1973/11 ongegrond

Bureau Krekel contra Textiel-visie

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake ir Krekel tegen Textiel-visie.

Ir N. R. A. Krekel, vennoot van het management consultants bureau Krekel-Van der Woerd-Wouterse BV te Rotterdam, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 30 augustus 1972 tot de Raad gewend met een klacht tegen de redactie van Textiel-visie, uitgegeven door De Gelderlander-Vakpers te Nijmegen, hierna te noemen betrokkene.

KLACHT

Klager stelt, kort samengevat, het volgende.

In opdracht van de Beleidscommissie van het Produktiviteitscentrum voor de Confectie-industrie heeft klagers bureau een Perspectief-Onderzoek voor de Nederlandse confectie-industrie uitgevoerd. Hierover waren eerder een tiental deelrapporten verschenen. Het slotrapport, De Nederlandse Kleding-industrie in perspectief, verscheen op 7 juli 1972. Het werd op 6 juli met een begeleidende brief door het bestuur van het Produktiviteitscentrum toegezonden aan de minister van economische zaken; op diezelfde dag werd 's middags een bericht over het rapport en de aanbieding aan het ANP verstrekt en aan een aantal individuele verslaggevers, die bij de publikatie van de voorgaande rapporten blijk hadden gegeven van belangstelling, een mondelinge toelichting gegeven in het Produktiviteitscentrum te Amsterdam. Op 7 juli werd het rapport door de Beleidscommissie vergezeld van een uitvoerige brief toegezonden aan dag- en weekbladpers en aan een aantal vakbladen op het gebied van de confectie-industrie.
In het nummer van 14 juli 1972 van Textiel-visie publiceerde betrokkene - naast een samenvatting van het rapport - een commentaar onder de kop Dilettantistisch, waarin o.m. het volgende staat:
'Minder ideaal was de praktische presentatie van het conclusierapport door Krekel van der Woerd Wouterse aan het nederlandse publiek, en dan met name aan dat deel ervan, dat indirect - wel het meeste belang heeft bij het rapport: de textielhandel.
Voor de door de K. v. d. W. W. georganiseerde persconferentie, waar het rapport aan de publiciteitsmedia werd aangeboden, was een aantal van de landelijke dagbladen uitgenodigd.
Enkele concerns van regionale dagbladen met een veelvoudige oplage van die der wel geïnviteerd bladen, alsmede vrijwel alle gespecialiseerde textielvakbladen werden genegeerd. Een onvergeeflijke misser voor een bureau"lat pretendeert de industrie van advies te kunnen dienen, dachten wij. Bovendien: waar haalt men de euvele moed vandaan een dergelijke uit publiciteitsoogpunt, dilettantistische selectie toe te passen en daarmee een discriminerend onderscheid te maken bij de publikatie van de resultaten van een onderzoek, dat voor een niet onaanzienlijk deel door overheids- (en dus gemeenschaps-) gelden werd mogelijk gemaakt!
Klager stelt dat hij, op 7 juli opgebeld door betrokkene, hem de werkelijke gang van zaken heeft geschetst en toegelicht en dat betrokkene desondanks daarna deze opzettelijk onjuist heeft weergegeven in zijn commentaar.
Van belangstelling van betrokkene was klager niets bekend; daarom heeft hij deze niet uitgenodigd voor het toelichtend gesprek op 6 juli. Hij acht de aankondiging dat op een bepaalde datum een publikatie zal plaats vinden en het houden van een toelichtend gesprek over die publikatie op die datum met alle personen van wie men uit eerdere reacties weet dat zij geïnteresseerd zijn, geen incorrect handelen tegenover derden.
Klager acht zich beledigd door de titel van het stuk en door de zinsneden vanaf 'Een onvergeeflijke misser'. Hij heeft nog getracht - op 31 juli in een brief en op 23 augustus telefonisch tot een onderhoud te komen met betrokkene over deze zaak maar deze heeft daar afwijzend op gereageerd.
Klager legt de Raad de vraag voor of het gedrag van de betrokken redactie in overeenstemming is met wat gebruikelijk is te achten, zulks in verband met de vraag of het publiciteitsbeleid van zijn bureau, dat tot dusver flexibel was, verstrakt zal moeten worden.

VOORLOPIG ONDERZOEK

In zijn verweerschrift stelt de heer W. H. Kruiderink, algemeen hoofdredacteur van De Gelderlander-Vakpers, voor betrokkene o.m. dat hem alle tien voorafgaande rapporten zijn toegezonden, naar hij meent door klager via de Beleidscommissie. Naar aanleiding van deze rapporten heeft Textiel-visie in de maanden maart tot en met juni een zestiental artikelen gepubliceerd, waarvan bewijsexemplaren zijn gezonden aan de Beleidscommissie. Betrokkene meende dus te mogen aannemen dat de verzender op de hoogte was van deze publikaties. De gebruikelijke toezending van het slotrapport bleef evenwel achterwege. In plaats daarvan werd via het ANP een bericht gelanceerd dat de redactie van Textiel-visie niet tijdig bereikte. Ook van de 'persconferentie' bereikte hem geen mededeling.
De verantwoordelijkheid van klagers bureau voor deze gang van zaken blijkt volgens betrokkene duidelijk uit de laatste zin van het persbericht ('Nadere inlichtingen bij het Produktiviteitscentrum, de heer J. Harmsen, en bij Krekel-van der Woerd Wouterse BV, ir N. R. A. Krekel') en uit het feit dat dit bureau geklaagd heeft.
Bij de uitnodigingen voor het gesprek op 6 juli is een subjectieve maatstaf aangelegd en geen objectieve; voor de gemaakte keuze van personen stelt klager zich blijkens zijn klaagschrift verantwoordelijk. De gebruikelijke gang van zaken zou zijn geweest een behoorlijk van tevoren aangekondigde persconferentie uit te schrijven, het rapport onder embargo toe te zenden aan de persmedia die geacht konden worden interesse te hebben in het wel en wee van de nederlandse confectie-industrie, waaronder uiteraard ook Textiel-visie, en een datum vast te leggen waarop het rapport vrij voor publikatie en commentaar zou zijn. Betrokkene komt tot de conclusie - welke ook in het betwiste stuk tot uiting is gebracht - dat hier sprake is van een onjuist publiciteitsbeleid en van een dilettantische aanpak bij de selectie van de uit te nodigen persvertegenwoordigers.
Van opzettelijk onjuiste berichtgeving is volgens betrokkene geen sprake, wel van het uiten van een hard en voor het bureau niet prettig oordeel, dat zich echter tevens richtte tegen de organisaties vertegenwoordigd in het Produktiviteitscentrum.
Nadat partijen nog hadden gere- en gedupliceerd, heeft de voorzitter het voorlopig onderzoek gesloten en de zaak naar de Raad verwezen.

ZITTING

De Raad heeft de zaak behandeld ter zitting van 2 mei 1973, waar zijn verschenen jhr mr J. M. de Jonge als gemachtigde van klager, en de heren W. H. Kruiderink en C. D. van Heesch, algemeen resp. adjunct-algemeen hoofdredacteur van De Gelderlander-Vakpers, voor de redactie van Textielvisie.
Klager stelt ter toelichting van zijn klacht, dat betrokkene naar zijn mening onvoldoende zorgvuldigheid in berichtgeving en opiniëring heeft betracht. Voorts voelt hij zich vooral door de kwalificatie 'dilettantistisch' beledigd temeer daar hij op 7 juli (dus voordat betrokkene het betwiste stuk publiceerde) een telefonische uiteenzetting van de gang van zaken aan betrokkene had gegeven en op 31 juli een poging had gedaan om de kwestie uit te praten, hetgeen geweigerd werd. Klager meent verder dat het oordeel van betrokkene zich tegen de verkeerde richt: ook anderen waren verantwoordelijk.
Desgevraagd zegt klager dat zijn bureau meestal ook adviseert over het te volgen public relations-beleid, hoewel het niet over specialisten op dit gebied beschikt; het beleid wordt afgestemd op de opdrachtgever. In casu was dit een werkgeversvereniging; zulke organisaties plegen zelf hun beleid te kunnen bepalen.
Wel heeft klager geadviseerd over de verzending der deelrapporten. Hij heeft aan de Nevec een lijst toegezonden van mogelijk geïnteresseerden, waarop ook Textiel-visie voorkwam. Dit advies is opgevolgd: ook Textiel-visie heeft alle deelrapporten ontvangen.
De lijst was niet het resultaat van een stelselmatige inventarisatie van de vakbladen; het bureau was zelf slechts op enkele bladen geabonneerd. Ook gebeurde het dat individuele journalisten contact zochten, ook zij werden dan op de lijst geplaatst. Aldus kwam een informeel beleid tot stand. Betrokkene stelt dat bij de verschijning van het eindrapport een persconferentie had moeten worden gehouden; klager is van mening dat dat hier niet de aangewezen weg was. Het betrof immers geen hot news maar een rapport van feitelijke aard. Daarom is alleen een bijeenkomst gehouden in het Confectiecentrum, waarvoor behalve andere personen ook enige (vijf of zes) journalisten waren uitgenodigd, als reactie op de met hen ontstane informele contacten.
Enerzijds heeft klager alle journalisten uitgenodigd die zijn bureau van hun belangstelling hadden laten blijken, anderzijds er niemand bijgehaald die hem geen belangstelling had getoond. Hij ziet hierin geen selectie of zelfs discriminatie gelegen. Als hij de door betrokkene gepubliceerde artikelenreeks had gekend zou hij, enkele op die grond, betrokkene niet hebben uitgenodigd. Een uitnodiging hebben alleen die journalisten ontvangen die gevraagd hadden op de hoogte te worden gesteld van de verschijning van het eindrapport. Aan een reeks van dag- en weekbladen is het rapport op 7 juli met een begeleidende brief toegezonden.

Betrokkene zegt dat hij op 7 juli door een artikel in Het Financiële Dagblad op de hoogte kwam van de verschijning van het eindrapport. Hij heeft toen, om te weten te komen waarom hij niet was uitgenodigd, de Nevec opgebeld; deze verwees naar klager. Het antwoord van klager was voor betrokkene niet bevredigend daar hij door inzending van zijn artikelenreeks bij de Beleidscommissie wel degelijk van zijn belangstelling had laten blijken. Het rapport bereikte hem pas op 11 juli.
Naar betrokkenes mening had een rapport, dat als het onderhavige met overheidssubsidie tot stand was gekomen, aanspraak op een ruime publiciteit. Dat betekent naar de huidige opvattingen over openbaarheid toch zeker het houden van een geruime tijd tevoren op ruime schaal aangekondigde persconferentie. Klager zegt een maximale publiciteit beoogd te hebben. Nu hij het was die het publiciteitsbeleid in het kader van zijn advisering bepaalde - en ook de verantwoordelijkheid daarvoor blijkbaar aanvaardt - moet hij eveneens aanvaarden dat uitgesproken wordt dat dit beleid heeft gefaald. De kwalificatie 'dilettantistisch' is dan ook niet beledigend en zeker niet als zodanig bedoeld, maar houdt wel een hard oordeel in, geuit in het algemeen belang, met de betekenis van 'ondeskundig'.

OVERWEGINGEN

Het woord 'dilettantistisch' kan zowel in afkeurende zin als met een positieve gevoelswaarde gebruikt worden. In het betwiste stuk heeft het, gelezen in de context van de 'euvele moed' in het begin van de zin waarin het voorkomt en van hetgeen erop volgt, een duidelijk negatieve strekking, die echter naar het oordeel van de Raad niet beledigend is.
Hierbij dient de gang van zaken bij het in de openbaarheid brengen van het eindrapport van het Perspectief-onderzoek, zoals die uit de lezing van partijen naar voren komt, in aanmerking te worden genomen.
Daargelaten hoe de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen klager en diens opdrachtgever was, uit de omstandigheden zoals die zich aan betrokkene voordeden kon deze in redelijkheid de indruk krijgen dat zijn belangstelling voor het onderzoek en de resultaten daarvan te bestemder plaatse genoegzaam bekend was en kon hij ertoe komen zijn kritiek te richten op klager.
De Raad acht deze kritiek noch op beledigende wijze geuit noch onredeliJk, waarmee tevens de vraag die klager stelt aan het slot van zijn klaagschrift betreffende het meest wenselijke publiciteitsbeleid, beantwoord is.

BESLISSING

De Raad wijst de klacht af.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 2 mei 1973 door mr A. Stempels, plaatsvervangend voorzitter, H. ten Brink, drs. H. W. M. van Run. H. A. Uilenbroek en mr J. J. Waltheer, leden in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 11.