1972/3 ongegrond

NVJ contra Trouw/Kwartet

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek op het verzoek van de NVJ inzake de Commissie van hoofdredactie van Trouw/ Kwartet.

Het Bestuur van de Nederlandse Vereniging van Journalisten, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen het Bestuur heeft bij de Raad voor de Journalistiek een verzoekschrift d.d. 13 januari 1972 ingediend, waarin het oordeel van de Raad wordt gevraagd over een beslissing van de toenmalige Commissie van hoofdredactie van Trouw-Kwartet te Amsterdam, hierna te noemen de Commissie.
Tijdens het voorlopig onderzoek heeft de Commissie een verweerschrift ingediend, waarna door het Bestuur is gerepliceerd en door de Commissie is gedupliceerd. Daarna heeft de Raad de zaak verwezen naar de zitting; de zaak is behandeld ter zitting van 10 mei 1972 waar namens het Bestuur zijn verschenen de heren M. M. de Bok, tweede vice-voorzitter van het Bestuur en mr G. A. I. Schuijt, secretaris, en namens de Commissie de heren J. de Berg en G. J. Brinkman.

HET VERZOEKSCHRIFT

Het verzoekschrift houdt, zakelijk weergegeven, het navolgende in:

Sedert februari 1971 zijn de redacties van het protestantse (landelijke) ochtendblad Trouw en de eveneens protestantse (regionale) avondbladen van het z.g. Rotterdammer Kwartet (De Rotterdammer, Dordts Dagblad, Nieuwe Haagse Courant, Nieuwe Leidse Courant) grotendeels geïntegreerd. Er is één hoofdredactie, een commissie van vier, onder voorzitterschap van de heer J. de Berg en voorts bestaande uit de heren G. J. Brinkman, H. P. Ester en J. van Hofwegen. In november 1971 werd door de directie van de NV De Christelijke Pers aangekondigd dat de integratie verder zou worden doorgevoerd in die zin dat er één protestants-christelijk ochtendblad met regionale edities in Zuid-Holland zal verschijnen.
Deze ontwikkeling wordt door een 'Comité tot behoud van de christelijke pers' onder leiding van het Tweede Kamerlid voor de Anti-Revolutionaire Fartij de heer M. W. Schakel met zorg tegemoet gezien. Het comité vreest dat in het geïntegreerde ochtendblad de redactionele identiteit van de Kwartetbladen niet voldoende tot haar recht zal komen en dat de lezers van de Kwartetbladen er hun oude krant niet in zullen herkennen. Het comité overweegt in Zuid-Holland een nieuwe krant op te richten met de journalistieke formule van de Kwartetbladen. Op 9 december 1971 verscheen op het telexnet van het Algemeen Nederlandse Persbureau, waarop ook de Kwartetredactie is aangesloten, het volgende bericht:

NIEUWE Christelijke KRANT IN NEDERLAND?

Het is niet onmogelijk dat er in Nederland een nieuwe christelijke krant gaat verschijnen met de journalistieke formule van de Kwartetbladen, die met het landelijk ochtendblad Trouw worden samengevoegd. Het comité tot behoud van de christelijke pers in Nederland oriënteert zich op mogelijkheden tot de uitgifte van een dergelijke krant.
De samenvoeging van de Kwartetbladen, De Rotterdammer, de Nieuwe Haagse Courant, de Nieuwe Leidse Courant en het Dordts Dagblad, is voor het actiecomité onverteerbaar omdat de journalistieke formules van Trouw en het Kwartet zeer ver uit elkaar liggen, aldus de voorzitter van het actiecomité, de burgemeester van Noordeloos M. W. Schakel, tevens Tweede-Kamerlid voor de Anti-Revolutionaire Partij.
Volgens de heer Schakel is het actiecomité al in onderhandeling over de uitgifte van een krant met hot karakter van de Kwartetbladen. Financieel is de zaak 'in onderzoek' evenals alle andere aspecten.
Met wie het comité in onderhandeling is wil de heer Schakel vooralsnog niet prijsgeven.

Op 10 december 1972 ontving de redactie van Het Kwartet de volgende aanwijzing van de hoofdredactie:

Bericht van hoofdredactie (commissie van vier)

Er mag op geen enkele wijze publiciteit worden gegeven aan het ANP bericht van gisteravond waarin de heer Schakel de mogelijkheid openlaat tot de stichting van een nieuwe christelijke krant. Ook eigen berichtgeving hierover - en alle andere zaken. die verband houden met de samenvoeging van Kwartet en Trouw - is niet toegestaan.
Hoofdredactie J. de Berg

Bij brief van 4 januari 1972 deelde de hoofdredactie aan het dagelijks bestuur van de NVJ mee dat het hier betrof 'een (door een redacteur wat 'vrij vertaalde') interne telefonisch doorgegeven hoofdredactionele aanwijzing'.
Op 22 december 1971 verscheen in de Kwartetbladen een bericht over het voornemen van het NVJ-bestuur de Raad voor de Journalistiek n.a.v. bovengenoemde handelwijze te adiëren. Op 7 januari 1972 publiceerden de Kwartetbladen het bericht dat de plannen van het genoemde comité vaster vorm hadden gekregen.
Zonder zich uit te spreken over de gevolgen van de integratie van Trouw en de Kwartetbladen voor de redactionele identiteit van deze bladen legt het dagelijks bestuur van de NVJ aan uw Raad de vraag voor of het bericht over de mogelijkheid van een nieuwe krant met de formule van de Kwartetbladen juist voor de lezers van die bladen van groot belang moet worden geacht. Indien uw Raad deze vraag bevestigend beantwoordt verzoekt het dagelijks bestuur uw Raad een oordeel uit te spreken over de vraag of de commissie van hoofdredactie van Het Kwartet door de lezers van de Kwartet-bladen dit voor hen belangrijke bericht te onthouden zich heeft gedragen op een wijze die - de geschreven en ongeschreven regelen van de journalistieke erecode in acht genomen - schadelijk is voor de waardigheid van de stand der nederlandse journalisten.

HET VERWEERSCHRIFT

De Commissie heeft daartegen in haar verweerschrift, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:

Wij achten de werkelijke nieuwswaarde van het bedoelde ANPbericht (9 december 1971), dat spreekt van een 'zich oriënteren op mogelijkheden tot uitgifte van een dergelijke krant' (cursivering van ons) op zichzelf te gering om deswege voor plaatsing in aanmerking te kunnen komen.
Ook verscheidene andere redacties hebben het niet gepubliceerd. Het zal ook uw raad bekend zijn dat een werkelijke oriëntatie op dit gebied vandaag nog niet direct mogelijkheden behoeft te doen verwachten. Op grond van een kort tevoren met het comite Schakel gevoerde bespreking hadden wij bovendien reden aan te nemen, dat het de zegsman van het comité bij zijn mededelingen aan het ANP om andere dan feitelijke informatie begonnen was.
Dat wij er op willen toezien dat speciaal over plannen voor 'een nieuwe christelijke krant' - hoe vaag deze in casu ook werden aangekondigd - slechts zuivere nieuwsfeiten in onze bladen worden gepubliceerd, zult u begrijpen als u bedenkt dat deze 'nieuwe krant' eventueel rechtstreeks gericht zou zijn tegen de bij het NVJ-bestuur nauwkeurig bekende plannen welke het bestuur van de Christelijke Pers tot het behoud van de Trouw- en Kwartet-bladen in uitvoering heeft. Tendentieuze berichtgeving hierover in eigen kolommen zou onder de lezers slechts verwarring tot gevolg hebben. Vandaar dat wij in dit stadium ook eventueel andere berichten over dit onderwerp die avond niet zonder hoofdredactionele controle in onze bladen gepubliceerd wensten te zien.
Wij waren niet naïef genoeg om te menen daarmede de Kwartetlezers nu ook verder onkundig te kunnen houden van "de mogelijkheid van een nieuwe krant", zodra deze mogelijkheid reëel zou worden aangekondigd. Het besluit van het NVJ-bestuur om zich terzake van het niet-geplaatste ANP-bericht tot uw raad te wenden (en dientengevolge ook de zakelijke inhoud van het op zichzelf afgewezen bericht) hebben wij gepubliceerd. Toen het actie-comité Schakel 7 januari (dus zes dagen voor het NVJbestuur zich tot uw raad meende te moeten wenden) bekend maakte dat het zijn plannen 'rond~ had, hebben we deze feitelijke mededeling onverkort gepubliceerd.
Het is in het licht van het bericht in Ariadne (13 januari 1972) achteraf overigens aan twijfel onderhevig of ook laatst bedoeld door het comité Schakel gelanceerde bericht niet eerder als een tactisch-tendentieuze dan als een journalistieke-feitelijke mededeling had kunnen worden beschouwd.

REPLIEK EN DUPLIEK

In zijn repliek vraagt het Bestuur zich af, of het juist is te stellen, dat dit bericht over 'een zich oriënteren op mogelijkheden' geringe nieuwswaarde bezat; het gold hier een actiecomité onder leiding van een Tweede Kamerlid en men mag veronderstellen dat een grote groep lezers met name van de Kwartetbladen niet ingenomen was met het samengaan met Trouw. Blijkt verder uit het verweerschrift niet, dat hier sprake was van niet-journalistieke bijmotieven? In hoeverre is het de taak van een journalist ook een onwelkom bericht te publiceren, of zelfs een bericht waarvan het effect op kortere of langere termijn zeer nadelig kan zijn voor zijn eigen - ook journalistieke - belang Tenslotte: zo hier al sprake zou zijn van tendentieuze berichtgeving, kan het dan niet tot de taak van de journalist gerekend worden deze zodanig te bewerken en eventueel aan te vullen dat zij niet meer tendentieus is? Kan men het niet publiceren van zulke berichtgeving wel motiveren vanuit de wens, verwarring onder de lezers te voorkomen? Moet het niet uitsluitend aan de lezers zelf worden overgelaten, welke conclusie zij uit de zo volledig mogelijke en zo betrouwbaar mogelijke informatie trekken?
Met andere woorden: komt het motief voor niet publiceren niet evenzeer voort uit de drang de lezers door berichtgeving niet door het commentaar - een bepaalde richting in te sturen? In haar dupliek volhardt de Commissie bij haar verweer. De nieuwswaarde van het bericht was voor publikatie te gering; het kan toch niet tot een redactionele plicht worden gerekend om alles wat een comité voor zijn doel nuttig acht voor publikatie vrij te geven, direct in eigen krant op te nemen? Maar afgezien van de vraag of de Commissie en aanzien van die nieuwswaarde een beoordelingsfout gemaakt heeft, gaat het er niet zozeer om of argumenten kunnen worden aangevoerd die voor publikatie zou pleiten, doch om de vraag of met het niet-publiceren de waardigheid der Nederlandse journalisten werd geschaad. De overwegingen, uiteengezet in het verweerschrift, hadden betrekking op de extra-aandacht welke de Commissie in dat stadium aan elke publikatie over de actie-Schakel meende te moeten geven. Het is onjuist, dat speciaal dit bericht uit 'niet-journalistieke bijmotieven' zou zijn geweerd.

ZITTING

Partijen hebben ter zitting bij de eenmaal ingenomen standpunten volhard.
Van de kant van het Bestuur is daaraan nog het volgende toegevoegd.
Inderdaad heeft de redactie niet de plicht om alles te publiceren wat een comité in de publiciteit wil brengen; maar de vraag is of het hier niet juist ging om voor de eigen lezers relevante informatie. Dat een redactie extra aandacht wijd aan de berichtgeving die de eigen krant raakt ontmoet bij het Bestuur geen bezwaar. Maar de vraag is, of dat mocht leiden tot het niet publiceren van dit bericht.
De Commissie heeft bovendien nog het volgende aangevoerd. De Commissie nam deel aan de besprekingen met het Comité Schakel, waarin nog mogelijkheden zaten; het ging haar erom, dat dit bericht die avond niet geplaatst werd, omdat dat verwarring zou kunnen scheppen in het kader van die besprekingen. Er ging daarom een telefonische mededeling van de hoofdredactie te Amsterdam naar de redacteuren elders: 'dit ANP-bericht zullen we nu niet nemen'. Van die mededeling is door een Rotterdamse redacteur een soort missive gemaakt, waardoor het karakter van de mededeling wat is veranderd.
De Commissie was van de plannen van het Comité natuurlijk al op de hoogte voordat het bericht op de telex kwam. Wanneer ontstond nu eigenlijk een plicht voor de Commissie te publiceren toen zij het wist of toen het ANP er een bericht - an maakte? Men kan toch niet eisen, dat de redactie, in welke stand de onderhandelingen ook verkeren, daarover nieuws publiceert? De Commissie vond dat zij daartoe niet de vrijheid had in verband met de positie van haar bladen.
Op dit laatste heeft het Bestuur geantwoord, dat de Commissie in haar uiteenzettingen over het hoofd ziet, dat het feit dàt het Comité het bericht aan het ANP doorgaf en daarmee de zaak
opengooide, nieuws was. Desgevraagd heeft de Commissie - door het Bestuur onweersproken - verklaard, dat de lezers al op de hoogte waren van het bestaan van het Comité, er was vroeger al in de Trouw/Kwartet-bladen over gepubliceerd.

OVERWEGINGEN

1. De vraag, die het Bestuur aan de Raad voorlegt, laat zich als volgt samenvatten:
-Moet het bericht juist voor de lezers van de Kwartetbladen van groot belang worden geacht?
-Zo ja, heeft de Commissie, door dat bericht uit haar bladen te weren, zich gedragen op een wijze, die schadelijk is voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten?

2. Bij de vraag, hoe groot de nieuwswaarde en daarmee het belang voor de lezers van het bericht was, is het gelijk aan de kant van het Bestuur.
Alleen al het feit dat het, door een bekend, invloedrijk en ervaren politicus geleide actiecomité - van welks bestaan de lezers reeds eerder in hun kranten hebben kunnen kennisnemen - thans met deze mededelingen in de openbaarheid trad, gaf juist uit journalistiek oogpunT aan het ANP-bericht een niet onaanzienlijke nieuwswaarde voor al die lezers, die zich voor de onderhanden samensmelting van de bladen interesseerden dan wel daarin geïnteresseerd zouden kunnen worden, hoe zij ook over die samensmelting mochten denken. Ook al zou het de zegsman van het ANP om andere dan feitelijke informatie begonnen zijn geweest, en zelfs al zou van tendentieuze berichtgeving gesproken mogen worden - de Raad beoordeelt verder noch het een noch het ander -, het blijft berichtgeving, en het mogelijk tendentieuze karakter kan de journalist desgeraden door aanvulling of commentaar neutraliseren.

3. Hoe moet het feit, dat de Commissie dit bericht aan haar lezers heeft onthouden, naar journalistieke maatstaven worden beoordeeld?
Een krant kan nimmer alle aangeboden nieuws plaatsen; steeds wordt een keuze gedaan. Soms moeten daartoe onderling tegenstrijdige plichten en belangen worden afgewogen, en het zal bij de beoordeling van zo'n beslissing onder journalistiek oogpunt gaan om de vraag of de journalist gebleven is binnen de grenzen van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is; bij ernstige overschrijding van die grenzen zal sprake kunnen zijn van een gedraging, schadelijk voor de waardigheid van de stand der Nederlandse Journalisten.
Anders dan het Bestuur meent de Raad dat bij de beoordeling van deze plichten - en belangenafweging een onderscheiding naar journalistieke en niet-journalistieke motieven niet goed hanteerbaar is.
In het onderhavige geval was de weegschaal aan de ene kant belast met de journalistieke plicht dit bericht, dat voor de lezers een niet onaanzienlijke nieuwswaarde vertegenwoordigde, - al dan niet aangevuld of van commentaar voorzien - te plaatsen. Aan de andere kant lagen de hiervoor vermelde, door de Commissie te berde gebrachte, overwegingen in de schaal. Wie, gelijk de leden van de Commissie, toegetreden is of behoort tot de redactie van een dagblad, aanvaardt en heeft daarmede naast zijn algemene journalistieke plichten ook de plicht tot loyaliteit ten opzichte van zijn krant en van datgene waar die krant voor staat. Die plichten zullen bij de behandeling van het nieuws niet dan bij hoge uitzondering met elkander in strijd komen en in dat geval moet de journalist kiezen: hij moet de hogere plicht volgen. Welke dat is, hangt af van de omstandigheden.
De Commissie verkeerde in zulk een conflict van plichten. Zij was van mening, dat publikatie van dit bericht een nadelig effect zou hebben voor de mogelijkheid van het voortbestaan van haar bladen en dus voor de beginselen of idealen waarvoor die bladen stonden, en daaraan was de Commissie gebonden door haar journalistieke plicht van loyaliteit. De Commissie oordeelde in dit conflict van plichten de plicht, het bericht te publiceren het lichtst. Door zijn verzoekschrift heeft het Bestuur de Raad gesteld voor de vraag, of de Commissie juist oordeelde.

4. Het gaat bij de afweging van deze strijdige plichten duidelijk om een nadere waardering van twee belangen:
a - de nieuwswaarde van het bericht voor de lezers
b - de gevaren voor de bladen, die door publikatie zouden worden opgeroepen.

Ad. a. Gelijk reeds overwogen onder 2: anders dan de Commissie oordeelt de Raad dat aan het bericht een niet onaanzienlijke nieuwswaarde toekomt; eventuele tendentieuze aspecten had de redactie door aanvulling of commentaar kunnen bestrijden.

Ad b. De Commissie heeft kennelijk zwaar getild aan het feit dat men ten tijde dat het bericht werd gelanceerd, met het Comité - welks activiteiten een bedreiging voor het voortbestaan van de bladen zouden kunnen teweegbrengen - in toen niet vooruitzichtloze bespreking was.
Verder vreesde de Commissie 'verwarring' onder de lezers door tendentieuze berichtgeving begonnen zijn. Dat laatste laat zich horen ook de nieuwe krant heeft behoefte aan een staf en aan lezers. Maar zelfs als men het bericht opvat als zuiver nieuws zo oordeelt de Raad, kan publikatie in een kritische overgangssituatie van zo'n bericht in de eigen kolommen van de 'bedreigde' kranten, voor die kranten gevaarlijke gevolgen ten aanzien van het lezersbestand met zich brengen, die groeien naarmate men er, mede gelet op het feit dat de actie geleid werd door een bekend, invloedrijk en ervaren politicus, groter nieuwswaarde aan toekennen moet.

5. Redacties zien zich vaak gesteld voor zo'n afweging van de nieuwswaarde van een bericht tegen de uit eventuele publikatie voortvloeiende gevaren of bezwaren. Het is meestal moeilijk die gevaren en bezwaren op hun waarde te schatten. Men kan lang niet altijd afgaan op het gezag van anderen omdat dat soms juist belanghebbenden zijn, die trachten het nieuws uit de krant te houden en die daartoe het argument van de schade hanteren. Een redactie zal dan ook slechts in uitzonderlijke en overtuigende gevallen van publikatie kunnen afzien.
Kranten dienen ten aanzien van informatie over zichzelf de openheid te betrachten die ze ook ten aanzien van anderen hanteren. Ook hier geldt: alleen in uitzonderlijke gevallen en op zwaar wegende gronden zijn de bezwaren, verbonden aan het achterwege laten van publikatie, aanvaardbaar. In het onderhavige geval was de gekozen gedragslijn ook nog in een ander opzicht niet zonder bezwaren. Het stond immers wel vast, dat als gevolg van de ANP-publikatie andere kranten het nieuws wel zouden brengen; de commissie laadde de schijn op zich, dat zij de zaak wilde doodzwijgen. Enige informatie in de op het bericht volgende dagen zou die valse schijn misschien hebben kunnen voorkomen.
Wat er intussen zij van de aan het niet publiceren van nieuws van enig belang bijna steeds verbonden bezwaren: de commissie had het recht te handelen gelijk zij gedaan heeft, indien door een andere gedragslijn wezenlijke belangen van haar eigen krant zware schade zouden hebben kunnen oplopen. Of de zaken inderdaad zo lagen kon zij alleen beoordelen- zo'n oordeel moet men respecteren tenzij de Commissie niet in redelijkheid daartoe had kunnen komen. Daarvan is hier echter geen sprake.

BESLISSING

De Raad oordeelt dat niet is komen vast te staan, dat de Commissie door haar beslissing de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van de journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is, zodat haar gedraging niet schadelijk geoordeeld kan worden voor de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De Journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 10 mei 1972 door prof. mr. Ch. J. Enschedé, voorzitter, mr. H. Dikkers, drs. J. M. M. van der Pluijm, prof. dr. G. C. van Niftrik en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van mr. K. Helder als secretaris.

RvdJ 1972, 3