1973/13 ongegrond

De Vriezenhof contra Haagsche Courant

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake ds H. J. ten Brink tegen H. C. Haak.

Ds H. J. ten Brink te Vriezenveen, hierna te noemen klager heeft zich bij een brief van 8 december 1972 tot de Raad ge wend met een klacht tegen de heer H. C. Haak, redacteur van de Haagsche Courant, hierna te noemen betrokkene.

KLACHT

Als geestelijk verzorger, verbonden aan het Bejaardentehuis de Vriezenhof te Vriezenveen en mede namens de Bejaarden commissie en het bestuur van dit tehuis, stelt klager, zakelijk samengevat, het volgende.

In de Haagsche Courant van 28 oktober 1972 is van de hand van betrokkene een artikel verschenen onder de koppen We kunnen niet meer op tegen dat gepest, Wie haalt ons uit de hel? betreffende een bejaard echtpaar, wonende in een der bejaardenwoningen op het terrein van het tehuis, welk echtpaar in een advertentie zijn postzegelverzameling gratis had aangeboden aan een ieder die hen zou kunnen helpen aan een bejaardenwoning in hun vroegere woonplaats Den Haag.
Volgens klager is in dit stuk ongecontroleerd een aantal door het echtpaar aan betrokkene meegedeelde gegevens gepubliceerd, die een reeks onwaarheden bevatten die grievend zijn voor klager en zijn medestanders, evenals voor de directrice van het tehuis. Betrokkene heeft zich niet laten informeren door anderen dan het echtpaar zelf- had hij dit wel gedaan, dan zou hij begrepen hebben dat hij zijn verhaal voor een zeer groot deel ging bouwen op ongemotiveerde aantijgingen.
Klager en de zijnen voelen zich nog te meer gegriefd omdat een brief die zij op 30 oktober ter plaatsing hadden ingezonden om te protesteren tegen deze wijze van nieuwsgaring, in de Haagsche Courant van 3 november 1972 zeer gekortwiekt is opgenomen.
Klager meent dat - hoewel de reportage van vakmanschap getuigt - betrokkene de eerste eisen van fatsoenlijke journalistiek met voeten heeft getreden.

VOORLOPIG ONDERZOEK

Het artikel dat, met twee foto's ruim een halve pagina beslaat bestaat grotendeels uit de weergave in citaatvorm of op andere wijze van de uitlatingen van het bejaarde echtpaar, dat zeven jaar geleden Den Haag verliet om zich te vestigen in een de tot het tehuis behorende woningen in Vriezenveen, doch daar niet kon aarden en na jarenlange vergeefse pogingen om terug te keren naar Den Haag ten einde raad per advertentie zijn postzegelverzameling ter waarde van f 18.500 aanbiedt aan wie hun woonruimte kan verschaffen in Den Haag. Naast kritiek op de Vriezeveners in het algemeen ('Om te beginnen versta ik ze niet, maar dat is nog niet het ergste. Waar wij niet tegenop kunnen is dat ze je laten voelen dat je een buitenstaander bent en moet blijven. Ze accepteren je niet.') staan opmerkingen over de naaste omgeving ('Al na een paar dagen merkten de heer en mevrouw X (naam echtpaar) dat de Vriezeveners hen negeerden.... Maar wat de X-en ook probeerden om bij de buren in de smaak te vallen, het pakte averechts uit. M'n vrouw ging naar de buren aan de overkant om een praatje te maken. De enige reactie die ze kreeg was een snauw: 'Je moet hier maar niet meer komen, we verstaan je toch niet'.') en over de directrice ('Inmiddels was ook de directrice van Vriezenhof bij de X-en op de thee geweest. Een tegenbezoek is er nooit van gekomen, want het mens wond er ook geen doekjes om: 'Wij van de Vriezenhof hebben niks met jullie te maken'.').

Uit de zeven alinea's van de door klager en een lid van de Bejaardencommissie ingezonden brief zijn er twee gepubliceerd gevolgd door twee ingezonden stukken van onbekenden met kritiek op de houding van het echtpaar X. Daaronder volgt een redactioneel commentaar dat begint met de alinea: 'Wie er nu eigenlijk ongelijk heeft, het echtpaar X of de Vriezeveners doet er o.i. niet zoveel toe. Waarom zouden er in Vriezenveen geen aardige mensen wonen? Belangrijker is dat het verhaal over de familie X bewijst dat bejaarde mensen de plek waar zij hun levensavond willen slijten zeer zorgvuldig dienen uit te kiezen.'.

Uit de door klager ingezonden brief is o.m. weggelaten:

'Alleen jammer, dat uw afgezanten zich uitsluitend verlaten hebben op de mededelingen van het betrokken echtpaar. Want 'alle' andere Vriezenveners, vooral buren en directie en bestuur zouden uw vertegenwoordigers meer naar waarheid hebben kunnen inlichten.... Goede journalistiek vereist toch deze zorgvuldigheid en gaat op informatie uit, alvorens tot publikatie besloten wordt?'

VERWEER

Het verweer van betrokkene kan als volgt worden samengevat. Het artikel had een tweeledig sociaal doel: te proberen twee doodongelukkige mensen toch nog een gelukkige levensavond te bezorgen, en bejaarden die overwegen zich elders te vestigen te waarschuwen: oude bomen laten zich moeilijk verplanten. Betrokkene betreurt het ten zeerste dat zijn goede bedoelingen verkeerd zijn overgekomen. Uit andere reacties concludeert betrokkene dat zijn goede trouw en bedoelingen bij de gemiddelde lezer wel juist zijn geĆÆnterpreteerd. Met name uit maatschappelijk werk-kringen ontving hij reacties waaruit bleek dat de tragiek van het echtpaar representatief geacht kan worden voor zeer veel andere bejaarden die zich eveneens op (te) hoge leeftijd elders vestigen. Voorts is hij van mening dat uit de badinerende toon waarin het gewraakte verhaal is geschreven, in ruim voldoende mate blijkt dat men de uitlatingen van de heer X over personen en zaken in Vriezenveen met wat korreltjes zout zou kunnen nemen. Wat een 78-jarige man 'van onder z'n peper en zout snor moppert' (citaat uit het stuk) kan betrokkene niet zien als een serieuze aanval op wie of wat dan ook.
Betreffende het inkorten van het ingezonden stuk wijst betrokkene erop dat men dit niet los moet zien van de twee andere en het toegevoegde redactionele commentaar.

ZITTING

Nadat de voorzitter het voorlopig onderzoek had gesloten en de zaak naar de Raad had verwezen, heeft deze de zaak behandeld ter zitting van 16 mei 1973, waar beide partijen verschenen zijn.
Klager zegt nooit de bedoelingen en de goede trouw van betrokkene in twijfel te hebben getrokken. Ook hij is ervan overtuigd dat het echtpaar X geholpen moest worden; hij heeft daar zelf ook veel moeite voor gedaan. Maar hij heeft grote bezwaren tegen de wijze waarop betrokkene het heeft gedaan, nl. door de aantijgingen van het echtpaar tegen hun omgeving onweersproken en zonder verificatie te publiceren. Weliswaar heeft de publikatie het beoogde gevolg gehad: het echtpaar kreeg een woning aangeboden in een der randgemeenten van Den Haag en is inmiddels daarheen verhuisd. Dat is echter bereikt ten koste van de goede naam van het tehuis en zijn bestuur en bewoners, terwijl het voor betrokkene een kleine moeite zou zijn geweest, de (on)juistheid of verdraaidheid van tal van mededelingen van X bij anderen te verifiƫren, hetgeen hij niet gedaan heeft. Het zou wellicht nog niet tot een klacht gekomen zijn indien het ingezonden stuk in zijn geheel ware opgenomen, doch daaruit werd juist de kern weggelaten.
Betrokkene zegt met zijn stuk de bedoeling te hebben gehad metterdaad te helpen en dat kon alleen door het echtpaar aan een andere woning te helpen. Daartoe heeft hij moeten laten uitkomen dat de heer X in grote psychische nood verkeerde en dat kon slechts door hem zelf te laten praten, waardoor ook zijn eigen fouten duidelijk werden. Door de hele stijl is aangegeven om wat voor mensen het ging; met relativerende bijzinnen is aangeduid dat het er niet zozeer toe doet of wat X zei wel allemaal juist was. Voor de strekking die hij aan zijn stuk had gegeven: oude mensen moeten niet overgeplant worden, was dat ook niet van belang. Klager zou zijn eis van hoor en wederhoor terecht hebben gesteld als het was gegaan om een reportage over bejaardentehuizen in het algemeen.
Betrokkene heeft getracht zowel in de slotzin van zijn artikel als in het redactionele commentaar onder de ingezonden brieven te laten uitkomen dat het niet zozeer ging om de Vriezeveners maar om het verschil in geaardheid. Desgevraagd zegt betrokkene dat het inderdaad mogelijk zou zijn geweest, de relativering van de uitlatingen van X wat sterker aan te zetten, maar hij meende dit in de sfeer en de stijl van het stuk reeds voldoende te hebben gedaan.
De vraag waar het in casu om gaat is of voor het bereiken van een aanvaardbaar doel (het helpen van het echtpaar X) een aanvaardbaar middel is gebruikt. Als middel heeft betrokkene gekozen voor een zeer rechtstreekse weergave - meer dan de helft is in de directe rede gesteld - van het verhaal van de heer X dat, op slechts enkele opmerkingen in relativerende zin van betrokkene na, geheel voor verantwoordelijkheid van diens informant X wordt gelaten. Dit is ongetwijfeld een van de meest effectieve methoden om de in het verhaal vervatte noodkreet over te brengen op de lezer. Elke inhoudelijke relativering - b.v. door naast de uitlatingen van de heer X over bepaalde voorvallen of situaties informatie daarover uit andere bron te stellen zou dit effect verminderd hebben.
Aan de andere kant echter zal de door betrokkene via stijl en sfeer in zijn artikel aangebrachte relativering niet voor alle lezers als zodanig ten volle herkenbaar zijn. Daarmee heeft hij naar het oordeel van de Raad te weinig rekening gehouden, of te laat, nl. door pas in zijn commentaar onder de ingezonden brieven duidelijk afstand te nemen van de uitlatingen van het echtpaar.
Hierdoor werd het mogelijk dat op het tehuis een blaam werd geworpen die door een te sterke inkorting van de van daaruit ingezonden brief onvoldoende werd weggenomen.

BESLISSING

Ofschoon het wenselijk ware geweest dat betrokkene met uit andere bron ingewonnen informatie zijn stuk wat sterker had gerelativeerd omdat hij zich had dienen te realiseren welke gevolgen de publikatie zou kunnen hebben voor de door zijn enige informant genoemde personen, en hoewel het te betreuren is dat betrokkene deze laatsten in hun protest heeft besnoeid, kan niet gezegd worden mede gezien het met de publikatie nagestreefde en ook bereikte resultaat, dat betrokkene, gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk onaanvaardbaar heeft gehandeld.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 16 mei 1973 door mr A. Stempel, plaatsvervangend voorzitter, mevrouw H. van der Horst-de Both, mr F. Kuitenbrouwer, O. Postma, ing., en drs L. F. Tijmstra, leden, in aanwezigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 13.