1971/8 ongegrond

Beslissing van de Raad voor de Journalistiek inzake gedeputeerde Staten van Overijssel tegen de hoofdredacteur van het Dagblad Tubantia

Gedeputeerde staten van Overijssel, hierna te noemen klager, hebben zich bij brief van 8 oktober 1970 tot de Raad voor de Journalistiek gewend met een klacht tegen Mr. J.W. de Bode, hoofdredacteur van het Dagblad Tubantia te Enschedé, hierna te noemen betrokkene.

Tijdens het voorlopig onderzoek, naar deze klacht ingesteld, heeft betrokkene een verweerschrift ingediend. Daarna heeft de Raad de zaak naar de zitting verwezen en deze behandeld ter zitting van 6 juli 1971, waar zijn verschenen de heren H.A. te Riet, lid van het college van gedeputeerde staten van Overijssel, en H.G. Overweg, waarnemend chef van het bureau Voorlichting van de Provincie, voor klager, en betrokkene.

KLACHT

Klager stelt, zakelijk weergegeven, de volgende feiten. Op 23 september 1970 werd door het Provinciaal Bestuur van Overijssel het rapport "Technisch onderwijs bij de tijd" toegezonden aan de pers, met de uitdrukkelijke vermelding - zowel op het rapport zelf als in een begeleidend schrijven - dat uit dit rapport pas gepubliceerd zou mogen worden op 2 oktober 1970. Op 29 september 1970 werd over dit rapport een persconferentie belegd welke ook werd bezocht door een redacteur van het Dagblad Tubantia. Tijdens de persconferentie werd nogmaals medegedeeld dat op het rapport een embargo rustte tot 2 oktober 1970. In de editie van 1 oktober 1970, een dag voor het verstrijken van de embargotermijn, publiceerde het Dagblad Tubantia een uittreksel uit het rapport onder de titel "Verschuivingen in de groepen van denkers en doeners". In de afgelopen jaren werd reeds tweemaal eerder een embargo door de betrokkene geschonden. Deze schendingen hadden plaats in september 1967 en november 1969. Toen verzekerde betrokkene aan klager dat maatregelen genomen zouden worden om herhaling te voorkomen. De embargoschending is zonder twijfel zonder opzet begaan. Nu betrokkene echter voor de derde maal in een paar jaar tijds een door klager vastgesteld embargo heeft geschonden, acht klager zich in zijn belang geschaad. Schending van embargo's door de betrokkene levert immers het gevaar op dat andere persorganen daardoor geneigd zullen zijn minder aandacht te schenken aan zaken, waarvan klager het van belang vindt dat het publiek daarover een zo breed mogelijke informatie ontvangt. Klager vat deze onzorgvuldigheid bij het in acht nemen van embargo's - welke op verzoek van bijna de gehele Overijsselse pers door hem worden gehanteerd - zeer ernstig op, mede omdat hem klachten hebben bereikt van andere dagbladen. Klager verzoekt de Raad derhalve een uitspraak te doen over de herhaalde embargoschending door betrokkene.

VERWEER

In zijn verweerschrift geeft betrokkene toe dat het Dagblad Tubantia een uittreksel heeft gepubliceerd uit het rapport "Technisch onderwijs bij de tijd" een dag voor het verstrijken van de embargotermijn. Betrokkene betreurt deze schending van het niet door hem bestreden en dus geaccepteerde embargo in hoge mate. De redacteur, die de persconferentie over het rapport bijwoonde, heeft zich ernstig vergist door aan te nemen dat 2 oktober op een donderdag viel in plaats van op een vrijdag. Van enige opzet tot schending van het embargo was geen sprake. Er werd een menselijke fout begaan door een redacteur met een zeer lange vlekkeloze staat van dienst, die in de mening verkeerde het embargo in acht te hebben genomen. Omdat hij zijn kopij op woensdagmiddag 30 september ter zetterij had afgegeven ter plaatsing op donderdag, had hij het niet nodig geoordeeld op de kopij nog een embargo-aanwijzing voor de opmaakredactie te geven.
Naar zijn mening kon het immers op dat moment niet fout meer gaan omdat hij in de mening verkeerde dat de termijn van het embargo de volgende dag afliep. Betrokkene geeft eveneens toe dat in november 1969 een embargo werd geschonden. Ook hierbij was van opzet geen sprake. Maatregelen werden toen genomen om herhaling te voorkomen. Tenslotte had ook de schending van een embargo in september 1967 bij vergissing plaats. Betrokkene heeft onmiddellijk om een onderhoud gevraagd met de Commissaris der Koningin in de provincie Overijssel en deze, in een gesprek dat op 12 oktober 1970 plaats had, amende honorable gedaan.

ZITTING

Klager volhardt bij zijn klacht. Betrokkene licht de wijze toe waarop embargostukken ter redactie behandeld worden. Sinds november 1969 worden stukken onder embargo aan de betrokken redacteur altijd persoonlijk overhandigd met mondelinge mededeling van het embargo. Voordat deze redacteur zijn kopij naar de zetterij stuurt, stelt hij van het doorgeven van de kopij Zijn chef op de hoogte. Tenslotte gaat de kopij niet naar de zetterij voordat de krant van de dag voor het aflopen van de embargotermijn daar is voltooid. Betrokkene gelooft hiermee voldoende maatregelen te hebben getroffen om schending van embargo's te voorkomen. Dat op 1 oktober 1970 niettemin een embargo geschonden werd, wijt betrokkene aan een menselijke fout die met maatregelen niet altijd te voorkomen zal zijn. Naar aanleiding van deze nieuwe embargoschending heeft betrokkene opnieuw een veiligheidsmaatregel genomen: thans behoort de verantwoordelijke redacteur, zodra de kopij naar de zetterij is gezonden, dit te melden aan de hoofdredactie. Overigens is betrokkene niet geheel gelukkig met de wijze waarop door het Provinciaal Bestuur van Overijssel embargo's worden gehanteerd, ook al heeft betrokkene in casu het embargo erkend. Betrokkene meent dat embargo's vaak onnodig en embargotermijnen vaak te lang zijn. In casu werd een embargo voor acht dagen bepaald.

OVERWEGINGEN

Het is zonder twijfel te betreuren dat het door betrokkene erkende embargo werd geschonden. Zoiets mag niet gebeuren. Dat de schending het gevolg was van een menselijke fout - een vergissing in de dag van de week - brengt hierin £een verandering. De redactie van het Dagblad Tubantia zal doeltreffender maatregelen dan tot nog toe moeten nemen ter bescherming van het embargo. De Raad nam daarom gaarne kennis van de mededeling van betrokkene daaromtrent. Anderzijds dient bedacht dat de kans op vergissingen toeneemt naarmate de termijn van het embargo langer is. Termijnen voor embargo's mogen niet langer zijn dan strikt noodzakelijk. De Raad verwijst in dit verband naar de richtlijnen die worden opgesteld door de Sectie Hoofdredacteuren van de Federatie van Nederlandse Journalisten, (thans: Nederlandse Vereniging van Journalisten), waarin er onder meer op wordt aangedrongen het embargo zich over zo kort mogelijke termijn te laten uitstrekken.

BESLISSING.

Aan de betrokkene kan een zekere mate van onzorgvuldigheid bij het in acht nemen van embargo's verweten worden. Deze onzorgvuldigheid is echter niet van dien aard dat gezegd kan worden dat hiermee de waardigheid van de stand der Nederlandse journalisten is geschaad.

De Raad besluit dit oordeel ter publikatie te verstrekken aan het orgaan van de Nederlandse Vereniging van Journalisten "De Journalist".

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 juli 1971 door Prof. Mr. Ch.J. Enschedé, voorzitter, Dr. E.Diemer, Mr. A.Stempels, Drs. A.A.V. Tummers en Drs. L.F. Tymstra, leden, in tegenwoordigheid van Mr. K.Helder, secretaris.

RvdJ 1971, 8.