1973/14 gegrond

Advocaat contra De Telegraaf

Beslissing van de Raad voor de journalistiek inzake mr R. Lion tegen De Telegraaf.

Mr R. Lion, advocaat te Arnhem, hierna te noemen klager, heeft zich in zijn hoedanigheid van raadsman van de heer X te Y bij een brief van 24 januari 1973 tot de Raad gewend met een klacht tegen de hoofdredacteur van De Telegraaf te Amsterdam, hierna te noemen betrokkene.

KLACHT

Op of omstreeks 1 of 2 november 1972 is in De Telegraaf een bericht met de titel Politieman ontmaskert zoon als pyromaan verschenen, waaruit blijkt dat de cliënt van klager zich aan brandstichting zou hebben schuldig gemaakt. De bezwaren van klager en zijn cliënt richten zich met name tegen de vermelding in dit landelijk verschijnende dagblad van volle naam en roepnaam, het afdrukken van een portret van de cliënt en de volledige vermelding van naam en functie van de vader van de cliënt. Klager acht een dergelijke uitvoerige berichtgeving in strijd met de erecode waaraan behoorlijke journalisten in Nederland zich houden.

VOORLOPIG ONDERZOEK

Als reactie op deze klacht zond H. Goeman Borgesius, hoofdredacteur van De Telegraaf, een brief d.d. 11 april 1973 in, waarin hij meedeelt:

'dat het bij ons inderdaad de gewoonte, doch geen strikte regel is, bij misdaden te volstaan met het vermelden van initialen.
Het feit dat in dit bijzondere geval de vader zijn eigen zoon arresteerde en dit gebeuren in de wijde omtrek bekend was, zal ook de reden zijn geweest dat de naam van de vader volledig werd vermeld, waardoor de naam van de zoon ook bekend werd.
Bij het rechtbank-verslag over deze zaak d.d. 24 maart 1973, is weer volstaan met het vermelden van de initialen.'

ZITTING

Nadat de voorzitter het voorlopig onderzoek had gesloten en de zaak naar de Raad had verwezen, heeft deze de zaak behandeld ter zitting van 16 mei 1973, waar geen van beide partijen verschenen is. Klager heeft bericht niet te zullen verschijnen nu zijn klacht uitsluitend een - in het klaagschrift genoegzaam uiteengezette - principiële vraag betreft. Tegen betrokkene verleent de Raad verstek.

OVERWEGINGEN

De aan de betwiste publikatie ten grondslag liggende feiten zijn van zeer uitzonderlijke aard. In het artikel wordt daaraan uitvoerig en gedetailleerd aandacht besteed, met nadruk op de persoonlijke aspecten in het gebeuren, voortkomend uit de vader-zoon-relatie tussen de arresterende opsporingsambtenaar en de door hem gearresteerde verdachte van een reeks brandstichtingen, die in de omgeving van hun woonplaats grote onrust hebben verwekt.
Zowel de vader als de zoon worden hierbij volledig geïdentificeerd door de vermelding van hun naam en voornamen of -letters, woonplaats, functie en rang van de vader en - wat de zoon betreft - voorts nog de straatnaam, zijn werkgever en zijn vrijetijdsbesteding als popmusicus in een met name genoemde band.
De vader wordt sprekend ingevoerd, o.m. met dit citaat:

'Volkomen gebroken, met dikke wallen onder de ogen vertelde vader Z gistermiddag zijn verhaal: 'Toen vermoeden begon te rijzen dat X (roepnaam voluit) met de branden te maken had (zijn auto was bij de brand in A gezien) ben ik eerst met zijn vrouw gaan praten. Eén van mijn kleinkinderen was juist jarig.' Verderop in dit citaat 'Toen ik hem zag, wist ik het meteen. Ik heb een minuut of vijf met X (roepnaam voluit) gesproken. Hij had een glaasje bier op, maar verder deed hij normaal. Hij gaf vrij vlot toe.'

In de tweede alinea van het stuk is een portretfoto van de verdachte opgenomen met het onderschrift:

'Dader X (naam en voornaam voluit) . . . in een opwelling . . .'

In het verslag dat De Telegraaf op 24 maart 1973 van de terechtzitting publiceerde, worden van de vader naam noch initialen vermeld, van de zoon de voornaam voluit, het initiaal van de achternaam, verder zijn leeftijd, beroep en woonplaats. In de nederlandse journalistieke opvattingen omtrent de berichtgeving over criminaliteit en berechting wordt vrij algemeen de regel - die ook onder de lezer zo sterk leeft dat men kan spreken van een maatschappelijk aanvaard zijn ervan - gevolgd om van verdachten en veroordeelden weliswaar onderscheidende personalia zoals leeftijd, beroep en woonplaats te vermelden, maar ten aanzien van de naam te volstaan met weergave van de initialen, dit ondanks de aandrang tot verdere verpersoonlijking in de berichtgeving die van de ons omringende landen uitgaat, waar het vermelden van de volledige persoonsgegevens gebruikelijk is.
Ten onzent wordt groter gewicht gehecht aan de bescherming van de persoon van de verdachte die nog niet schuldig is bevonden, en van de veroordeelde die door een identificerende publikatie van het vonnis een onevenredige verzwaring van zijn straf zou kunnen ondergaan en wiens latere kansen bij een terugkeer in de samenleving daardoor zouden worden verkleind.
De initialenregeling lijdt slechts uitzondering in twee gevallen: indien de naam een essentieel bestanddeel van het bericht vormt zodat het zonder die naam niet vermeldenswaard meer is, en verder indien wegens algemene bekendheid van de betrokken persoon door zijn functie of anderszins het niet-vermelden van de naam bij de gemiddelde lezer verbazing zou wekken of zelfs als ridicuul zou worden ervaren.
Naar het oordeel van de Raad is geen van beide uitzonderingen hier aanwezig, zoals ook blijkt uit de wijze waarop betrokkene zelf het rechtbankverslag van deze zaak geheel volgens bovengenoemde regel heeft behandeld in zijn editie van 24 maart 1973.
Wat het publiceren van het portret betreft kan worden opgemerkt dat op dit punt het bovenvermelde beschermingsbeginsel niet of slechts ten dele wordt aanvaard. Het publiceren van tekeningen van de verdachte, gemaakt tijdens de terechtzitting, is geen uitzondering meer, wat nog wel gezegd kan worden van foto's, zonder of soms wel met toestemming van de rechterlijke macht in het gerechtsgebouw opgenomen. Overigens wordt vaak op foto's van de arrestatie of overbrenging van een verdachte diens gezicht onherkenbaar gemaakt. In al deze gevallen gaat het om afbeeldingen van het gerechtelijk apparaat in actie.
De Raad constateert derhalve een discrepantie in de journalistieke bescherming van de verdachte c.q. veroordeelde op het gebied van het initialengebruik enerzijds en het publiceren van afbeeldingen anderzijds. In casu echter is een gewone portretfoto, waarvoor de verdachte kennelijk vroeger en dus in ander verband heeft geposeerd, gebruikt in het kader van een bericht over criminaliteit, waarmee het portret niet onlosmakelijk verbonden is. De Raad is van oordeel dat genoemde discrepantie niet zo ver kan gaan dat zij ook portretten als het onderhavige, gemaakt buiten enige justitiële actie, mede omvat.

BESLISSING

De Raad oordeelt het gebruik van de volledige namen van vader en zoon in het bericht over de arrestatie van de tweede door de eerste maatschappelijk onaanvaardbaar, gelet op de in ruime kringen levende opvattingen omtrent het gebruik van initialen en op de journalistieke verantwoordelijkheid ten aanzien van het belang dat beide personen hebben bij de bescherming van hun persoon.
Hetzelfde oordeel geldt het publiceren van de foto, die een identificatie oplevert, geheel losstaand van de gerechtelijke actie, en daarmee zonder journalistieke noodzaak is toegevoegd.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 16 mei 1973 door mr A. Stempels, plaatsvervangend voorzitter, mevrouw H. van der Horst-de Both, mr F. Kuitenbrouwer, O. Postma, ing., en drs L. F. Tijmstra, leden, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 14.