1973/3 ongegrond

Huisarts contra Het Vrije Volk en Algemeen Dagblad

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake huisarts X tegen Her Vrije Volk en het Algemeen Dagblad

De heer X, huisarts te Y, hierna te noemen klager, heeft zich bij een door zijn raadsman ingediend klaagschrift d.d. 7 januari 1972 tot de Raad gewend met een klacht tegen de hoofdredacteur van Het Vrije Volk en die van het Algemeen Dagblad, hierna te noemen betrokkenen.

Tijdens het voorlopig onderzoek hebben beide betrokkenen een verweerschrift ingediend, waarna de voorzitter de zaak naar de Raad heeft verwezen. De Raad heeft de zaak vervolgens met gesloten deuren behandeld ter zitting van 15 maart 1973, waar verschenen zijn klager, bijgestaan door zijn raadsman mr Z., en de heer H. Hoffmann, chef produktie van Het Vrije Volk als gemachtigde van de hoofdredacteur. De heer H. N. Appel hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, heeft bericht, ver-
hinderd te zijn en niets toe te voegen te hebben aan zijn verweerschrift. De Raad verleent verstek tegen hem.

KLACHT

De klacht komt, zakelijk weergegeven, op het volgende neer.
In Het Vrije Volk van 9 november 1971 verscheen onder de kop 'Kind overleden.Vader klaagt dokter aan' een bericht, beginnend met de volgende zin: 'Schiedam - De Schiedammer W. v. d. L. (naam voluit) heeft bij de Medische Tuchtraad in Den Haag een klacht ingediend tegen zijn huisarts dokter (naam van klager voluit)'. Op 10 november 1971 publiceerde het Algemeen Dagblad een bericht met als kop Ouders van overleden kind klagen huisarts aan, dat als volgt begint: 'Schiedam - Het Schiedamse echtpaar V. d. L. (naam voluit) heeft de huisarts (naam van klager voluit) aangeklaagd bij het Medisch Tuchtcollege in Den Haag. De huisdokter zou de behandeling hebben verwaarloosd van een elf maanden oud zoontje, dat twee weken geleden in een Schiedams ziekenhuis overleed'. Vervolgens wordt in beide berichten meegedeeld op grond van welke omstandigheden de ouders tot deze stap waren gekomen. Het Vrije Volk besluit zijn bericht met 'Beide doktoren waren niet bereid commentaar te leveren op de klacht van de heer V. d. L. (naam voluit), in afwachting van de behandeling voor het tuchtcollege', terwijl het Algemeen Dagblad tot slot vermeldt: 'Zowel de huisarts als de kinderspecialist hebben zich in afwachting van de uitspraak van de tuchtraad onthouden van commentaar'.
Klager is in zijn eer en goede naam aangetast nu in beide berichten zijn naam in verband met zijn functie voluit wordt vermeld, terwijl het gaat om een zaak van uiterst precaire aard. Voorts is het bericht onjuist omdat in het geheel geen klacht bij het Medisch Tuchtcollege te 's-Gravenhage tegen klager is ingediend. Ook wordt de berichtgeving onwaar en tendentieus geacht nu de opstellers der berichten uitsluitend zijn afgegaan op informatie van datgene die klager van plichtverzuim beschuldigde, zonder er zich rekenschap van te geven of tegenover een 'geen commentaar' van klager de verstrekte inlichtingen de feiten wel juist vermeldden. Tenslotte stelt klager, van de betreffende publikaties tevoren niet op de hoogte te zijn gebracht.

VERWEER

Betreffende het bericht in het Algemeen Dagblad stelt betrokkene Appel dat het vermelden van de naam van klager in het geheel niet in strijd is met wat klager het journalistiek fatsoen noemt. Er bestaat in of voor de Nederlandse dagbladpers geen richtlijnen ten aanzien van het gebruik van de naam, dan wel de initialen van personen die in een bericht, in welke zin ook, in het geding zijn. Indien klager meent dat een medicus een bijzondere en beschermde positie in de maatschappij inneemt schiet hij tekort in de beoordeling van de positie van mensen met vergelijkbare beroepen.
Wat betreft het al of niet ingediend zijn van een klacht deelt betrokkene mee dat beide ouders van het overleden kind hem telefonisch op 4 februari 1972 hebben meegedeeld dat de vader een klacht had verstuurd naar het Medisch Tuchtcollege.
Klager is, toen hij door de redactie van het Algemeen Dagblad is benaderd met verzoek om commentaar te geven na het overlijden van het jongetje V. d. L. niet op dit verzoek ingegaan. Daardoor was het onmogelijk de procedure van hoor en wederhoor te volgen. Het verwijt achteraf van klager, die dus niet heeft willen reageren, slaat in feite dan ook terug op het feit dat hij wel gelegenheid heeft gehad zijn visie op de betreffende zaak te geven, maar dit heeft geweigerd.
In het bericht is op geen enkele wijze stelling genomen tegen klager. Integendeel: er is een passage opgenomen die ontlastend voor hem kan worden beschouwd en waarin de aard van de ziekte werd vermeld, waaraan het jongetje is overleden. ('Het jongetje zou echter overleden zijn aan een zeer zeldzame virusziekte, waarvoor geen antibioticum bestaat. Hangerigheid van het kind zou bij die ziekte het enige uiterlijke symptoom zijn geweest. Pas bij de sectie was gebleken aan welke ziekte het kind had geleden'.)
Betrokkene stelt tenslotte dat het algemeen belang gediend is bij een zo open mogelijke berichtgeving over medische zaken.

Het verweer dat namens de hoofdredacteur van Het Vrije Volk is gevoerd in het verweerschrift en aangevuld ter zitting, is als volgt.

Kort voor 9 november 1971 bereikte de redactie een brief van de heer V. d. L., inhoudende een navrant relaas over het overlijden van zijn kind en hetgeen hieraan was voorafgegaan; de strekking ervan was in hoge mate belastend voor klager. Omdat deze brief, gezien de ernst van de hierin geuite afdoening in aanmerking kwam doch in het algemeen belang duidelijk om nader onderzoek vroeg, heeft een der verslaggevers op 9 november opdracht gekregen een onderzoek in te stellen. In de loop van de morgen heeft deze telefonisch contact opgenomen met de heer V. d. L.- deze liet er generlei twijfel over bestaan dat hij een klacht bij het Medisch Tuchtcollege (in het bericht abusievelijk Tuchtraad genoemd) had ingediend. Vervolgens heeft de verslaggever getracht het Medisch Tuchtcollege te bereiken doch dat bleek die dag onbereikbaar. Daarna heeft hij zich volgens goed journalistiek gebruik ook gewend tot de huisarts en wel met name met de vraag of deze de juistheid van de lezing van de vader van het kind al dan niet kon bevestigen, in verband met het feit dat de vader een klacht zou hebben ingediend.
De huisarts heeft deze vraag niet beantwoord en meende te moeten volstaan met de opmerking dat hij zich, in afwachting van de behandeling van de zaak door het tuchtcollege, van commentaar wenste te onthouden. De verslaggever heeft zich overeenkomstig zijn opdracht zich zo goed mogelijk te doen informeren - tenslotte nog met de genoemde vraag gewend tot de kinderarts wiens hulp de vader had ingeroepen, doch deze wenste evenmin op het voorgevallene in te gaan, alweer: in afwachting van een eventuele tuchtrechtelijke behandeling.
Op grond van de pertinente uitspraken van de heer V. d. L. en van de uitlatingen van beide doktoren, hoe weinig concreet ook in het laatste geval, heeft de verslaggever aangenomen dat de indiening van een klacht inderdaad was geschied.
Betwist wordt dat de berichtgeving tendentieus zou zijn geweest, aangezien geen poging ongedaan is gelaten om het relaas van de vader bij de wederpartij en een onafhankelijke instantie, i.c. het college, te verifiëren, terwijl met name klager wel degelijk kon vermoeden dat er een publikatie zou volgen en hij toch van zijn kant niet heeft geprobeerd deze te voorkomen door b.v. te wijzen op het risico dat het wellicht niet tot indiening of behandeling van een klacht zou komen.
Tenslotte wordt opgemerkt dat de secretaris van het Medisch Tuchtcollege, omstreeks 10 februari 1972 door betrokkene benaderd, heeft meegedeeld dat omtrent het al of niet ingediend zijn van een klacht geen enkele mededeling kan worden verstrekt aan derden. Betrokkene meent daarom dat in het onderhavige geval is gepubliceerd met alle zorgvuldigheid, die het journalistieke werk vereist.

ZITTING

Ter toelichting van zijn klacht zegt klager dat hij telefonisch door verschillende journalisten is benaderd, waarbij niet gerefereerd werd aan een mogelijke brief van de heer V. d. L., maar hem slechts werd gevraagd: is het u bekend dat er tegen u een klacht is ingediend? Daarop meende hij niet anders te kunnen reageren dan met een: geen commentaar, als er een klacht is. Hij heeft niet aan de mogelijkheid gedacht dat men, nu zijn commentaar ontbrak, dan toch tot publikatie zou overgaan. De journalist die zegt dat er een klacht is ingediend, snijdt naar klagers inzicht daarmee de weg naar publikatie af voor zichzelf; de zaak is immers bij de rechter voorgebracht. Ook acht hij zich in verband met zijn geheimhoudingsplicht niet verplicht op elke vraag commentaar te geven.
Desgevraagd zegt klager dat hij misschien wel enig commentaar zou hebben gegeven als er geen klacht tegen hem was ingediend; de moeder van het overleden kind had hem echter reeds het voornemen tot het indienen van een klacht te kennen gegeven. Onder voorwaarde van niet publiceren heeft hij aan een der hem opbellende journalisten wel vertrouwelijke inlichtingen gegeven over deze zaak, deze heeft dan ook niet gepubliceerd. De kinderarts heeft hem meegedeeld, hetzelfde standpunt te hebben ingenomen: hij heeft aan niemand enig commentaar verstrekt, in verband met een eventuele klacht.
Desgevraagd deelt klagers raadsman mee dat de heer V. d. L. tegen klager een klacht heeft ingediend, niet bij het Medisch Tuchtcollege maar wel bij de Kon. Ned. Maatschappij tot bevordering der geneeskunst te Utrecht; deze is gedateerd 9 november 1971. Deze klacht is ter behandeling in handen gesteld van de Afdelingsraad van de KNMBG; daar de zaak nog sub judice is kan klager er geen nadere mededelingen over doen.
Klagers belangrijkste grief is dat zijn naam voluit is vermeld, dit was z.i. onnodig. Het onderzoek, dat door Het Vrije Volk naar deze zaak is ingesteld, acht hij voorts onvoldoende; de met dit onderzoek belaste verslaggever had een persoonlijk bezoek bij klager dienen aan te vragen om althans te trachten diens standpunt te vernemen. Overigens kan klager niet zeggen dat hij op zo'n aanvraag zou zijn ingegaan. Doordat er alleen telefonisch is geïnformeerd naar aanleiding van een mogelijke klacht, is er lichtvaardig een onjuiste publikatie gedaan, die de behandeling van de tuchtzaak zeer heeft belemmerd. Dit geldt voor beide betwiste artikelen.

De heer Hoffmann zegt dat Het Vrije Volk in de gegeven omstandigheden alle onderzoek heeft gedaan dat verwacht mocht worden.
De brief van de heer V. d. L. is niet zonder meer gepubliceerd; er is geïnformeerd bij de schrijver zelf die zeer positief stelde dat hij een klacht had ingediend; er is contact opgenomen met beide artsen die met de zaak te maken hadden gehad; er is een poging gedaan om het al of niet ingediend zijn van de klacht te verifiëren waarvan achteraf is gebleken dat deze poging nooit had kunnen slagen.
Ter redactie is uitvoerig overwogen wat de schade zou zijn voor andere artsen indien zou zijn volstaan met het opnemen van klagers initialen of met een vermelding als 'een huisarts te Schiedam'. Daar de overtuiging bestond dat de redactie alle zorgvuldigheid ten aanzien van klager in acht had genomen werd besloten zijn volledige naam te publiceren om mogelijke schade voor andere artsen te voorkomen.

OVERWEGINGEN

Klager stelt dat zijn standpunt, geen commentaar te kunnen geven op zaken die wellicht onderworpen zullen worden aan een tuchtrechtelijke beoordeling, volgt uit de vertrouwensfunctie die hij als arts inneemt, en dat daaruit voor de pers moet voortvloeien dat over zulke zaken niet gepubliceerd mag worden.
Daargelaten wat er zij van het eerste deel van deze stelling, de Raad kan niet meegaan met de stelling dat aan deze opvatting van de medische stand consequenties verbonden zouden zijn met betrekking tot de vrijheid van de pers tot publikatie.
Ook de stelling van klager dat, zodra een zaak sub judice is, de pers zich van publikaties daarover zou moeten onthouden, is niet houdbaar. Een dergelijke onthoudingsplicht geldt stellig niet, wanneer in het allereerste begin van het proces door aangevers mededelingen aan de pers worden gedaan- voorts kan het algemeen belang, in de huidige situatie waarin de medische zorg door te grote huisartsen-fondspraktijken in het gedrang dreigt te komen, ter bescherming van de belangen der patiënten gediend zijn met de publikatie van feiten die wellicht op andere wijze niet aan het licht zouden zijn gekomen.
Verder kan niet worden volgehouden dat in de gegeven omstandigheden - gelet op de houding van beide artsen en de onmogelijkheid de indiening van de klacht te verifiëren - het onderzoek naar de feiten niet aan de geldende journalistieke normen voldoet, en evenmin dat - de vele onzekerheden in aanmerking genomen - de berichten niet met de door die omstandigheden vereiste bijzondere voorzichtigheid zouden zijn geredigeerd.
Het verwijt dat de berichten onjuist zouden zijn omdat daarin gesproken wordt van een klacht ingediend bij het Medisch Tuchtcollege resp. de Medische Tuchtraad in Den Haag, komt in een bijzonder daglicht te staan nu namens klager is meegedeeld dat er op 9 november 1971, dus de dag waarop Het Vrije Volk zijn onderzoek deed, wel degelijk een klacht is ingediend, zij het bij de KNMBG en niet bij het Medisch Tuchtcollege. Het is de journalist niet te verwijten, dat de klagende patiënt het onderscheid niet kent tussen de overheidsrechtspraak van het Medisch Tuchtcollege en de verenigingstuchtrechtspraak van de Afdelingsraden van de KNMBG; het bericht dat een klacht is gedaan 'bij de Medische Tuchtraad in Den Haag' (Het Vrije Volk) resp. 'bij het Medisch Tuchtcollege in Den Haag' (Algemeen Dagblad) is eerder onnauwkeurig dan onjuist te achten.
Wat tenslotte de vermelding van klagers volledige naam betreft acht de Raad deze, enerzijds in verband met de in de journalistiek gewenste personalisering in de berichtgeving, anderzijds gezien klagers weigering om van de hem geboden gelegenheid tot het geven van commentaar gebruik te maken, niet in strijd met hetgeen, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van beide betrokkenen, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit deze beslissing ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 15 maart 1973 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, H. ten Brink, mevr. H. van der Horst-de Both, R. H. G. Schoonhoven en drs A. A. V. Tummers, leden, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 3.