1973/16 ongegrond

Rijksvoorlichtingsdienst contra de Volkskrant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Rijksvoorlichtingsdienst tegen de Volkskrant.

De heer G. van der Wiel, hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst te 's-Gravenhage, hierna te noemen klager, heeft zich bij brief van 13 juni 1973 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredactie van de Volkskrant te Amsterdam.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de hoofdredacteur drs J. M. M . van der Pluijm, hierna te noemen betrokkene, een verweerschrift ingediend, en daarna hebben partijen elkander gediend van repliek en dupliek. Vervolgens heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de Raad, die haar heeft behandeld op de zitting van 15 november 1973, alwaar zijn verschenen de klager, drs J. M. M. van der Pluijm en de heer C. Bastianen, parlementair redacteur bij de Volkskrant.

KLACHT

In de Volkskrant van 28 mei 1973 is een artikel verschenen, getiteld Regeringsverklaring Kabinet-Den Uyl: Prijsstijging aan banden.
Klager oordeelt dat de Volkskrant met de plaatsing van dit artikel de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Hij voert daartoe het volgende aan:

'Op vrijdagavond, 25 mei, is na een gesprek met een aantal journalisten over mogelijke faciliteiten, aan de pers medegedeeld, dat de regeringsverklaring, die minister-president drs J. M. den Uyl, op maandag, 28 mei om 11.00 uur in de Tweede Kamer zou afleggen, op zondagavond om 19.30 uur onder embargo tot maandag 12.30 uur (in feite is dit tijdstip verschoven naar 13.00 uur) aan de pers ter beschikking zou worden gesteld. Met een vertegenwoordiger van het Algemeen Nederlands Persbureau werd afgesproken dat deze embargoregeling vrijdagavond om + 18.00 uur als dienstmededeling via het ANP-net zou worden verspreid. Daarnaast werd met het ANP overeengekomen dat de tekst van deze verklaring niet voor zondagavond, 24.00 uur op het telexnet zou worden doorgegeven.
De ter beschikkingstelling van de exemplaren van de verklaring op zondagavond geschiedde op de gebruikelijke wijze tussen 19.30 en 20.30 uur. Het ANP hield zich aan bovengenoemde afspraak. Om 21.25 uur verzocht de heer Kees Bastianen, correspondent van de Volkskrant in Den Haag telefonisch aan de heer H. de Ru, directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst, er nota van te nemen dat niemand van de Volkskrant een exemplaar van de regeringsverklaring bij de RVD had afgehaald of zou afhalen.
Op ieder exemplaar van de tekst stond de mededeling: 'Embargo tot 28 mei, 13.00 uur'. Er was geen enkel exemplaar waar de embargoafspraak niet op stond.
Het artikel van de Volkskrant bestaat vrijwel uitsluitend uit letterlijke citaten uit de regeringsverklaring (zie het hierbij gevoegde exemplaar van het artikel, bijlage III). Er bestaat geen twijfel over of de Haagse correspondent een exemplaar met de definitieve tekst van de verklaring in zijn bezit had en - zij het in verkorte vorm - publiceerde. Zijn telefonische mededeling deed al vermoeden dat hij voornemens was dit te doen.
Van de zijde van de Volkskrant wordt ook niet bestreden dat men deze tekst heeft gebruikt; met opzet heeft de redactie de letterlijk overgenomen formuleringen tussen aanhalingstekens geplaatst.
Kennelijk ging men uit van de gedachte slechts aan het embargo gebonden te zijn, indien men de tekst zelf van de RVD zou hebben aangenomen, doch dat men vrij was om te publiceren na verkrijging op andere wijze.
Ik acht het echter, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk onaanvaardbaar dat de Volkskrant - op welke wijze dan ook in het bezit gekomen van de regeringsverklaring overgegaan is tot publikatie, terwijl de redactie wist, dat er een embargo tot na het verschijnen van het nummer van 28 mei bestond. Het belang van de Rijksvoorlichtingsdienst - waartoe ik mij meen te moeten beperken - terzake is aanzienlijk. Zou namelijk de handelwijze van de Volkskrant aanvaard worden, dan zou daarmede het onder embargo verstrekken van dergelijke staatsstukken aan hen, die deze met het oog op een goede publiciteit nodig hebben, volstrekt onmogelijk worden. Juist terwille van die goede publiciteit heeft de verspreiding onder embargo zich in de loop der jaren zo moeten ontwikkelen dat een dergelijk stuk altijd wel - ook zonder tussenkomst van de Rijksvoorlichtingsdienst - in handen te krijgen is.
Aan een goede, adequate voorlichting naar de zijde van de pers zou daarmede in ernstige mate afbreuk gedaan worden; de samenwerking tussen overheidsvoorlichting en pers, die terwille van een optimale voorlichting van de burgers zo zeer gewenst is, zou daarmede tevens in aanzienlijke mate worden geschaad.
Er zou - samenvattend - met betrekking tot een heel belangrijk onderdeel van het verkeer tussen de overheidsvoorlichting en de pers een onwerkbare situatie voor beiden ontstaan, indien thans niet meer zou gelden hetgeen gold in een uitspraak van uw Raad, opgenomen in De Journalist van 31-8-'64, waarin onder meer de overweging was opgenomen 'dat een terecht opgelegd embargo op te publiceren gegevens met grote nauwkeurigheid door de pers moet worden in acht genomen, hetgeen als een 'ereregel' voor de journalist moet worden beschouwd ' .

De in deze klacht bedoelde ANP-dienstmededeling van vrijdagavond 18.00 uur luidde:

De Rijksvoorlichtingsdienst deelt het volgende mee: onvoorziene omstandigheden voorbehouden, is de regeringsverklaring verkrijgbaar bij de RVD, Noordeinde 43 in Den Haag, zondagavond tussen 19.30 en 20.30 uur.
Op de verklaring rust een embargo tot maandag 12.30 uur'.

Op 27 mei werd per telex onder meer het volgende bericht aan de hoofdredacties gestuurd:

'Den Haag 27-5 (ANP) via het a-kanaal van het ANP-net kunt u na middernacht een samenvatting verwachten van de morgen - maandag - af te leggen regeringsverklaring van het nieuwe kabinet.
Deze verklaring zal, behalve via het a-kanaal, ook worden uitgezonden via het TTS-kanaal. Op de tekst van de regeringsverklaring rust een embargo tot maandag 13.00 uur'.

VERWEER

Betrokkene antwoordde als volgt:

'I. De toedracht der feiten:

Vooropgesteld zij, dat de regeringsverklaring belangrijk nieuws kan zijn. Iedere krant en iedere parlementaire redacteur zullen derhalve pogen hun lezers in een zo vroeg mogelijke fase zo goed mogelijk over de inhoud van dat stuk te informeren. Een zo vroeg mogelijke fase betekent: zo mogelijk vooraf.
Ook de parlementaire redactie van de Volkskrant - en met name de heer C. Bastianen - had de nodige maatregelen getroffen om nieuws betreffende de beleidsvoornemens van het kabinet-Den Uyl aan de lezers te verschaffen.
Het bleek echter onmogelijk tot verantwoorde publikaties te geraken voor maandag 28 mei 1973, de dag, waarop de regeringsverklaring zou worden voorgelezen. Die onmogelijkheid werd veroorzaakt door het feit, dat het kabinet tot zaterdagavond 26 mei aan het regeringsstuk gewerkt heeft. Veranderingen in beleidsvoornemens bleven dus tot zaterdagavond mogelijk. Omdat de redactie van de Volkskrant van oordeel is, dat in een zo belangrijke zaak de uiterste zorgvuldigheid dient te worden betracht, onthield ze zich tot de 26e van publikatie. Omdat er op zondag 27 mei geen krant uitkwam, was de enige mogelijkheid maandag 28 mei 1973.
Reeds voordat de embargo-regeling van de RVD via het ANP-net op vrijdagavond 25 mei aan de redacties werd medegedeeld, had de heer Bastianen de Volkskrant-redactie laten weten dat hij wellicht tijdens het weekeinde voldoende betrouwbare informatie inzake de regeringsverklaring zou kunnen krijgen. Het lag in zijn bedoeling die in de krant van maandagochtend te publiceren.
Zoals uit de klacht van de heer Van der Wiel blijkt, is de publikatie-regeling van het regeringsstuk tot stand gekomen op vrijdagavond 25 mei 'na een gesprek met een aantal journalisten'. Bij dit gesprek is geen Volkskrant-redacteur aanwezig geweest. Van enige betrokkenheid, laat staan van enige instemming van de Volkskrant met deze regeling, is dus geen sprake.
Overeenkomstig de met de redactie gemaakte afspraak heeft de parlementaire redactie het onder embargo staande stuk zondagavond niet bij de RVD afgehaald. Ten overvloede heeft de heer Bastianen de RVD daarop zondagavond geattendeerd in het telefoongesprek, dat hij met de heer H. de Ru, directeur van de RVD, heeft gevoerd.
De passage in de klacht van de heer Van der Wiel dat 'zijn (Bastianens) telefonische mededeling al deed vermoeden, dat hij voornemens was dit (publikatie van het stuk) te doen' komt wat wonderlijk over. Wat zou anders de zin van de telefonische mededeling van de heer Bastianen hebben kunnen zijn? Toch geen andere dan mee te delen, dat we over voldoende eigen informatie beschikken, dat we derhalve geen behoefte hadden aan het accepteren van het stuk onder embargo en derhalve geen enkele verplichting tot het handhaven van dat embargo wensten aan te gaan?
Ten overvloede heeft de hoofdredacteur van de Volkskrant in de nacht van zondag op maandag rond 0.30 uur het ANP in Den Haag opgebeld met de mededeling, dat we geen behoefte hadden aan een ANP-tekst van de regeringsverklaring en dat het door ons op prijs zou worden gesteld, als die tekst zo laat mogelijk zou worden doorgeseind, opdat niet verondersteld zou kunnen worden dat we onze informatie aan de ANP-tekst zouden hebben ontleend.
De heer Van der Wiel meent te kunnen stellen dat we zelfs een embargo schonden, ook als we het niet zouden hebben aanvaard. Er was, zo schrijft hij, geen enkel exemplaar, waar de embargo-afspraak niet op stond. En verder: 'Er bestaat geen twijfel over, of de Haagse correspondent die een exemplaar met de definitieve tekst van de verklaring in zijn bezit had en - zij het in verkorte vorm - publiceerde'. En: 'Van de zijde van de Volkskrant wordt het ook niet bestreden, dat men deze tekst heeft gebruikt; met opzet heeft de redactie de letterlijk overgenomen formuleringen tussen aanhalingstekens geplaatst'.
Tegen deze stellige beweringen is wel wat in te brengen. We hebben tot nu toe nooit iets bestreden, want het is de eerste keer, dat ons deze stelling wordt voorgelegd. Uit de weergave van letterlijk overgenomen formuleringen tussen aanhalingstekens valt niet af te leiden, wat de heer Van der Wiel beweert. Het is bijvoorbeeld zeer wel mogelijk, dat er voor onze berichtgeving verschillende bronnen waren. En dat die bronnen de gepubliceerde passages telefonisch of mondeling hebben doorgegeven. Het is denkbaar, dat al in een eerdere fase bepaalde passages ter kennis waren gekomen van onze redacteur, en dat hij in het weekeinde alleen de juistheid ervan moest afchecken.
Ook is het niet ondenkbaar dat onze redacteur niet het volledige stuk in handen had, maar slechts een deel ervan. In dat geval zou de eerste pagina, waarop het embargo vermeld stond, hebben kunnen ontbreken.
Kort en goed, het is uit de publikatie in de Volkskrant niet met de zekerheid, die de heer Van der Wiel demonstreert, af te leiden, dat de redacteur de definitieve tekst van de verklaring in zijn bezit had en dat hij deze tekst zou hebben gebruikt.
De heer Van der Wiel stelt aan het eind van zijn klacht, dat de verspreiding onder embargo zich de laatste jaren zo heeft ontwikkeld, dat 'een dergelijk stuk altijd wel in handen te krijgen is', ook zonder tussenkomst van de RVD. We betwijfelen of dat zo gemakkelijk is. Heel wat anders is, of de groep van mensen, die het stuk bij voorbaat kennen, langzamerhand niet zo groot geworden is, dat er nauwelijks meer van vertrouwelijkheid van dit soort stukken (het geldt ook voor miljoenennota, troonrede, etc.) gesproken kan worden. In ieder geval was dit stuk bekend bij alle fractie voorzitters (l4), waarschijnlijk bij de fractiebesturen, vermoedelijk ook bij alle bewindslieden (33) en voorts bij de publiciteitsmedia. De vraag hoeveel exemplaren er in feite waren op zondag de 27e, kan een interessant antwoord opleveren.
Voorts is van belang de vraag, wanneer naar het oordeel van de heer Van der Wiel de 'jacht' op nieuws uit het stuk gesloten was. Was dat met de mededeling van vrijdagavond? Of gold dat, zodra men het stuk bij de RVD had afgehaald?
We krijgen de indruk dat de heer Van der Wiel het gesloten seizoen wil doen ingaan na het uitgaan van zijn mededeling op vrijdagavond. Dat lijkt ons volslagen onjuist.
Even onjuist overigens als de stelling, dat onze redacteur informatie achterwege zou moeten laten, omdat hij zou kunnen vermoeden of zelfs weet, dat zijn bron (of bronnen) teksten gebruiken, waarop 'onder embargo' staat.

II. Principieel verweer:

Dit brengt ons langzamerhand tot een meer principieel verweer.
De hoofddirecteur van de RVD gaat er blijkbaar van uit, dat journalisten onder alle omstandigheden geboden zijn aan opgelegde embargo's (de duidelijk onredelijke of buiten de journalistiek aanvaarde normen vallende buiten beschouwing gelaten).
Hij schrijft namelijk: 'Kennelijk ging men uit van de gedachte slechts aan het embargo gebonden te zijn, indien men de tekst van de RVD zou hebben aangenomen, doch dat men vrij was om te publiceren na verkrijging op andere wijze'.
Het gaat niet zozeer om het aannemen van de tekst; het gaat erom, dat men zich door het aannemen van de tekst akkoord verklaart met het erop liggende embargo en zich daaraan dient te houden. De Volkskrant heeft uitdrukkelijk doen weten, de tekst niet te zullen afhalen en zich
derhalve niet gebonden te achten aan een embargo. Volgens de heer Van der Wiel mag de Volkskrant dat niet doen en kan ze het niet doen.
Naar onze overtuiging kan een krant zich wel degelijk onttrekken aan een embargo. Het embargo is niet meer dan een afspraak tussen twee partijen een bepaalde tekst niet eerder dan de afgesproken datum te publiceren, maar er zijn wel altijd twee partijen bij nodig. Vaak zal de journalistieke partij stilzwijgend instemmen met een embargo, maar er zullen zich ook omstandigheden voordoen, waarin hij dat embargo weigert te accepteren, omdat hij meent tot een eerdere verantwoorde publikatie te kunnen geraken. In onze opvatting, dat voor het aanvaarden van een embargo wel degelijk de bewilliging van twee partijen nodig is, vinden we duidelijk een grond in de embargo-stellingen van de sectie hoofdredacteuren van de Nederlandse Vereniging van Journalisten. De derde stelling luidt, dat het embargo eerst geldt, als het door de betrokken hoofdredactie stilzwijgend of uitdrukkelijk is aanvaard. Dat sluit in, dat het een hoofdredactie mogelijk moet zijn zich aan een embargo te onttrekken. In de gedachtengang van de directeur van de RVD zou dat onmogelijk zijn.
Deze gedachtengang lijkt ons fundamenteel onjuist. Ze zou leiden tot een onaanvaardbare beperking van het recht op vrije nieuwsgaring. Het verspreiden van een stuk onder embargo, misschien zelfs de aankondiging al, dat een stuk onder embargo wordt verspreid, zou tot gevolg kunnen hebben dat alle publiciteitsmedia zich moeten onthouden van het verschaffen van iedere informatie, op dat stuk betrekking hebbend.
Het is duidelijk, dat dat nooit de bedoeling van een embargo kan zijn, maar ook niet een gevolg. 'Zou de handel-wijze van de Volkskrant aanvaard worden, dan zou daarmee het onder embargo verstrekken van dergelijke staatsstukken aan hen, die deze met het oog op een goede publiciteit nodig hebben, volstrekt onmogelijk worden', aldus het angstvisioen van de RVD.
Dat lijkt zwaar overtrokken. Het is - zelfs bij een vrij ruime verspreiding van het stuk - toch niet zo eenvoudig om uit eigen nieuwsgaring de betrouwbare informatie te krijgen, die nodig is om tot een publikatie als die in de Volkskrant te geraken . Het aantal keren, dat dat lukt, zal zeer gering zijn.
Veel erger is dat het gevaar loert dat de parlementaire journalistiek middels een oneigenlijk gebruik van het embargo-middel een verlengstuk wordt van de overheidsvoorlichting, althans minstens in haar wezenlijke journalistieke taak (de nieuwsgaring) wordt belemmerd. Dan zou een onwerkbare situatie voor de pers kunnen ontstaan; dat is fundamenteel onaanvaardbaar. Een onwerkbare situatie voor de RVD is lastig voor de RVD, maar ook niet meer dan dat.
Het embargo-systeem is slechts een middel. Een middel voor de RVD om de pers te helpen haar informatieve taak zo goed mogelijk te vervullen. Het kan nooit doel zijn. Het middel heeft grote voordelen én voor de pers én voor de RVD c.q. de regering. Het is in zijn hantering gebonden aan spelregels. Tot die regels hoort dat er media zijn, die op een gegeven ogenblik een embargo niet willen aanvaarden, omdat ze de regeling niet nodig hebben. Dat kan wat lastig zijn voor de RVD en wat vervelend voor de regering. Veel gemakkelijker is, als steeds tevoren vaststond dat iedereen zonder meer aan een dergelijk embargo gehouden zou zijn. De vrije nieuwsgaring echter verzet zich daartegen. Dat is een goed, dat verre uitstijgt boven welke fraaie en waterdichte embargo-regeling dan ook.
Daarom menen wij, dat de klacht van de RVD geen steek houdt. De Volkskrant heeft geen embargo aanvaard en kan het derhalve ook niet geschonden hebben. De stelling dat elk embargo zou moeten worden aanvaard, wijzen wij principieel af. Van een 'opgelegd' embargo, als waarop de laatste regel van de klacht doelt, kan in onze opvatting alleen dan sprake zijn, als iemand over nieuws beschikt, dat op geen andere wijze verkregen kan worden dan uit die bron.
In zo'n geval is die bron in staat een embargo op te leggen en dan gaat ook op, wat destijds in de uitspraak van Uw Raad werd gesteld.'

REPLIEK EN DUPLIEK

Bij repliek en dupliek hebben beide partijen bij hun stellingen volhard. Op de verdere inhoud van die stukken komt de Raad hieronder zo nodig terug.

ZITTING

Ook ter zitting hebben partijen bij hun stellingen volhard.
Zij waren eenstemmig, dat de RVD in het onderhavige geval het embargo correct heeft gehanteerd. De heer Van der Pluijm heeft verklaard, dat het belang van de door de RVD aangevallen publikatie uitsluitend daarin school, dat de Volkskrant een primeur had. De vraag, of de Volkskrant geput -heeft uit enig stuk waarop de embargomededeling voorkwam, hebben de heren Van der Pluijm en Bastianen met neen beantwoord.

OVERWEGINGEN

De RVD had bekend gemaakt dat zij, de regeringsverklaring, vóórdat die zou zijn uitgesproken, onder embargo ter beschikking van de pers zou stellen, en zij heeft zich ook dienovereenkomstig gedragen. De Volkskrant was daarvan op de hoogte en heeft vóór de afloop van de door de RVD bepaalde termijn belangrijke en uitvoerige gedeelten van de regeringsverklaring letterlijk gepubliceerd.
De vraag of de Volkskrant zich daarmede schuldig heeft gemaakt aan een embargoschending dient ontkennend te worden beantwoord. Men kan een embargo alleen schenden als men aan het embargo verbonden is, en dat was de Volkskrant niet.
In het dagelijks verkeer spreekt men wel van een op te publiceren gegevens opgelegd embargo - men zie bijvoorbeeld het slot van de klacht -, van een embargo, dat rust op bepaald nieuws enz. Maar die uitdrukkingen zijn wat verwarrend. De RVD kan evenmin als elke andere nieuwsverschaffer ook, een embargo op nieuws opleggen. De nieuwsverschaffer, die het embargo-systeem hanteert, verklaart zich slechts bereid, aan de pers vertrouwelijk en onder voorwaarde van geheimhouding gedurende een korte, vooraf bepaalde, tijd, inlichtingen te geven. Inlichtingen verkregen buiten de nieuwsverschaffer om worden in het algemeen door het embargo niet getroffen.
In het onderhavige geval waren vanzelfsprekend de persorganen en journalisten die - bijvoorbeeld door bij de RVD een exemplaar van de regeringsverklaring in ontvangst te nemen - de door de RVD getroffen regeling hadden aanvaard, aan het embargo gebonden . Maar buiten die kring kan van een binding niet worden gesproken; een krant die dit embargo niet heeft aanvaard bleef vrij, haar uit andere bronnen verkregen teksten te publiceren.
Vaststaat, dat de Volkskrant geen exemplaar van de regeringsverklaring bij de RVD heeft afgehaald; zij is ook niet bij de totstandkoming van deze embargo-regeling betrokken geweest; de krant heeft - zij het niet met zoveel woorden - op zondagavond aan de RVD laten weten dat zij het embargo zou negeren, en de RVD heeft dat, naar de Raad mag aannemen, ook zo begrepen.
Vaststaat ook - de Raad heeft geen reden op dit punt aan de verklaringen van de Volkskrant te twijfelen - dat de Volkskrant voor haar publikatie geen van de RVD afkomstig exemplaar van de regeringsverklaring, direct of indirect, heeft geraadpleegd.
Van een embargoschending ten opzichte van de RVD is dan ook geen sprake.
Dat neemt niet weg, dat de Raad met de gang van zaken niet gelukkig is. In haar verweerschrift zegt de Volkskrant: het embargo is niet meer den een afspraak tussen twee partijen.
Dat is waar. Maar het is niet de gehele waarheid, omdat die uitspraak doel en werking van een embargo niet bestrijkt. Wanneer een embargo door een aanzienlijk deel van de pers wordt aanvaard, dan is dat een feitelijk gegeven, waarmede de journalist die tot publikatie buiten het embargo om in staat is, rekening behoort te houden . Het embargo-stelsel, correct gehanteerd, is zowel voor de nieuwsverschaffer als voor de pers van aanzienlijke betekenis.
Vanzelfsprekend staat of valt het systeem met de bereidheid van de pers zich ook aan de regels van dat spel te binden en te houden. Als belangrijke delen van de pers dat niet zouden doen, dan zou het systeem niet kunnen werken. Zou het onhanteerbaar worden dan zou de pers in haar taak ernstig worden belemmerd; zij zou uitvoerige en belangrijke stukken in nodeloze haast moeten behandelen; het publiek noch de pers zouden zo goed als wel mogelijk is van nieuws en van voorlichting worden voorzien.
De Volkskrant heeft gelijk, wanneer zij zegt, dat het wat lastig kan zijn voor de RVD en wat vervelend voor de regering indien een krant een embargo niet wil aanvaarden omdat zij de regeling niet nodig heeft.
Maar alweer: daarmee is niet alles gezegd; die uitspraak raakt niet aan de verhouding tussen zo'n krant en de andere persorganen, die allemaal een duidelijk belang hebben bij correcte embargo's, in brede kring aanvaard en gerespecteerd. Terecht heeft de RVD, ter zitting, gewezen op het gevaar, dat de grotere redacties in de jacht naar, niet onder embargo verstrekt, belangrijk nieuws naar beschikbare tijd en mankracht in het voordeel zijn boven de kleine redacties.
Het gaat er niet om, de gevaren van zo'n ontwikkeling zwart af te schilderen. Het gaat er hier slechts om te signaleren, dat de instandhouding van de embargopraktijk van aanzienlijk belang voor de pers is.
Met partijen gaat de Raad ervan uit, dat het in deze zaak om een correct embargo gaat. Het stond de Volkskrant vrij, zich aan dat embargo niet te binden. Maar bij de vraag of men zo'n embargo, waaraan de andere persorganen zich in het algemeen wel conformeren, wil negeren, zal men voor en tegen nauwkeurig tegen elkander moeten afwegen. Stuntwerk alleen is geen voldoende reden.
De Volkskrant heeft het embargo niet aanvaard, omdat zij de regeringsverklaring een halve dag eerder wilde brengen dan de andere persorganen. Zij wilde een primeur hebben, en dat was haar uitsluitend motief, zo bleek ter zitting; maar van een echte primeur was geen sprake: het ging alleen om dezelfde tekst - zonder enige andere informatie - die de andere kranten een halve dag later zou publiceren. De Raad gelooft niet dat dat belang opweegt tegen de schade, die het voorbeeld dat de Volkskrant met deze incidentele afzijdigheid van het embargo heeft gegeven, aan het embargo-instituut kan toebrengen.
Gelukkig zijn partijen het met elkaar eens, wanneer de RVD in zijn repliek herinnert aan 'uit het verleden bekende, niet zelden chaotische situaties, die een goede uitoefening van de informatieve taak door de pers stellig niet ten goede ... komen' die door de embargopraktijk worden voorkomen, en de Volkskrant die bij dupliek verklaart: 'Wij zijn niet tegen embargo's als ze zinvol zijn'. Wie een embargo niet wil aanvaarden dient voor en tegen terdege af te wegen, en dat niet alleen met het oog op het onderhanden geval, maar tegen de achtergrond van de waarde van de embargopraktijk in het algemeen.

BESLISSING

Het embargo is door de Volkskrant tegenover de RVD niet geschonden omdat zij het niet heeft aanvaard. Het is te betreuren dat de Volkskrant in deze publikatie alléén voldoende belang heeft gezien om zich van dit, duidelijk óók in het belang van de pers aangeboden, embargo afzijdig te houden.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het ANP en aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 15 november 1973 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, H. ten Brink, mevr. H. van der Horst-de Both, mr F. Kuitenbrouwer en drs L. F. Tijmstra, leden in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 16.