1973/1 gegrond

Stichting Bartimeus contra Panorama

Beslissing van de Raad voor Journalistiek inzake de Stichting Bartiméus tegen Panorama

De Stichting Bartiméus, Christelijk Instituut voor blinden en slechtzienden te Zeist, heeft bij een brief van 15 november 1971 een klacht ingediend tegen de heren G. J. Vermeulen te Overveen, hoofdredacteur van Panorama, en R. Boost te Landsmeer journalist, hierna te noemen betrokkenen, naar aanleiding van een door laatstgenoemde gesigneerd artikel, verschenen in Panorama van 31 juli-6 augustus 1971 op de bladzijden 16-21.

DE KLACHT

De klacht kan als volgt worden samengevat.
De redactie en de opmaak van het artikel zijn op vele plaatsen onnodig kwetsend en beledigend, in het bijzonder voor ds De Vries, de directeur van Bartiméus. Dat geldt ook voor ds De Vries, de directeur van Bartiméus. Dat geldt ook voor die woordkeus en de -tendentieuze voorstelling van zaken. Het artikel, met zijn uitgesproken tendens om de stichting, haar bestuur en haar directeur in een kwaad daglicht te stellen, heeft hen niet alleen schade in eer en goede naam aangedaan maar ook aanwijsbaar materiële schade meegebracht.
Het voor het artikel verzamelde feitenmateriaal is praktisch geheel afkomstig van drie met ongenoegen vertrokken employé's en/of hun achterban. Wederhoor heeft onvoldoende plaatsgehad, zodat niet gezegd kan worden dat een serieuze poging is gedaan om tot objectieve voorlichting te komen. Het is onverantwoord en ontoelaatbaar om zonder bewijs, laat staan behoorlijk onderzoek iemand te kwalificeren als een niets ontziende, onoprechte, leugenachtige diefstalplegende directeur ook als men die bewoordingen anderen in de mond legt of ten aanzien van het bestuur te stellen dat er maar wat aangerotzooid wordt.
Het resultaat van de gevolgde werkwijze is dat het artikel wemelt van onjuistheden, onwaarheden en halve waarheden. De motivering dat het algemeen belang zou eisen dat bestaande wantoestanden publiekelijk aan de kaak gesteld worden is alleen houdbaar als men zich er genoegzaam van overtuigd heeft dat er van wantoestanden sprake is. Dit is niet geschied.

HET VOORLOPIG ONDERZOEK

In hun gemeenschappelijk verweerschrift hebben de betrokkenen, zakelijk weergegeven, het volgende geantwoord.
'Wij zijn er gedurende de vele gesprekken, die wij hebben gevoerd, van overtuigd geraakt, dat er van wantoestanden sprake is. (...) Het was en is van belang dat er op het blindeninstituut regulerend wordt opgetreden, omdat anders de begeleiding van een groep kinderen onnodig in het gedrang komt, en daarmee de kinderen zelf de dupe kunnen worden.
De werkwijze is bijzonder zorgvuldig geweest. Gehoord zijn inderdaad drie mensen die door de houding van directeur en bestuur gedwongen ontslag hebben genomen. Om hun mogelijk wat gekleurd verhaal te verifiëren hebben daarnaast gesprekken plaatsgehad met minstens vier, op het moment van publikatie nog op Bartiméus werkende personeelsleden.
Ook de ouders van de op Bartiméus verblijvende kinderen zijn uitgebreid aan het woord geweest. Onder hen een lid van de oudercommissie; in totaal minstens vier ouders.
Tenslotte is van het totaal een rapport gemaakt, dat punt voor punt - in afzonderlijke gesprekken - is voorgelegd aan (...) ds De Vries en aan prof. mr I. A. Diepenhorst, de voorzitter van de stichting. (...)
Er is in ieder geval uitgebreid hoor en wederhoor toegepast.'

Tussen partijen zijn daarna nog brieven gewisseld, waarop hieronder zo nodig wordt teruggekomen.
Daarna heeft de voorzitter van de Raad het voorlopig onderzoek gesloten en de zaak naar de Raad verwezen.

DE BEHANDELING TER ZITTING

De zaak is behandeld ter zitting van 22 februari 1973, alwaar
zijn verschenen voor klaagster prof. mr I. A. Diepenhorst en ds De Vries, bijgestaan door jhr mr F. F. Hooft Graafland, advocaat te Utrecht, alsmede de beide betrokkenen.

BESCHOUWINGEN

De verantwoordelijkheid voor het artikel. De tekst van het artikel is opgesteld door de heer Boost; de koppen en de opmaak zijn verzorgd door de heer Vermeulen. Beiden hebben zij zich geheel achter de publikatie gesteld.

De aard van het artikel.

Het stuk heeft betrekking op spanningen binnen Bartiméus, die - van de kant van de klaagster is dit erkend - hebben geleid tot het vertrek van zuster Bakker in 1967, van de heer Mante in 1969 en, later, van de heer Heslinga. De heer Boost heeft daarnaar een onderzoek ingesteld, dat de betrokkenen heeft overtuigd van het gelijk van de opposanten van directie en bestuur. Zij waren overtuigd dat er bij Bartiméus van wantoestanden sprake was en zij wilden met dit artikel een kwalijke situatie signaleren en deze in het belang van de kinderen uit de doeken doen. Men wilde ook invloed uitoefenen. Het verweerschrift spreekt van het belang 'dat er op het blindeninstituut regulerend wordt opgetreden'. In dezelfde lijn sprak de heer Boost ter zitting van een actieplan waarin dit artikel paste; maar veel nieuwe ontwikkelingen zijn er niet uit voortgekomen; sommigen bekoelden en het is niet doorgegaan. Het was de betrokkenen dus niet te doen om objectieve informatie over de uiteenlopende standpunten rondom de spanningen bij Bartiméus; het ging niet om nieuwsgaring of -verspreiding, maar om een partijkeuze, om opinievorming en beïnvloeding, teneinde in een bestaande toestand verandering te brengen. Daarover laat het stuk en naar redactie en opmaak en naar woordkeus en voorstelling van zaken de lezer bepaald niet in het ongewisse. Reeds de kop geeft dat duidelijk aan: Schandaal op het blindeninstituut - een onthullende reportage over kwalijke toestanden waarvan blinde en slechtziende kinderen de dupe dreigen te worden. De plaats: Bartiméus te Zeist. De regent: directeur dominee De Vries. Wanneer gaat het mes erin?
Ook in de tekst komt tot uiting dat het te doen is om een schildering van de problemen vanuit de gezichtshoek der opposanten. Na twee alinea's inleiding volgt, kennelijk om de sfeer zoals die door de opposanten werd aangevoeld aan te geven, een citaat uit een pamflet van die kant, waarin de heer De Vries wordt genoemd 'een niets ontziende, onoprechte, leugenachtige, diefstal plegende directeur'. Vervolgens komen achtereenvolgens aan het woord zuster Bakker en de heer Mante.
Hier wordt 'een van de actievoerenden', de recreatieleider De Berg, sprekend ingevoerd. Hij blijkt ook een van de informanten over het vertrek van de heer Heslinga, dat daarna wordt behandeld. Het artikel eindigt met een citaat uit de mond van een verontruste vader; daarin komt de in het klaagschrift gesignaleerde zin voor: 'Ze hebben maar wat aangerotzooid'.
Kortom: uit het artikel blijkt duidelijk dat de auteur zich aan de kant van de opposanten opstelt. Dat is zijn goed recht, mits hij dat maar - gelijk hij gedaan heeft - duidelijk in zijn stuk laat blijken en niet de schijn wekt onpartijdige voorlichting te geven. In dat licht kunnen ook twee alinea's aan het eind die, onder het kopje Stommiteit, zijn gewijd aan de financiering van het nieuwbouwproject Doorn, in redelijkheid niet anders worden opgevat dan als de weergave van een eenzijdige kijk.
Gelet op dit karakter van het artikel dient de klacht dan ook, in zoverre als zij steunt op aan uitsluitend objectieve voorlichting en nieuwsgaring te stellen eisen, terzijde te worden gesteld. Bij publikaties over misstanden zullen vaak onvermijdelijk ook de eer en goede naam van bepaalde personen gemoeid raken. Het gaat, de betrekkelijk beperkte middelen die hun ten dienste staan in aanmerking genomen, te ver, in het algemeen te eisen dat journalisten slechts over misstanden zullen schrijven als 'inderdaad objectief genoegzaam vaststaat dat er misstanden zijn', gelijk bij pleidooi door de raadsman van klaagster is aangevoerd.
In het gegeven geval kan men niet zeggen, dat betrokkenen voor hun onderzoek onvoldoende gebruik van hun mogelijkheden hebben gemaakt en ook niet, dat zij niet redelijkerwijs tot de overtuiging hebben kunnen komen, dat er van misstanden sprake was.

Wederhoor.

Dat men aan de kant van klaagster in het artikel een uitgesproken tendens ervaart om de stichting, haar bestuur en haar directeur in een kwaad daglicht te stellen is niet verwonderlijk, maar biedt op zichzelf geen voldoende reden voor kritiek op de betrokkenen. Men mag partijdig schrijven om een bepaalde zaak te dienen, ook al brengt dat ongezouten kritiek op tegenstanders mede. En men mag de feiten weergeven zoals die door de medestanders worden gezien, zolang men maar niet de schijn wekt die feiten onpartijdig te presenteren.
Men mag, voorts, ook scherp negatieve beoordelingen van de tegenstanders citeren, als dat voor het schetsen van de heersende sfeer in de kring der opposanten nodig is.
Wel heeft de klaagster gelijk wanneer zij zegt, dat zij ten opzichte van het in het stuk verwerkte feitenmateriaal aanspraak op wederhoor heeft. Haar klacht dat zij daarbij is tekort gedaan houdt echter geen steek.
De heer Boost heeft afzonderlijk zowel met de heer De Vries als met de heer Diepenhorst een gesprek van enige uren gevoerd. De neerslag daarvan neemt - zij het vaak voorzien van negatief commentaar van de auteur, en op één punt van wat minder belang volgens de heer De Vries onjuist weergegeven alles bijelkaar ongeveer één van de ruim negen volle kolommen die het artikel bestrijkt in beslag.
Onjuist bleek ter zitting de bewering van betrokkenen dat vooraf een rapport van het door de heer Boost verrichte onderzoek aan de beide heren 'punt voor punt is voorgelegd'. Maar ook zonder dat kan wederhoor plaatsvinden.
De heer Boost heeft niet vooraf aan de heer Diepenhorst en mogelijk ook niet aan de heer De Vries laten weten, waartoe hij met hen wilde spreken; de heer Diepenhorst zegt hierover zelfs: Ik ben overvallen door de heer Boost. Dat brengt op zichzelf nog niet mede, dat er geen behoorlijke gelegenheid tot wederhoor is geboden. Men had immers, zodra men merkte waarover het ging, het gesprek kunnen afbreken teneinde zich voor te bereiden en voor de voortzetting van het gesprek op de kortst mogelijke termijn een afspraak kunnen maken. Van de journalist mag verwacht worden dat hij op zulk een voorstel, mits redelijk, ingaat.
Gelet op de aard van het artikel maakt de Raad de betrokkenen ook geen verwijt, dat zij niet zijn ingegaan op suggesties vanwege klaagster om nog andere personen te horen. Natuurlijk is het wel jammer dat een misverstand tussen de heren Boost en Diepenhorst blijkbaar ertoe heeft geleid dat één van de medewerkers van Bartiméus vruchteloos op de heer Boost heeft zitten wachten.

Onnodig kwetsend en beledigend? Betrokkenen hebben betwist, dat het artikel onnodig kwetsend en beledigend is. Zij geven toe dat er voor Bartiméus, haar bestuur en haar directeur heel onaangename dingen in staan.
Maar, zo zeggen zij, als het nodig is gaan wij het kwetsen niet altijd uit de weg, en in dit geval was dat nodig. Het ging erom, de gevoelssfeer waarin de mensen hun werk deden aan te geven. Dat geldt ook voor de koppen: het gaat erom, het publiek tot het lezen van het stuk te brengen, en dan past men een foefje toe: iets dat misschien voor sommigen vervelend of schokkend is in een kop te zetten. Wij wilden duidelijk iemand betichten, en dat leidt automatisch tot kwetsen. De heer Boost voegde daaraan toe: Ik heb beoogd met mijn artikel ook de moraliteit van de heer De Vries te veranderen, in de hoop dat dat zou bijdragen tot verandering van de onjuiste toestanden.
Aan de betrokkenen moet worden toegegeven, dat men het citeren van kwetsende uitingen van derden niet altijd achterwege behoeft te laten. In het stuk komen zulke citaten voor die, gelet op het partijdige en strijdbare karakter van het artikel niet op journalistiek en maatschappelijk onverantwoorde wijze zijn gebruikt. Maar op drie punten zijn de betrokkenen duidelijk te ver gegaan.

1) Bladzijde 19 wordt over de volle breedte gedekt door de kop: Er werden over De Vries dingen gezegd als: 'Is dat roze zwijn al aanwezig?'
De heer Vermeulen heeft ter zitting daaromtrent verklaard: 'Als het gaat om kinderen, dan gaat het om een noodsituatie dan moet je met luider stem roepen en wat je te zeggen hebt goed luid laten overkomen, het journalistieke belang woog bij de keuze van deze kop zwaarder dan het beledigingsaspect ten opzichte van de heer De Vries". De heer De Vries heeft ver-
klaard deze kop als zeer kwetsend te hebben ervaren, en dat laat zich horen. Het verweer van de heer Vermeulen is ontoereikend.
Het is onaannemelijk dat hem geen andere, niet kwetsende of beledigende bewoordingen ten dienste stonden om in de kop boven bladzijde 19 even dringend de aandacht van de lezers te vragen. Daarbij speelt ook een rol dat betrokkenes wetenschap, dat iemand zich ten opzichte van de heer De Vries zulk soort invectieven veroorloofde, nu juist voortsproot uit het wederhoor van de heer Diepenhorst, die op die bladzij aldus sprekend wordt ingevoerd: 'Mante had zelf ook zeer slechte dingen. Als hij niet zelf was vertrokken, was hij ongetwijfeld ontslagen. Hij deed de gekste dingen- hij sprak over De Vries als over: Is dat roze zwijn al aanwezig? Hij was gewoon onbehoorlijk".

2) Op diezelfde bladzijde staat het volgende: 'Iedere Zeistenaar weet dat (de beide zonen van de heer D Vries) het politiebureau van Zeist regelmatig van binnen zien. Vader zelf geeft dat ook toe. Het personeel van Bartje merkt bovendien dat vooral Pan in auto's dingen doet die bepaald geen propaganda zijn voor zijn vader - grootvader was bij de kinderpolitie - als pedagoog'. De heer De Vries heeft verklaard zich door deze passage ernstig gegriefd te voelen.
Desgevraagd heeft de heer Boost verklaard deze passage opzettelijk insinuerend te hebben gesteld. Het kwam verder ter zitting vast te staan dat het hier alléén ging om een paar snelheidsovertredingen met de brommer en - volgens de heer Boost - om een aanrijding met een paaltje, waarbij drankgebruik een rol zou hebben gespeeld, hetgeen door de heer De Vries wordt ontkend.
De betrokkenen - de heer Vermeulen heeft de passage vet laten zetten - hebben hier de grenzen van het noodzakelijke en betamelijke overschreden, nog daargelaten, dat in redelijkheid niet is in te zien dat vermelding van verkeerswangedrag van kinderen van de directeur zou bijdragen tot de zaak die betrokkenen hebben willen dienen.

3) Gelijk bij het onderzoek op de zitting is gebleken, beschikte de heer Boost over een uitlating in een rapport van de heer Mante over slaan van kinderen door de heer De Vries. De heer Boost heeft tijdens het wederhoor daarover een vraag gesteld aan de heer Diepenhorst, die daarop gezegd heeft dat daarvan geen sprake was. In zijn artikel heeft de heer Boost vervolgens niet de uitlating van de heer Mante opgenomen of vermeld maar wel - en dat is de enige plaats in het stuk waar slaan ter sprake komt - de verklaring van de heer Diepenhorst. Op bladzijde 19 staat te lezen: 'Ook de heer Diepenhorst schuift alle verantwoordelijkheid van zich af: 'Al die beschuldigingen. Dat slaan bijvoorbeeld. De Vries kan niet zozeer in aanraking komen met de kinderen, dat hij ze kan slaan. Hij is er zelf een tegenstander van''.
Deze werkwijze doet onprettig aan en het is begrijpelijk dat de heer De Vries door dit gedeelte van het artikel gegriefd is. Zonder dat beweerd of betoogd wordt dat er ook een aanwijzing van dat slaan is, geeft het artikel op deze manier voet aan de suggestie dat er ten opzichte van het slaan van kinderen toch wel het een en ander aan de hand is; waarom zou de heer Diepenhorst - dat hij slechts sprak in antwoord op een vraag van de heer Boost en niet naar aanleiding van geruchten blijkt ook niet - die kwestie aansnijden?
Betrokkenen hadden zich voor deze insinuerende werkwijze moeten hoeden.

BESLISSING

De klacht dat het artikel onnodig kwetsend en beledigend is treft doel voor wat de hiervoor onder 1, 2 en 3 genoemde punten betreft. Betrokkenen hebben hier niet gehandeld zoals, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 22 februari 1973 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mevr. mr Klaver, R. H. G. Schoonhoven, H. Uilenbroeken mr J. J. Waltheer, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1973, 1.