nu het hier geldt een toevoeging aan een citaat dat de subjectieve ervaring van een Amsterdamse medisch studente weergeeft.
Klager had dan ook aanspraak op herstel. Maar de eisen die hij daaromtrent aan de krant heeft gesteld waren onredelijk. De krant heeft daarop redelijk gereageerd. Het aanbod van plaatsruimte voor een gesigneerd artikel in de rubriek U had naar het oordeel van de Raad meer aandacht van de kant van klager verdiend dan het kreeg. Opnemen van zulk een artikel van redelijk niveau op die plaats, bood klager de gelegenheid om de toevoeging van de heer Sprenger in het naar zijn persoonlijk oordeel juiste licht te stellen; dat zou wellicht een redelijke vorm van herstel hebben kunnen zijn, juist omdat daartoe de medewerking van de hoofdredaktie was verleend.

BESLISSING

Het is uit een oogpunt van journalistieke verantwoordelijkheid te betreuren, dat de betrokkene aan het citaat uit Folia Civitatis twee zinnen heeft laten toevoegen waarin, in onderling verband gelezen, door onzorgvuldigheid feitelijke onwaarheden voorkomen of worden gesuggereerd, die de persoonlijke integriteit aantasten van degenen die bij de selectie van 'demonstratiepatiënten' zijn betrokken, en die schade kunnen doen aan het aanschouwelijk medisch onderwijs.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 22 maart 1973 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mevr. H. van der Horst-de Both, O. Postma, ing. drs H.W.M. van Run en Drs L.F. Tijmstra, leden, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 7.