1972/1 gegrond

Dierenbescherming contra HVV

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake de Nederlandsche Vereniging tot bescherming van dieren tegen P. Koster

Het hoofdbestuur van de Nederlandsche Vereniging tot Bescherming van Dieren te 's-Gravenhage, hierna te noemen klager, heeft zich bij een brief van 22 juni 1971 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen de heer P. A. Koster te Rotterdam, redacteur van Het Vrije Volk, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze zaak behandeld ter zitting van 23 maart 1972, waar zijn verschenen dr J. C. Klesser namens klager, en betrokkene.

KLACHT

In de vlaardingse editie van Het Vrije Volk van 2 juni 1971 verscheen onder de kop "Hyena's loeren op de kas" van de hand van betrokkene een artikel, waarin bij monde van de toenmalige voorzitter van de Stichting Dierenbescherming Nieuwe Waterweg te Vlaardingen een aantal beschuldigingen worden gericht tegen klager. Het gehele artikel is volgens klager één verzameling van verdachtmakingen, beschuldigingen en aperte onwaarheden, geuit door iemand wie reeds in 1968 door de rechter op straffe van een dwangsom verboden was zich beledigden over klager uit te laten, nadat in de jaarvergadering een motie van afkeuring van het gedrag van de vlaardingse groep, die zich enige jaren tevoren had teruggetrokken uit de landelijke vereniging, en een motie van vertrouwen in het beleid van klager waren aangenomen.
De grief van klager tegen betrokkene is dat deze zich noch voor noch na de publikatie tot klager heeft gewend voor een wederwoord op deze beschuldigingen, die als ze slechts ten dele op waarheid zouden berusten, de val van het hoofdbestuur zouden veroorzaken. Toen genoemd artikel op 9 juni onder de aandacht van de directeur der vereniging dr Klesser, was gekomen, heeft deze telefonisch betrokkene verzocht, alsnog een wederwoord op te nemen in de vorm van een interview met hemzelf en met klagers secretaris.
Betrokkene antwoordde hierop dat hij het recht op wederwoord niet wilde ontkennen maar voorlopig geen tijd had, waarop hij vergeefs trachtte, dr Klesser door te verbinden met de hoofdredacteur. Toen dr Klesser de volgende dag opnieuw de hoofdredactie van Het Vrije Volk opbelde, kwam hij in contact met de heer Hoffmann, die het verzoek om een wederwoord redelijk achtte en toezegde, betrokkene opdracht te geven, zich met klager in verbinding te stellen. Daar dit nimmer is gebeurd heeft klager zich met een klacht over de handelwijze van betrokkene tot de Raad gewend.

VERWEER

In zijn artikel, zo stelt betrokkene o.m, heeft hij getracht de visie van de vlaardingse voorzitter, deels in diens eigen uitspraken, weer te geven. Zo is ook de kop boven het artikel een door de koppenredacteur daartoe uitgekozen citaat van deze zegsman. Dat hij niet reeds bij het schrijven van het stuk de beschuldigden om een weerwoord heeft benaderd, was in eerste instantie een kwestie van tijdnood: het gesprek met de zegsman duurde tot ongeveer 22 uur. Het artikel was bestemd voor de vlaardingse pagina in de krant van de volgende dag, waarvoor de kopij 's ochtends om 7 uur in Rotterdam moest zijn.
De aanleiding tot het interview was een kort tevoren gehouden afdelingsvergadering geweest. Tenslotte meende betrokkene de mening van het hoofdbestuur wel ongeveer te kennen, daar hij inzage had gehad van notulen van enkele hoofdbestuursvergaderingen, waaruit hem duidelijk was geworden dat het een voorname wens van het hoofdbestuur was de vlaardingse oppositie in de persoon van zijn voorzitter de kop in te drukken. Afgaande op die notulen was naar betrokkenes mening het betoog van deze voorzitter juist; in welke woorden hij zijn bezwaren verpakte was zijn zaak.
Toen op 9 juni dr Klesser hem telefonisch verzocht om een weerwoord te publiceren in de vorm van een interview, heeft betrokkene geantwoord dat hij voor de voorgestelde interviewvorm weinig tijd had.
Op verzoek van dr Klesser had hij vervolgens - tevergeefs - getracht deze door te verbinden met de hoofdredacteur. Dr Klesser zei daarop, dan de volgende dag wel contact met de hoofdredacteur te zullen opnemen. Hiermee beschouwde betrokkene de kwestie als voor hem voorlopig afgedaan.
Van een opdracht aan hem om contact met klager op te nemen over deze zaak is hem niets bekend.
Betrokkene is van mening dat klager na de genoemde telefoongesprekken niets heeft gedaan om eventuele onjuistheden in zijn berichtgeving te laten rechtzetten. Ook niet door middel van een ingezonden brief, die in de journalistiek een veel gebruikte vorm van weerwoord is.

ZITTING

Dr Klesser memoreert ter toelichting van zijn klacht de afscheiding van de vlaardingse afdeling van klager en de daaruit voortgevloeide gerechtelijke procedure als achtergrond van het door betrokkene geschreven artikel. Een aantal van de daarin weergegeven uitlatingen van de vlaardingse voorzitter hebben een beledigende tendens of zijn controleerbaar onwaar.
Het is echter niet zozeer dit wat klager aan betrokkene verwijt als wel het feit dat hij de hem meegedeelde feiten niet bij klager heeft nagegaan alvorens ze te publiceren. Dat is niet gebeurd en bovendien heeft betrokkene geweigerd te voldoen aan klagers verzoek tot rectificatie met het argument dat hij geen tijd had terwijl naar klagers indruk geen enkele haast bestond bij de publikatie van het stuk maar wel bij het opnemen van de rectificatie.
Klager heeft wel degelijk pogingen gedaan om een wederwoord gepubliceerd te krijgen blijkens zijn telefoongesprek met de heer Maandag. Een ingezonden brief is daartoe geen geschikt middel omdat die, gewoonlijk opgenomen in een rubriekje als 'Wat lezers ons schrijven', in publiciteitswaarde niet is te vergelijken met een artikel van de omvang en de opmaak als het gevraagde, dat geplaatst zou moeten worden op dezelfde pagina als het betwiste stuk.

Betrokkene zegt, o.a. door het veelvuldig gebruik van aanhalingstekens te hebben duidelijk gemaakt dat het stuk een weergave was van de uitlatingen van zijn zegsman en dat hij die regel voor diens rekening heeft gelaten. Het was hem pas na de publikatie bekend geworden dat er een dwangsom was gesteld op hernieuwde beledigende uitlatingen van diens kant. Desgevraagd erkent hij de hem - overigens rustig en niet geëmotioneerd - meegedeelde feiten achteraf gezien te hebben moeten controleren.
Hij had in zoverre haast met de publikatie dat hij het stuk wilde gebruiken in plaats van een droog verslag van de voorafgegane afdelingsvergadering; verder had hij - het was komkommertijd niet zo gauw andere kopij gereed voor de dagelijkse vlaardingse pagina. Hij heeft niet rondweg geweigerd, een weerwoord op te nemen, slechts niet nu maar over een week; hij kan zich echter voorstellen dat dr Klesser dit te laat vond worden. Toen klager contact had opgenomen met de hoofdredactie was betrokkene ervan overtuigd dat de zaak nu verder op hoger niveau zou worden afgewikkeld; zelf heeft hij er geen aandacht meer besteed.
Betrokkene is inmiddels tot de conclusie gekomen dat het verstandiger en achteraf gezien ook fatsoenlijker zou zijn geweest, wanneer hij gewacht had met de publikatie om de feiten bij klager te kunnen verifiëren

OVERWEGING

Het betreft hier een stuk van een jonge journalist, wiens taak het was dagelijks een pagina met vlaardings nieuws te leveren en die er onder deze druk toe gekomen is een vergaderings-
verslag te vervangen door een interview waarin een aantal beledigende uitlatingen zijn geciteerd, gericht te£en klager.
In zo'n geval had de inhoud voor publikatie moeten worden voorgelegd aan klager teneinde hem de gelegenheid te geven zijn standpunt tegenover dat van betrokkenes zegsman te stellen. Het is bevredigend dat betrokkene dit ter zitting heeft toegegeven.
Bij de beoordeling van de gang van zaken dient in aanmerking te worden genomen dat de voor betrokkenes werk verantwoordelijke redactiechef zich had moeten realiseren dat het stuk niet zonder meer kon worden gepubliceerd. Nu dit toch is geschied, was betrokkenes argument van tijdgebrek geen voldoende reactie op klagers verzoek om publikatie van een interview als weerwoord, wat er ook zij van een eventueel contact over deze zaak op hoger redactioneel niveau; betrokkenes eigen verantwoordelijkheid hield daarmee niet op.
Klager, in het in de krant verschenen stuk op persoonlijke wijze aangetast, behoefde geen genoegen te nemen met plaatsing van een ingezonden stuk.

BESLISSING

Betrokkene heeft zich bij de publikatie van een interview waarin klager werd aangetast, niet gehouden aan de journalistieke gedragsregel van het verlenen van een wederwoord en daardoor onzorgvuldig gehandeld; dit is te betreuren, ook al rust de verantwoordelijkheid hiervoor niet op hem alleen.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten De journalist.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 23 maart 1972 door prof. mr Ch. J. Enschedé, voorzitter, mr H. Dikkers. prof. dr G. C. van Niftrik, drs J. M. M. van der Pluym en N. G. Schrama, leden, in tegenwoordigheid van mr K. Helder als secretaris.

RvdJ 1972, 1.