1973/5 ongegrond

Gemeenteraadslid contra Het Binnenhof

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake Officier tegen Het Binnenhof.

De heer A. Th. Officier te Wateringen, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 8 augustus 1972 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer F. I. Plug, hoofdredacteur van het dagblad Het Binnenhof te 's-Gravenhage, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak verwezen naar de zitting en deze zaak behandeld ter zitting van 21 maart 1973, waar zowel klager als betrokkene zijn verschenen.

KLACHT

In Finale, het zaterdagse bijvoegsel van Het Binnenhof, verscheen op zaterdag 13 mei 1972 een reportage over de straatmarkt in Nederland. In de reportage wordt een uitvoerige vergelijking gemaakt tussen straatmarkten en grootwinkelbedrijven. Bij het artikel staan enkele foto's afgedrukt. Op een daarvan staat klager afgebeeld terwijl hij winkelt in een supermarkt. Het onderschrift bij deze foto luidt: De steriele, onpersoonlijke sfeer van de supermarkt haalt het niet bij die van de straatmarkt.
Klager voelt zich door het afdrukken van deze foto aangetast in zijn privéleven. Hem is niet om toestemming voor het afdrukken van de foto gevraagd. De bewuste foto was enkele maanden eerder gemaakt ter gelegenheid van de opening van
de supermarkt Konmar in Wateringen. Klager had toen wel toestemming gegeven aan de fotograaf van Het Binnenhof tot het maken van een foto maar hij was er daarbij van uitgegaan, dat deze foto slechts voor een reportage over de opening van deze winkel gebruikt zou worden. Klager is het met de strekking van de reportage over de straatmarkt volstrekt oneens. Als lokaal politicus vreest hij dan de lezer van de reportage over de straatmarkt onjuiste conclusie zou kunnen trekken aangaande klagers politieke opvattingen over de vestiging van supermarkten.
Klager heeft zich bij een brief van 15 juni 1972 tot Het Binnenhof gewend met een verzoek tot schadevergoeding tot een bedrag van f 750,-. De hoofdredactie van Het Binnenhof is op dit verzoek niet ingegaan.

ZITTING

Ter zitting licht klager zijn standpunt als volgt toe. Klager is raadslid in de gemeente Wateringen. In de gemeenteraad van Wateringen ontstonden in de loop van 1971 conflicten rond de vestiging van een warenhuis van de Konmar. Bij een besluit van de gemeenteraad werd aan het warenhuis geen toestemming tot opening verleend. Voor de winkel werd een bord geplaatst met het opschrift: Verboden toegang voor niet rechthebbenden. Klager was het volstrekt oneens met het meerderheidsbesluit van de gemeenteraad. Om een rechterlijke beslissing uit te lokken over de rechtmatigheid van het raadsbesluit zijn klager en enkele andere personen op de dag van opening van de Konmar gaan winkelen in de zaak. De plaatselijke politie werd hiervan tevoren op de hoogte gesteld. Toen een fotograaf van Het Binnenhof in de winkel verscheen en toestemming vroeg voor het maken van een foto, heeft klager die toestemming graag gegeven omdat een foto en een verslag in de krant zijn standpunt nog meer bekendheid zou geven.
Klager was zeer verbaasd dezelfde foto, nu in een geheel andere context, maanden later voor een tweede keer in Het Binnenhof afgedrukt te zien. Hij werd hierop geattendeerd door kiezers die hem vroegen of hij zijn politieke standpunt met betrekking tot grootwinkelbedrijven had gewijzigd. Naar de mening van klager zou men dit inderdaad uit de reportage over straatmarkten af kunnen leiden. In de reportage laat men zich in negatieve zin uit over grootwinkelbedrijven. Ten bewijze daarvan citeert klager de passages: Kijk, de markt biedt een volledig assortiment met een vakman achter iedere toonbank die deskundige informatie en voorlichting kan geven. Het assortiment heeft de supermarkt ook. Maar waar vind je er de vakman?, en: Kijk, waar het grootwinkelbedrijf zijn klappen uitdeelt, is bij de gevestigde middenstand. Vorig jaar zijn 5000 kruideniers en 4000 groentehandelaren verdwenen, en het onderschrift van de foto waarop hij staat afgebeeld.
Klager is het met de strekking van het artikel volstrekt oneens. De foto waarop hij staat afgebeeld wekt in combinatie met de tekst van het artikel naar zijn mening de indruk dat hij dezelfde bezwaren zou koesteren tegen grootwinkelbedrijven als die welke in het artikel worden genoemd. Klager heeft zich veel moeite moeten geven om deze foutieve indruk bij een deel van zijn kiezers weg te nemen. Op deze inspanningen berustte zijn verzoek tot schadevergoeding.
Betrokkene geeft toe dat bij het artikel over straatmarkten geen toestemming tot afdrukken van de foto aan klager is gevraagd. De foto is, nadat zij maanden eerder wel met toestemming van klager was gebruikt, zonder boodschap van welke aard ook in het foto-archief opgenomen. Bij de reportage over straatmarkten is de foto opnieuw gebruikt, nu zonder vermelding van naam en personalia. De foto werd puur als illustratie bij de reportage gebruikt. Het lijkt betrokkene zuiver toeval dat nu juist ter illustratie een foto is gekozen waarop klager staat afgebeeld. Bij Het Binnenhof worden regelmatig op deze wijze foto's als neutraal illustratiemateriaal gehanteerd die eerder in een speciale context waren gebruikt. Bij de redactie van Het Binnenhof is dan ook over het plaatsen van de foto van klager bij een reportage over straatmarkten geen enkel probleem gerezen. Betrokkene zou bereid geweest zijn na de publikatie een klein bericht in de krant op te nemen ter correctie van de misschien verkeerde indruk die de foto had kunnen wekken. Een verzoek daartoe heeft hem echter niet bereikt.

OVERWEGINGEN

Het is een bekende praktijk in de journalistiek dat foto's die eens werden gebruikt met het doel iemand, die niet een algemeen bekende publieke figuur is, persoonlijk of met betrekking tot een situatie waarbij hij persoonlijk betrokken was, af te beelden, later soms worden gebruikt met zuiver illustratieve bedoelingen in een geheel andere context. Tegen een dergelijke handelwijze zijn in de regel geen serieuze bezwaren aan te voeren mits bij het later gebruik van de foto het portretkarakter voldoende naar de achtergrond is gedrongen. Toch lijkt een zekere mate van voorzichtigheid bij het gebruik van archiefmateriaal niet ongewenst. Het kan zich immers soms voordoen dat een bepaalde persoon zich door een later gebruik van het materiaal toch benadeeld voelt of werkelijk benadeeld wordt. Het is denkbaar en wellicht te weinig gebruikelijk, dat de redactie van een dagblad, later gebruik van een foto overwegend, zich van deze mogelijkheid rekenschap geeft Belangrijker en ook gebruikelijker is echter de bereidheid bij een redactie om achteraf, indien de afgebeelde persoon binnen een redelijke termijn inderdaad bezwaren heeft gemaakt, een corrigerende mededeling in het dagblad op te nemen.

BESLISSING

Gelet op de bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval niet gesproken kan worden van een handelwijze van betrokkene die maatschappelijk onaanvaardbaar zou zijn gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 21 maart 1973 door mr A. Stempels, plv. voorzitter; H. ten Brink, mr F. Kuitenbrouwer, mr M. W. H. de Leeuw, R. H. G. Schoonhoven, leden; in tegenwoordigheid van mr A. Swart, plv. secretaris.

RvdJ 1973, 5.