1972/5 gegrond

Huiseigenaren contra Regio Pers

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek. inzake mej. J. C Droppert tegen J. Hoek

Mejuffrouw J. C. Droppert te Vlaardingen, hierna te noemen klaagster, heeft zich bij een brief van S oktober 1971 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met de klacht tegen J. Hoek, journalist te Rotterdam, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze zaak behandeld ter zitting van 24 mei 1972, waar zowel klaagster als betrokkene zijn verschenen.

KLACHT

De zakelijke inhoud van de klacht is de volgende.

Op 17 augustus 1971 is in De Rotterdammer en de Rotterdamse edities van Het Vrije Volk en De Tijd een artikel verschenen over een gezin, dat door toedoen van klaagster als huiseigenaren in een door haar verhuurde woning reeds zeven weken van elektriciteit zou zijn verstoken.
Genoemde bladen hadden dit artikel verkregen van betrokkenes bureau Regio Pers. In de versie, gepubliceerd in De Rotterdammer, wordt klaagster met naam en functie genoemd. Zij acht het stuk op tal van punten in strijd met de waarheid, maar daartegen is haar klacht niet in de eerste plaats gericht. Het gaat klaagster vooral om betrokkenes handelswijze tegenover haar.

Betrokkene heeft haar op 16 augustus op straat in Rotterdam gevraagd om commentaar op mededelingen van het huurdersgezin over de afsluiting van de elektriciteit. Zij heeft dit geweigerd. Daarna is afgesproken dat zij enkele door betrokkene te stellen vragen zou beantwoorden om het hem door het gezin vertelde in overeenstemming te brengen met de waarheid. Klaagster heeft vooral met nadruk gesteld dat zij zelf niet met naam en toenaam in een krant wilde komen en dat de antwoorden die zij zou geven niet voor publikatie bestemd waren. Betrokkene nam deze voorwaarde aan. Na beantwoording der vragen heeft klaagster herhaald of betrokkene goed begrepen had dat zij op geen enkele wijze naam en toenaam gepubliceerd wilde hebben, noch hetgeen zij had verklaard, maar dat haar antwoorden uitsluitend zouden dienen om het verhaal van deze huurders tot de ware proporties terug te brengen. Na de publikatie van het artikel op 17 augustus, waarin bleek dat betrokkene zijn belofte niet gestand had gedaan door klaagster met naam en functie sprekend in het stuk in te voeren, heeft klaagster contact opgenomen met de redactie van De Rotterdammer - de krant waarop zij geabonneerd was - hetgeen leidde tot een gesprek op 16 september tussen haar enerzijds en een lid van de stadsredactie van De Rotterdammer en betrokkene anderzijds.
Klaagster bericht dat tijdens dit gesprek betrokkene het doen van de belofte erkende; hij had zich er echter in het belang van de nieuwsgeving niet aan gehouden. Met de vertegenwoordiger van De Rotterdammer werd afgesproken dat een door klaagster op te stellen versie van haar standpunt als ingezonden brief in het blad zou worden gepubliceerd. Deze brief, door klaagster op 29 september ingezonden, werd op 6 oktober vrijwel ongewijzigd en onverkort in De Rotterdammer opgenomen.
Daarmee heeft zij wat De Rotterdammer betreft genoegen genomen, hoewel het kwaad reeds was geschied en klaagster ten gevolge van de publikaties een aantal onaangename bejegeningen moest ondergaan. Zij acht het echter gewenst dat betrokkenes naar haar mening onfatsoenlijke manier van handelen aan het oordeel van de Raad wordt onderworpen.

VERWEER

Betrokkenes verweer luidt, zakelijk weergegeven, als volgt.
Klaagster heeft geenszins geweigerd commentaar te leveren op hetgeen hij van het gezin had vernomen. Wel heeft zij tijdens het gesprek met betrokkene gezegd dat zij bij publikatie niet met naam en toenaam genoemd wilde worden. Met geen woord is echter erover gerept dat haar antwoorden op de uitlatingen van het gezin niet gepubliceerd zouden mogen worden. Dan zou een gesprek met klaagster ook geen enkele zin hebben gehad omdat dan bij publikatie de goede gewoonte van hoor en wederhoor niet toegepast zou zijn. Betrokkene heeft inderdaad aan klaagster de toezegging gedaan dat haar naam en toenaam niet gepubliceerd zouden worden.
Nadat hij haar visie op deze affaire gehoord had en nadat hij weer naar het gezin was gegaan om de gezegdes van klaagster te controleren, heeft hij toch besloten deze toezegging ongedaan te maken, in. het belang van het gezin en omdat hij van mening was en is dat klaagster voldoende gelegenheid heeft gehad om commentaar te leveren op de uitlatingen van het gezin. Tot tweemaal toe heeft hij klaagster tijdens het gesprek op 16 september gevraagd of haar weerwoord in De Rotterdammer verkeerd is weergegeven. Tot tweemaal toe antwoordde zij dat dat niet het geval was. Dat zij dan met naam en toenaam genoemd wordt kan niet schadelijk zijn maar heeft ertoe bijgedragen dat het gezin sneller uit 'het duister' verlost zou worden. Tegen anonieme huiseigenaren is immers weinig te doen.
Betrokkene stelt dat het gezin veel ellende heeft ondervonden door de handelwijze van klaagster en nog veel grotere ellende zou hebben kunnen ondervinden als dit geval niet in de publiciteit was gebracht.
's Avonds je gezin met een kaarsje naar bed brengen omdat er geen elektriciteit is, is erg gevaarlijk, vooral in een brandbare buurt als het Oude Westen van Rotterdam.

ZITTING

Klaagster zegt dat de publikatie de vernieuwing van de afgekeurde installatie in geen enkel opzicht heeft bespoedigd; het gezin was van de afsluiting reeds geruime tijd op de hoogte doch wegens zijn langdurige afwezigheid en weigering om de sleutel ter beschikking te stellen moest de uitvoering wachten totdat het gezin haar van zijn terugkomst op de hoogte had gesteld. Dat het gezin daarmee heeft gewacht tot de publikatie is niet haar te verwijten.
Betrokkene heeft haar inderdaad gevraagd of haar standpunt al of niet juist was weergegeven in het artikel. Daarom ging het echter niet. Aanvankelijk had zij elk commentaar geweigerd, daarna heeft zij toegezegd, achtergrond-informatie te willen verstrekken om het verhaal van het gezin tot de juiste proporties te brengen, doch onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat haar uitlatingen niet zouden worden gepubliceerd evenmin als haar naam en functie. Betrokkene heeft dit toegezegd doch zijn belofte zonder enig nader contact met haar niet gehouden. Onder de onaangename reacties die klaagster ten gevolge van de publikatie heeft ondervonden, was o.a. een bedreiging met brandstichting .
Betrokkene erkent te hebben toegezegd dat hij klaagsters naam niet zou publiceren doch hij ontkent beloofd te hebben dat hij haar antwoorden op zijn vragen niet zou publiceren- het ging immers om de toepassing van het wederhoor en klaagster moet toch hebben begrepen dat hij haar uitlatingen zou gebruiken voor zijn artikel. Na een tweede bezoek aan het gezin om klaagsters visie te verifiëren heeft hij besloten, haar naam toch te publiceren, omdat tegen anonieme huiseigenaars zo weinig te doen is. Hij meende dat dit klaagster geen schade zou berokkenen, hij had immers hetgeen zij gezegd had juist weergegeven.
Desgevraagd zegt betrokkene, niet te hebben overwogen aan klaagster mee te delen dat hij zijn belofte niet gestand zou doen- hij vond dit gezien de situatie niet nodig. Hij kan niet beoordelen wat het effect zou zijn van het, overeenkomstig de toezegging, weglaten van de naam; het zou de zaak misschien geen schade hebben gedaan maar hij wilde bereiken dat het gezin weer zo spoedig mogelijk elektriciteit zou hebben. Wel had hij zich reeds voor het gesprek met klaagster gerealiseerd dat het wellicht toch nodig zou blijken te zijn haar naam te noemen- dat zou van het gesprek afhangen. Die noodzaak bleek hem pas na het tweede gesprek met het gezin.

OVERWEGINGEN

Het verschil van mening tussen klaagster en betrokkene over de strekking van de toezegging van niet-publiceren blijft bestaan. Partijen zijn het er slechts over eens dat betrokkene heeft beloofd klaagsters naam en functie niet te zullen publiceren. Niet komt vast te staan dat deze belofte ook klaagsters uitlatingen betrof.
Omtrent de publikatie van de naam wordt overwogen dat betrokkene, reeds voordat hij een gesprek had met klaagster, zich had gerealiseerd - zoals hij ter zitting erkent - dat hij het misschien nodig zou kunnen achten haar personalia te publiceren, omdat tegen anonieme huiseigenaars weinig te doen is. Niettemin geeft hij aan klaagster een belofte van niet-publiceren. Door deze toezegging heeft hij een vertrouwensrelatie met klaagster geschapen en daarmee haar aanvankelijke weigering om inlichtingen te geven, doorbroken. Daarna heeft hij de toezegging niet gestand gedaan.
Van een verrassende wending in de zaak die betrokkene ertoe genoopt zou kunnen hebben de anonimiteit te doorbreken in het belang van de zaak die hij met zijn publikatie meende te moeten dienen, is niets gebleken. En hoewel hij de mogelijkheid van zulk een doorbreking voorzien had heeft hij noch tijdens het gesprek met klaagster het nodig geacht een voorbehoud aan zijn belofte te verbinden, noch na het gesprek gemeend klaagster van zijn voornemen tot intrekking van de belofte op de hoogte te moeten stellen.

BESLISSING

Betrokkene heeft, door onaangekondigd en zonder aanvaardbare reden een toezegging tot het niet publiceren van de naam van iemand van wie hij op grond van die toezegging inlichtingen verkreeg niet na te komen, het in hem als journalist gestelde vertrouwen geschonden en daarmee schade toegebracht aan de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 24 mei 1972 door mr G. E. van Walsum, voorzitter, dr E. Diemer, mr H. Dikkers. mr A. Stempels en drs L. F. Tijmstra, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder als secretaris.

RvdJ 1972, 5.