1972/6 gegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Froger en Von Schmid tegen de hoofdredacteur van Dagblad De Stem

De heren F. P. M. Froger en F. A. von Schmid te Breda, leden van de gemeenteraad van deze stad, hierna te noemen klagers, hebben zich bij een brief van 22 januari 1972, nader toegelicht bij een brief van 31 januari, tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de hoofdredacteur van het Dagblad De Stem te Breda, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze zaak behandeld ter zitting van 31 oktober 1972, waar zowel klagers als betrokkene, de heer L. Leijendekker, zijn verschenen.

KLACHT

Klagers stellen, zakelijk weergegeven, het volgende. Voor de raadsvergadering van 20 januari 1972 stond de instelling van een koopavond in Breda op de agenda. In De Stem waren tevoren enige inleidende stukken gepubliceerd waarin voor- en tegenstanders aan het woord gelaten werden zodat wel duidelijk was aangegeven op welke punten de discussie zich zou toespitsen.
Nadat de Raad had besloten tot het voorlopig uitstellen van een beslissing over de koopavond, publiceerde De Stem op 22 januari niet alleen een commentaar waarin de tegenstanders in de koopavond volgens klagers worden afgeschilderd als domme, angstige welvaartsbestrijders van de stad, die slechts groepsbelangen steunen, maar ook een raadsverslag, dat volslagen eenzijdig was omdat alleen speeches van voorstanders werden genoemd en geciteerd. Behalve met een opsomming van hun namen volstaat het verslag wat betreft de tegenstanders met deze woorden: 'De argumenten tegen een wekelijkse koopavond hebben wij de laatste weken enkele malen gepubliceerd. Tijdens de raadsvergadering werden geen nieuwe tegenargumenten gehoord.', waarna vervolgens citaten uit de redes van een viertal voorstanders worden gegeven.
In een stad als Breda waar maar één plaatselijk dagblad verschijnt dat daardoor praktisch in een monopolie-positie verkeert, is het voor raadsleden zonder meer schadelijk te noemen wanneer de lezers door een volkomen eenzijdig verslag, vergezeld van een partijdig commentaar, totaal in het duister tasten over de motieven die klagers en andere raadsleden ertoe hebben bewogen hun bepaalde standpunt in te nemen.
Dat klagers niet de enigen waren, die bezwaren hadden tegen het gepubliceerde raadsverslag, moge blijken uit een Open Brief, ondertekend door alle 20 raadsleden die hadden gestemd voor de motie tot uitstel van de beslissing over de koopavond, waarin zij op grond van hun standpunt dat de burgers er recht op hebben te weten hoe hun belangen behartigd worden, verantwoording afleggen over hun opstelling in de Raad. Deze brief werd integraal gepubliceerd in De Stem van 29 januari 1972.

VERWEER

In zijn verweerschrift stelt betrokkene o.m. het volgende. De discussie rond een proef met een koopavond is in De Stem - met volledige toepassing van hoor en wederhoor - behandeld in de bredase edities van 11, 14, 19, 20 en 21 januari.
De debatten in de raadsvergadering van 20 januari waren zo langdurig, dat in de editie van 21 januari (De Stem is een ochtendblad) volstaan moest worden met een laatste nieuws, waarin de uitslag is weergegeven van de stemming over de motie tegen de proef met een koopavond. De fracties van klagers zijn hierin genoemd onder de voorstemmers.
Aangezien het inmiddels een dag later was geworden, kreeg het raadsverslag in de krant van 22 januari meer het karakter van een nabeschouwing dan van een verslag van al het besprokene. Daarin zijn alleen de nieuwe gezichtspunten behandeld die in de raadsvergadering nog naar voren zijn gekomen. Het standpunt van de tegenstanders zoals klagers mocht na alle voorafgaande artikelen als algemeen bekend worden verondersteld; voor de goede orde is er nog naar verwezen. Het ook in de editie van 22 januari gepubliceerde commentaar is gescheiden
gehouden van de feitelijke berichtgeving, in een afzonderlijk artikel. Betrokkene meent overigens dat het toch beter zou zijn geweest als in het gewraakte raadsverslag nogmaals de argumentatie van alle betrokken partijen zou zijn vermeld, hoewel de zaak tevoren van alle kanten uitvoerig was belicht. Hij ontkent echter dat deze journalistiek-technische onvolkomenheid een valse indruk heeft gewekt ofwel klagers heeft gedupeerd. Betrokkene deelt het standpunt dat een dagblad, dat in een monopoliepositie verkeert, extra zorgvuldig dient te zijn bij zijn berichtgeving. Dat betekent voor hem dat bij zijn redactie te allen tijde de bereidheid bestaat een rectificatie te plaatsen dan wel alsnog- aandacht te besteden aan onderbelichte elementen in een nieuwsverhaal. Zo is niet alleen de Open Brief gepubliceerd doch op 25 januari is ook ingegaan op een brief van een ander tot de oppositie behorend raadslid. Hadden klagers zich op of na 22 januari tot de redactie gewend met het verzoek hun standpuntbepaling bij de stemming weer te geven dan zou betrokkene ondanks het feit dat daarover tevoren ai zo veel was geschreven, ongetwijfeld bereid zijn geweest te onderzoeken op welke wijze aan de wens tegemoet zou kunnen worden gekomen. Klagers hebben echter de redactie niet om een rectificatie gevraagd doch zich direct tot de Raad gewend.

ZITTING

Klagers zeggen dat hun klacht bedoeld is ter verkrijging van een uitspraak over de maatstaven die men mag aanleggen aan een raadsverslag, vooral waar het gaat om één plaatselijke krant in een gemeente. Zij menen dat het standpunt van alle partijen zo objectief mogelijk moeten worden weergegeven; in ieder geval moet worden aangegeven op welke motieven de raadsleden hun voor- of tegenstem hebben gegeven.
Desgevraagd zeggen zij het voldoende te achten, wanneer dit fractiegewijs wordt gedaan. Dat is in casu niet gebeurd, hetgeen heeft geleid tot de Open Brief die zij mede hebben ondertekend, die echter na hun klacht bij de Raad en zonder hun medeweten is opgesteld. Desgevraagd zijn zij van oordeel dat de raadsverslagen in De Stem over het algemeen een redelijke weergave bieden; het onderhavige geval was een misser, die hen deed vrezen voor het toekomstig verslagpeil.
Betrokkene zegt dat de stadseditie van De Stem een dekkingscijfer heeft van 87 procent, waardoor Breda in feite een 'one paper city' is. De redactie tracht zich voortdurend bewust te zijn van de verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit. Aan raadsverslagen is altijd veel aandacht besteed, totdat door splitsing e.d. het aantal raadsfracties is gestegen van 6 tot 10 of 11 nu. De debatten werden zeer langdurig en de kwaliteit ervan verbeterde niet. Voor de redactie verscherpt dit - in verband met de beschikbare tijd en ruimte - het selectieprobleem. Bij deze selectie, die zo objectief mogelijk dient te zijn, is er een spanningsveld tussen het politiek of historisch belang van wat gebeurd of gezegd is en het economisch gegeven van de beschikbare plaatsruimte. Het is onvermijdelijk dat raadsleden als klagers, die tot kleine fracties behoren, door het jaar heen genomen van dit spanningsveld iets meer ervaren dan raadsleden wier fracties grotere politieke invloed uitoefenen. Het blijft moeilijk iedereen tevreden te stellen. In het onderhavige geval werd de genoemde motie om 0.30 uur aangenomen, zodat slechts nog een kort laatste nieuws mogelijk was. De redacteur die voor de volgende editie een uitvoeriger verslag zou schrijven, vond het toen niet opportuun meer opnieuw alle standpunten weer te geven omdat er geen nieuwe gezichtspunten naar voren waren gekomen; hij heeft zich toen beperkt tot enige reacties op het gebeuren. Betrokkene, die het stuk niet tevoren gelezen had, acht dit journalistiek-technisch geen ideale oplossing, waarop intern dan ook kritiek is geleverd.

OVERWEGINGEN

Partijen blijken het erover eens te zijn dat zowel de argumenten vóór als die tegen de koopavond in De Stem uitvoerig zijn uiteengezet. Ook zijn zij beiden van mening dat de wijze waarop het raadsverslag is geredigeerd niet gelukkig is geweest; zij verschillen slechts van mening over de mate waarin dit het geval is geweest en over de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige verslaggeving.

De onderhavige klacht zou tot een meer fundamentele beslissing hebben kunnen leiden indien hier niet van een incidentele ontsporing, maar van een evidente en doelbewuste eenzijdige berichtgeving sprake was geweest. De klacht biedt dientengevolge onvoldoende grond dieper in te gaan op het belangrijke vraagstuk van de informatieve taak van het dagblad dat in zijn verspreidingsgebied een monopoliepositie inneemt.
De Raad beperkt zich er daarom toe hierover in het algemeen te zeggen dat een dergelijke positie de verantwoordelijkheid voor een zo objectief en veelzijdig mogelijke informatie, die normaal reeds van een dagbladredactie verwacht mag worden, nog verzwaart. Met name wat betreft de berichtgeving over het verhandelde in het kader van publiekrechtelijke lichamen van vertegenwoordigende aard valt hier en daar een tendens naar selectief optreden en grotere beknoptheid waar te nemen. Wellicht staat dit mede in verband met toeneming van de aangeboden stof en uitbreiding van de openbaarheid bij de voorbereiding van de te nemen beslissingen. Indien een dergelijke beperking al onvermijdelijk is, kan deze in elk geval niet worden aanvaard als een rechtvaardigheidsgrond voor eenzijdige berichtgeving.

BESLISSING

Met partijen is de Raad van oordeel dat het betwiste gemeenteraadsverslag niet heeft voldaan aan de eisen, die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 31 oktober 1972 door mr G. E. van Walsum, plv. voorzitter; dr E. Diemer, mr H. Dikkers mr A. Stempels en drs L. F. Tijmstra, leden; in tegenwoordigheid van mr K. Helder, secretaris.

RvdJ 1972, 6.