1972/4 ongegrond

Scientologie contra VN

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake Stichting Scientology tegen J. Phaff.

De Stichting Scientology Leiden, hierna te noemen klager, heeft op 21 september 1971 bij de secretaris van de Raad een schriftelijke klacht ingezonden tegen de heer Johan Phaff te Amsterdam, redacteur van Vrij Nederland, hierna te noemen betrokkene.
Tijdens het voorlopig onderzoek, naar aanleiding van deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend, waarna door klager is gerepliceerd en door betrokkene gedupliceerd. Beide partijen hebben stukken overgelegd. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen. De zaak is behandeld ter zitting van 10 mei 1972. alwaar zijn verschenen voor klager C. G. M. de Rijk en Ch. Parselle alsmede de betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman mr. P. H. Bakker Schut, advocaat te Utrecht.

DE SCHRIFTELIJKE VOORBEREIDING EN DE ZITTING

De klacht is ingediend naar aanleiding van twee artikelen van betrokkene in Vrij Nederland, het eerste in het nummer van 13 juni 1970 onder de kop Scientology, de perverse padvinderij van de geest, vormt een bruggehoofd in Nederland, het tweede in het nummer van 28 november 1970 onder de kop Drs. Bert Sekreve: Als ik op mijn eigen slaapkamer het licht liet branden, kreeg ik een gulden boete.
Klager preciseert zijn klacht in een tiental punten:
1. De heer Phaff beweert, dat hij op verzoek van regeringszijde een vertrouwelijk rapport voorbereidt voor het Ministerie van Justitie, het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken, en dat hij dit doet in een officiële of semi-officiële kwaliteit.
2. De heer Phaff heeft beweerd, dat het Ministerie van Justitie een onderzoek heeft ingesteld en nog instelt naar personen die geïnteresseerd zijn in Scientology.
3. De heer Phaff heeft Scientology met vernietiging bedreigd. 4. Dossiers en documenten, in eigendom toebehorende aan Nederlandse Scientologen, zijn gestolen en werden later voor een deel gepubliceerd in Vrij Nederland op 28 november 1970, in een artikel geschreven door de heer Phaff.
5. Drs. E. J. Sekreve heeft verklaard, dat hij gechanteerd is door de heer J. Phaff en de heer F. Koster.
6. De heer F. Koster heeft verklaard, dat hij en de heer Phaff in dienst staan van of in contact met de BVD en dat de diefstal van de dossiers en documenten - zie punt 4 - geschiedde ten behoeve van de BVD.
7. De heer Johan Phaff stelde zich in november 1970 in verbinding met de directeur van de NV Slavenburgs Bank in Leiden mr H. Weiland, en vertelde hem dat naar de bestuursleden van de L. Ron Hubbard Stichting op dat ogenblik een onderzoek werd ingesteld door de BVD - een bewering die ernstige schade had kunnen toebrengen aan de Stichting en aan de personen die in de Stichting betrokken zijn.
8. Alle navraag en onderzoek, door ons gedaan - zie hiervoor de bijgesloten documentatie - om vast te stellen of de verklaring, dat onderzoeken die de Stichting raken, ingesteld worden door de BVD, het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid en het Ministerie van Justitie, op waarheid berust, wijzen er op, dat dit r.iet het geval is.
9. De heer Phaff bezocht een Scientology-gebouw in Engeland waarbij hij zich voordeed als 'de heer Brinkman, student in de theologie'.
10. Op geen van de tot Vrij Nederland en de heer Phaff gerichte klachten over of confrontatie met deze feiten ontvingen wij antwoord of bevestiging van ontvangst.
Betrokkene heeft in zijn verweerschrift de feiten waarop de klacht steunt deels ontkend, en voor het overige betwist dat hem van zijn gedrag een verwijt gemaakt kan worden.
Partijen hebben vervolgens ieder bij hun standpunt volhard.
Ter zitting heeft de klager punt 6 ingetrokken. Voor het overige hebben partijen hun stellingen gehandhaafd en nader toegelicht. De Raad komt op de schriftelijk en mondeling te berde gebrachte stellingen en argumenten voorzover nodig hieronder terug.

OVERWEGINGEN

Tussen partijen staat vast, dat betrokkene zich als journalist voor de zg. scientologie is gaan interesseren en dat hij er voorbereiding van zijn artikelen contacten heeft gelegd met mensen die
tot die beweging behoren of behoord hebben.
Die contacten hebben ook nadat betrokkene zijn artikelen had geschreven voortgeduurd. De punten van de klacht hebben betrekking op gedragingen van betrokkene in verband met die contacten.

Punt 1.
Klager verwijt betrokkene, dat hij het op 17 november 1970 tegenover R. Wrigley, toen voorzitter van de Stichting, heeft doen voorkomen, dat hij op verzoek van regeringszijde een vertrouwelijk rapport voorbereidde voor het Ministerie van Justitie het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken, en dat hij dit deed in officiële- of semi-officiële kwaliteit en ten bewijze daarvan legt klager over een verklaring van Wrigley van 19 januari 1971.
Betrokkene ontkent een en ander.
Klager voert daartegen aan, dat betrokkene contact heeft gehad met het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid over het opstellen van een rapport over de scientologie, en dat betrokkene ook met drs Sekreve, vroeger secretaris van de Stichting, over het opstellen van zo'n rapport gesproken heeft.
Klager beroept zich daartoe:
-op een schriftelijke verklaring, door N. W. Kjellerup op 21 april 1972 afgelegd, waarin onder andere voorkomt: In aanwezigheid van mevr. Kember en de heer Parselle, deelde drs. Sekreve me mede: a. dat de heer Phaff hem verteld had dat hij aan een rapport werkte voor het Ministerie van Justitie, waarvoor hij 4.000 gulden betaald zou krijgen en dat hij de medewerking van drs Sekreve aan dit project wenste.
-op een brief van 'dinsdagmorgen' (naar tussen partijen vaststaat: omstreeks augustus 1971) van betrokkene aan drs Sekreve, waarin hij o.m. schrijft: Wil dit rapport ooit klaarkomen dan zal ik enige maanden een drastisch schema moeten gaan aanhouden; -- op een brief van 16 maart 1971 van betrokkene aan een ambtenaar van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, waarin o.m. de volgende zinsneden: De hoeveelheid en de aard van het materiaal maken het mogelijk een rapport te maken, waarin de geschiedenis, de exacte werkwijze en de verbreiding van de Scientology uitgebreid en objectief worden beschreven. Nu is het niet zo dat ik er buitengewoon wild op ben om dat zelf te doen, maar dat lijkt mij toch het beste. (...) Een onontbeerlijke bron bij het vervaardigen van dit rapport is drs E. J. Sekreve (...) Tussen ons bestaat een uitstekend contact, en hij wil graag met mij samenwerken.
Naar het oordeel van de Raad is het door klager tegenover de ontkenning van betrokkene aangevoerde bewijsmateriaal onvoldoende. Tegen het ja van Wrigley staat het neen van betrokkene; uit het feit, dat betrokkene - gelijk hij ter zitting heeft toegegeven - in het voorjaar van 1971 naar aanleiding van zijn artikel van november 1970 met het Staatstoezicht in overleg was over een rapport waarover hij toen ook met Sekreve heeft gesproken, kan geen voldoende steun worden gevonden voor de bewering, dat hij op 17 november 1970, dus voor de publikatie in Vrij Nederland, tegenover Wrigley heeft voorgegeven dat hij een vertrouwelijk rapport voorbereidde.

Punt 2.
Betrokkene betwist niet tijdens zijn contacten te hebben gezegd, dat de Nederlandse justitie en politie belangstelling hadden voor de scientologie. Klager heeft ter zitting aangevoerd, dat zulk een mededeling het karakter van een bedreiging heeft. Inderdaad kan dat, afhankelijk van de omstandigheden, het geval zijn; maar van die omstandigheden is niets komen vast te staan, zodat het verwijt naar het oordeel van de Raad van de hand moet worden gewezen.

Punt 3.
Het verwijt dat betrokkene scientologen met vernietiging heeft bedreigd steunt blijkens de repliek van klager ('Deze beschuldiging blijft staande zoals oorspronkelijk door ons gesteld en met documenten gestaafd') op de bij de klacht overlegde brief van Wrigley van 19 januari 1971, waarin deze omtrent zijn contact met betrokkene op 17 november 1970 verklaart: Phaff further informed me that unless I resigned from Scientology and made a statement of my resignation to him I would be personally destroyed by an article he would publish the followinp week. He informed me that the article was already written but my resignation if presented to him within the next two days, could prevent it from being published.
Betrokkene ontkent dit te hebben gezegd. Ook hier staat het ja van Wrigley tegenover het nee van betrokkene. De verklaring van de heer Spies, waarop klager zich beroept, dat betrokkene hem zou hebben meegedeeld 'he would destroy scientology in Holland' kan niet dienen tot bewijs van de stelling, dat betrokkene gezegd heeft dat hij scientologen zou willen 'vernietigen'. Het feit, waarop klager steunt, is dus onbewezen.
Klager brengt onder dit punt nog ter sprake de verklaring van de heer Langendijk van 22 april 1972, omdat uit die brief zou blijken dat betrokkene bedreigingen aan het adres van Langendijk heeft geuit, waardoor deze voor zijn gemeentebetrekking moest vrezen, Dat blijkt echter uit die verklaring niet. Volgens die verklaring heeft betrokkene, in tegendeel, op verzoek van Langendijk diens naam in Vrij Nederland van juni 1970 niet genoemd. Dat Langendijk naar zijn zeggen moeilijkheden met zijn chef kreeg omdat deze uit dat artikel opmaakte, dat het Langendijk was die ten behoeve van de scientologie de dienstenveloppen van de gemeente had gebruikt, kan men betrokkene niet verwijten.

Punt 4.
Klager verwijt aan betrokkene, dat hij bij zijn publikaties gebruikt maakte van dossiers en documenten, die de heer Sekreve hem ten onrechte ter beschikking had gesteld.
In het algemeen kan men een journalist van het enkele feit, dat hij bij zijn publikaties onder het noemen van namen gebruik maakt van op onregelmatige wijze verkregen materiaal, geen verwijt maken. Of in zo'n geval verwijt past, hangt af van de bijzondere omstandigheden. Klager is in gebreke gebleven belastende omstandigheden aan te wijzen laat staan aannemelijk te maken.

Punt 5.
Betrokkene ontkent de heer Sekreve gechanteerd te hebben. Enig bewijs is door klager niet bijgebracht. Wel heeft Sekreve zich bij verschillende gelegenheden, mondeling en schriftelijk, in de zin als in de klacht vermeld uitgelaten, maar aan deze verklaringen ontvalt elke bewijs kracht in het licht van een tot de Raad gerichte brief van Sekreve van 16 oktober 1971, waarin deze schrijft: 'Ik verklaar door deze uitdrukkelijk niet door de heren Phaff en Koster gechanteerd te zijn of te worden, noch door één van hen. Mijn bereidheid deze verklaring op te stellen, moge hier voor zichzelf spreken.'
Ter zitting heeft klager aan dit punt nog het verwijt verbonden, dat deze de dossiers en documenten die hij van Sekreve ten gebruike had ontvangen te lang onder zich gehouden heeft en niet aanstonds aan Sekreve heeft teruggegeven, toen deze daarom vroeg bij de brief van 18 november 1971.
De betrokkene heeft daaromtrent verklaard, dat hij de stukken onder zich hield niet in zijn journalistieke werk - hij had zijn laatste artikel over het onderwerp toen immers in november 1970 gepubliceerd - maar in verband met het uit dat artikel voortgevloeide contact met het Staatstoezicht op de volksgezondheid en met die mogelijkheid dat hij voor die dienst een rapport zou opstellen over de scientologie. Hij had daartoe Sekreves medewerking nodig, maar Sekreve raakte steeds meer bevreesd en ging om teruggave van de stukken vragen, die betrokkene met Sekreves toestemming in verband met dat rapport onder zich had. Om het maken van dat rapport niet in gevaar te brengen heeft betrokkene, zo deelt hij mede, de teruggave getraineerd.
Dat het hier om het maken van een rapport ging en dat Sekreve ;at wist blijkt uit de brief van 3 maart 1971, die Sekreve schreef aan de Haagse officier van justitie - die hem om inlichtingen over de scientologie had gevraagd - luidende: Naar aanleiding v an Uw schrijven d.d. I maart 1.1. deel ik U mee inderdaad het onderwerp Scientology reeds gedurende 8 maanden in studie te hebben. Het laatste half jaar is dit geschied in zeer nauwe samenwerking met de heer Johan Phaff van Vrij Nederland. Deze studie zal over enige maanden geresulteerd zijn in een rapport dit onderwerp betreffende, dat ten dienste gesteld zal worden van zowel Justitie als Sociale Zaken en Volksgezondheid. Verreweg het meeste materiaal, waaronder literatuur, is verzameld ten huize van de heer Phaff. In verband met Uw verzoek om een gesprek, lijkt het dus aanbevelenswaardig dit gedrieën te houden, hoewel ik mij kan voorstellen. dat U wellicht eerst voornoemd rapport wil afwachten.
Naar het oordeel van de Raad past hem omtrent dit door klager voorgelegde punt slechts onthouding. hier is geen sprake van een journalistieke gedraging in de geest van artikel I van het Reglement van de Raad.

Punt 6. is ter zitting door klager ingetrokken.

Punt 7. Betrokkene heeft erkend met de heer Weiland te hebben getelefoneerd. Hij zegt te hebben willen verifiëren de mededeling van de heer Sekreve, dat de Stichting onder de naam Educational Fund een bankrekening had, dit gegeven heeft hij in zijn artikel van november 1970 verwerkt. Volgens betrokkene heeft hij Weiland verteld, dat de Leidse politie de Stichting in de gaten hield in verband met de, eveneens in dat artikel ver
werkte affaire van het minderjarige meisje. Over de BVD zou hij niet hebben gesproken.
Tegenover deze ontkenningen heeft klager van zijn stellingen geen bewijs bijgebracht. Afgaande op betrokkenes eigen voorstelling van zaken kan de Raad het met klager eens zijn, dat betrokkene ten aanzien van de volgens zijn zeggen aan Sekreve ontleende wetenschap over het geval van het minderjarige meisje met meer discretie had kunnen te werk gaan; maar het gaat te ver om hier te spreken van een ernstig vergrijp tegen de journalistieke spelregels.

Punt 8. Dit punt roert geen gedraging van betrokkene aan en dient dus terzijde te worden gesteld, behoudens voorzover het reeds bij andere punten ter sprake kwam.

Punt 9 Noch in de stukken noch ter zitting heeft klager aangegeven wanneer het bezoek van betrokkene heeft plaatsgehad. Betrokkene heeft er - door klager niet weersproken - op gewezen dat hij naar aanleiding van het bezoek niets heeft gepubliceerd. Onder die omstandigheden moet de Raad rekening houden met de mogelijkheid dat het bezoek plaatsvond na de publikatie in Vrij Nederland van november 1970 en dat hier geen sprake is van een journalistieke gedraging in de zin van het Reglement. Het punt moet dus terzijde worden gesteld.

Punt 10. Betrokkene geeft toe niet op brieven of bezwaren van klager te hebben gereageerd.
De Raad betreurt dit.

BESLISSING

Betrokkene had bij zijn contact met de heer Weiland met meer discretie tewerk kunnen gaan. Het is te betreuren dat hij niet gereageerd heeft op brieven en bezwaren van de kant van klager. Voor wat de andere punten aangaat wordt de klacht terzijde gesteld.
De Raad is niet van oordeel dat het verwijt dat, betrokkene gemaakt kan worden zo ernstig is, dat gezegd kan worden dat zijn gedragingen schadelijk zijn geweest voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

De Raad besluit deze beslissing ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van 10 mei 1972 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mr H. Dikkers, drs J. M. M. van der Pluijm, prof. dr G. C. van Niftrik en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder als secretaris.

RvdJ 1972, 4.