1973/2 gegrond

Leeuwarder Courant contra RONO-medewerker

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Evenhuis en Noordmans tegen Hulst.

De heren E. Evenhuis en J. Noordmans, hoofdredacteuren van de Leeuwarden Courant, hierna te noemen klagers, hebben zich bij een brief van 25 september 1972 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer A. K. Hulst te Hoogezand, medewerker bij de Regionale Omroep Noord (RONO), hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld heeft de betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze zaak behandeld ter zitting van 14 maart 1973, waar zowel klager Evenhuis is verschenen als betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr J. van Santbrink, advocaat te 's Gravenhage.

KLACHT

De klacht heeft betrekking op een embargo. In twee brieven van het ministerie van economische zaken d.d. 15 september 1972 werd de noordelijke pers ervan op de hoogte gesteld dat de minister van economische zaken op donderdag 21 september te 16.00 uur in het Provinciehuis te Assen een persconferentie zou geven over de nota Noorden des Lands 1972. Van deze nota zou vanaf de woensdag daaraan voorafgaande een exemplaar voor de pers verkrijgbaar zijn in het Provinciehuis. De beide brieven memoreren nog dat de minister op vrijdagmorgen 22 september te Heerlen een andere persconferentie zou houden over de nota Limburg 1972 en dat de beide nota's diezelfde vrijdagmorgen aangeboden zouden worden aan de Tweede Kamer. In verband daarmee werd door het ministerie van economische zaken verzocht om het in acht nemen van een embargo op de tekst van de beide nota's en op hetgeen de minister over de nota Noorden des Lands 1972 op de persconferentie te Assen zou meedelen. Dit embargo zou aflopen op vrijdag 22 september te 10.30 uur.
Over de verdere gang van zaken rond het embargo zijn op verzoek van de Raad een aantal inlichtingen verschaft door de heer P. H. J. Francot, hoofd directie externe betrekkingen van de ministerie van economische zaken, in een brief van 19 oktober 1972. Deze brief bevat voor zover van belang zakelijk het volgende.

Het moment van het aflopen van het embargo op vrijdag 22 september 1972 te 10.30 uur werd, behalve door het tijdstip van aanbieding van de nota's aan de Tweede Kamer, mede bepaald door de overweging dat de beide regeringsnota's in alle edities van de vrijdag(avond)bladen zouden kunnen meedraaien. Op dinsdagmiddag 19 september werd de heer Francot opgebeld door betrokkene die hem meedeelde dat naar zijn mening een embargo op een stuk als regel vervalt bij de aanvang van een daarover gegeven persconferentie. Betrokkene wilde daarom het embargo op de nota Noorden des Lands slechts in acht nemen tot op het moment van de door de minister te houden persconferentie. In het telefoongesprek lichtte de heer Francot de reden van het embargo toe. Betrokkene bleef echter bij zijn standpunt. De heer Francot zei hem toen dat hij dit standpunt alleen kon billijken indien betrokkene dan ook de nota niet zou accepteren en niet op de persconferentie zou verschijnen. Het in ontvangst nemen van de nota zou daarom aanvaarding van het embargo betekenen. In een tweede telefoongesprek op die dag werd evenmin overeenstemming bereikt. Na deze gesprekken heeft de heer Francot overwogen geen nota voor de betrokkene in Assen gereed te laten leggen; maar zo'n negatieve houding heeft hij tenslotte niet aangenomen omdat het mogelijk zou zijn dat betrokkene zich alsnog aan het embargo zou houden.

De volgende dag werd de heer Francot door enkele hoofdredakteuren van dagbladen opgebeld die melding maakten van de mogelijkheid dat het embargo niet door de gehele pers nageleefd zou worden en hem daarom adviseerden het tijdstip van aflopen te vervroegen tot het moment van aanvang van de persconferentie van de minister te Assen. Het ministerie van economische zaken heeft overeenkomstig deze adviezen gehandeld en de pers per telex en telefoon daarvan op de hoogte gesteld. De beide klagers verzoeken de Raad een oordeel uit te spreken over de handeling van betrokkene. Evenals de heer Francot menen zij dat een journalist die zich niet wil houden aan een uitdrukkelijk embargo op een stuk, dit stuk dan niet in ontvangst moet nemen.
Wanneer hij op andere wijze in het bezit van het stuk komt kan niemand hem verwijten dat hij daaruit voortijdig publiceert. Het embargo op de tekst van de nota en dat op hetgeen ter toelichting daarover tijdens de persconferentie werd medegedeeld, zijn niet van elkaar te scheiden. De mededeling dat het embargo niet zou worden gerespecteerd heeft naar de mening van de beide klagers geleid tot een situatie die de Nederlandse journalist schade zou kunnen doen. Uit opmerkingen van provinciale bestuurders menen zij te kunnen opmaken, dat in casu het wantrouwen tegen de pers weer eens is versterkt.

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene dat hij geen embargo heeft geschonden en dat hij niet heeft aangekondigd enig zinnig embargo te zullen doorbreken.

ZITTING

Betrokkene licht ter zitting zijn standpunt als volgt toe. Door hem is geen embargo geschonden nu het tijdstip, naar de mening van betrokkene terecht, werd vervroegd. Er was zijns inziens geen enkele reden het embargo te continueren tot de ochtend na de persconferentie van de minister. De kamerleden uit het noorden van het land hadden de nota Noorden des Lands al verder dan vrijdagochtend ontvangen. Het andere argument dat voor een embargo tot vrijdagochtend werd gegeven, n.l. dat dan alle vrijdag(avond)bladen het stuk nog zouden kunnen meenemen in hun edities, lijkt hem ten opzichte van de omroepen niet fair. Dit zou een bevoordeling van dagbladen impliceren ten nadele van de omroepen. Uitzendingen van omroepen maken in de regel verslaggeving in kranten nauwelijks overbodig. Anderzijds is het voor omroepen vaak minder aantrekkelijk uitzendingen te wijden aan zaken waarover in kranten al uitvoerig is geschreven. Van belang is dat de RONO op vrijdagavond geen tijd beschikbaar zou hebben gehad om aandacht aan de nota te schenken. De RONO zou bij naleving van het oude embargo daarom in tijd belangrijk op de dagbladen hebben achtergelegen. Door de vervroeging van het tijdstip van aflopen van het embargo was het de RONO daarentegen mogelijk nog op donderdagavond een schakelprogramma te wijden-aan de nota. Betrokkene meent dat in dit geval geen redelijke argumenten voor handen waren voor het opleggen van een embargo van een zo lange duur. Door het tijdstip van aflopen te vervroegen heeft het ministerie dit impliciet toegegeven. De vraag is voor hem ook of het aanvankelijke embargo niet in overeenstemming te brengen is met de richtlijnen welke door de sectie hoofdredacteuren van de Federatie van Nederlandse Journalisten in 1964 waren opgesteld.
De brief van de heer Francot aan de Raad geeft naar de mening van betrokkene de gang van zaken rond het embargo, voor zover deze hem aangaat, juist weer. Betrokkene erkent dat hoewel hij in de telefoongesprekken met de heer Francot ook argumenten naar voren heeft gebracht toch vooral het dreigen het aanvankelijke embargo te doorbreken het ministerie gebracht heeft tot vervroeging van het tijdstip van aflopen.

OVERWEGINGEN

Anders dan de betrokkene is de Raad niet van mening dat bij het aanvankelijke door het ministerie van economische zaken opgelegd embargo sprake is van een bevoordeling van de schrijvende pers boven de andere nieuwsmedia. Bij het bepalen van het tijdstip van aflopen is het altijd ze,er moeilijk rekening te houden met alle verschillende belangen. Het gaat niet aan hier een kunstmatige tegenstelling te creƫren tussen de verschillende media. Ook binnen de dagbladpers of binnen de omroepen hoeven immers de belangen niet gelijk te lopen. Op welk moment men dan ook het embargo laat aflopen, het zal vrijwel altijd zo zijn dat de ene krant of de ene omroep een voorsprong verkrijgt op de andere.
De Raad kan zich bovendien niet verenigen met de stelling van betrokkene dat embargo's op stukken in het algemeen altijd zouden moeten aflopen bij de aanvang van een persconferentie. Het beroep dat daarbij is gedaan op de richtlijnen welke door de sectie hoofdredacteuren van de Federatie van Nederlandse Journalisten een aantal jaren geleden werden opgesteld, lijkt niet ter zake. De eerste in deze richtlijnen opgenomen conclusie heeft immers betrekking op nieuws dat pas ontstaat door het uitspreken van openbare redevoeringen of door het houden van een openbare persconferentie. In zulke gevallen ligt het in het algemeen voor de hand dat het embargo afloopt met de redevoering of de conferentie. In casu was hiervan echter geen sprake. De door de minister van economische zaken te houden persconferentie droeg een besloten karakter en was alleen bedoeld ter toelichting op een regeringsnota, dit met het oog op een goede berichtgeving over het stuk.

Hoewel het op zichzelf genomen denkbaar is dat omroepen bij een goede berichtgeving sneller kunnen werken dan het aanvankelijke embargo hun toeliet, zijn de duur van dit embargo en de daarvoor door het ministerie gegeven redenen niet zo kennelijk onredelijk dat men het embargo zonder meer zou kunnen negeren. Het is vervolgens zeer goed denkbaar dat betrokkene alleen door overleg met het ministerie een vervroeging van het tijdstip van aflopen van het embargo bereikt zou hebben. Hij heeft dit echter zo goed als geheel nagelaten en zijn heil vooral gezocht in het dreigen met doorbreking van het embargo. De Raad is van mening dat in de gegeven omstandigheden overleg met het ministerie in eerste instantie op de weg van betrokkene zou hebben gelegen en het dreigen met doorbreking van het embargo geen de journalist passende tactiek was.

BESLISSING

Gelet op de bovenstaande overwegingen is de Raad van mening dat het gedrag van de betrokkene maatschappelijk onaanvaardbaar moet worden geacht gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid .
De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Vereniging van Nederlandse Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 14 maart 1973 door mr A. Stempels, plv. voorzitter; mr F. Kuitenbrouwer, drs H. W. M. van Run, drs L. F. Tymstra en mr J. J. Waltheer, leden; in tegenwoordigheid van mr A. Swart, plv. secretaris.

RvdJ 1973, 2.