1971/9 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek in raadkamer (art. 19 lid 2 Reglement voor de Raad)

Op 7 september 1971 werd bij de Raad een schriftelijke klacht ingezonden van de volgende inhoud:

Eerbiedig verzoekt Dolf Waardenburg, makelaar in assurantiën, onroerende goederen en hypotheken, wonende te Amsterdam aan de Gerard Terborgstraat 7, Uw Raad te onderzoeken of de hoofdredacteur van de journalist Wim van Geffen de grenzen van de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten hebben overschreden door goed te vinden de plaatsing en het schrijven in de Telegraaf van 30-6-1971 van een artikel onder het in het oog springende opschrift: "MAKELAAR BENADEELT NILLMIJ VOOR VELE TONNEN", terwijl de persoon in kwestie in het geheel geen makelaar is en nimmer is geweest bovendien.

Door onzorgvuldiger te handelen dan in het maatschappelijke verkeer betamelijk is, werd de eer van de stand der makelaars (art. 64 W.v.K.) geschaad.

Verzoeker ( en hoogstwaarschijnlijk niet hij alleen) gevoelt zich benadeeld en in de eer van zijn beroep aangetast door het overbodige en ten onrechte vermelden van de beschermde titel van makelaar (art. 436a S.R.), dit te meer daar een verificatie af iemand makelaar is eenvoudig genoeg bij de Kamer van Koophandel en/of bij de griffie der arrondissementsrechtbank kan geschieden.

De Voorzitter verwees deze zaak overeenkomstig art. 17 reglement van de Raad, die deze op 15 september 1971 in raadkamer heeft behandeld, Ingevolge art. 19 Reglement dient de Raad - voorzover thans van belang na te gaan:
-of blijkt, dat de klacht is ingediend door een tot klagen onbevoegde, in welk geval de Raad de klager zonder nader onderzoek niet ontvankelijk moet verklaren; zo neen:
- of blijkt, dat de klacht kennelijk ongegrond of van onbeduidende aard is, in welk geval de Raad haar zonder nader onderzoek kan afwijzen.
Het gaat hier om preliminaire beslissingen. Alleen dan, wanneer de onbevoegdheid van de klager reeds in de raadkamer en ook zonder dat de zaak op een zitting behandeld wordt blijkt, moet de Raad de zaak met een niet ontvankelijkheid terzijde stellen; alleen dan, wanneer de ongegrondheid of onbeduidendheid van de klacht reeds in de raadkamer kennelijk aan den dag treedt, kan de Raad de zaak zonder meer met een afwijzing van de klacht afdoen. Voor zo'n niet ontvankelijkheid resp. afwijzing moet de onbevoegdheid, de ongegrondheid of onbeduidendheid dus aanstonds buiten twijfel vaststaan.
Wat de bevoegdheidsvraag betreft: naar het aanvankelijk oordeel van de raad is de bevoegdheid van de heer Waardenburg tot klagen aan twijfel onderhevig. Het is niet vanzelfsprekend, dat iedere uitoefenaar van een wettelijk geregeld en beschermd beroep dat ook beroepsorganisaties kent, rechtstreeks belanghebbende is in de zin van art. 14 Reglement met betrekking tot een beweerde, niet zijn eigen persoon betreffende, schending van de eer van die beroepsstand. Twijfel echter is, gelijk betoogd, voor een niet-ontvankelijk verklaring in dit stadium van de behandeling der zaak onvoldoende. Wel staat, zo oordeelt de Raad, aanstonds vast, dat de klacht, zo al gefundeerd, dan toch in alle geval van onbeduidende aard is. De wetgever moge het makelaarsberoep wettelijk geregeld en beschermd hebben - hetgeen erop neerkomt dat hij, die dat beroep zelf wil uitoefenen, op straffe aan bepaalde wettelijke eisen zal moeten voldoen-, dat brengt nog niet mede, dat het woord makelaar in het gewone taalgebruik nu ook uitsluitend in de rechtskundige betekenis gebruikt zou mogen worden. Naast die rechtskundige betekenis heeft immers dit woord voor schrijvers en lezers buiten de sfeer van het rechtsleven zijn meer dagelijkse betekenis van tussenpersoon, bemiddelaar, koppelaar, agent behouden.

De Raad wijst derhalve de klacht zonder nader onderzoek af.

Aldus gedaan in raadkamer op 15 september 1971 alwaar tegenwoordig Prof.Mr.Ch.J.Enschedé, voorzitter, Dr.E.Diemer, Mr.H.Dikkers, Drs. J.M.M. van der Pluym en N.G.Schrama, leden,in tegenwoordigheid van Mr. K.Helder, secretaris.

RvdJ 1971, 9.